Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:7535
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
4,999 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/413446 / KG ZA 23-424
Vonnis in kort geding van 10 oktober 2023
in de zaak van
[de vrouw01]
wonende te [woonplaats01] , thans verblijvende te [verblijfplaats01] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom,
tegen
[de man01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- het emailbericht van mr. Jurgers d.d. 22 september 2023 met als bijlage een brief met productie 4 en 5;
- de mondelinge behandeling op 26 september 2023;
- de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities van mr. Jurgers en mr. Breewel-Witteveen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 2013;
- [minderjarige02] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum02] 2019.
2.2
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
De [minderjarige01] verblijft bij de man en de [minderjarige02] bij de vrouw.
2.5
Op 22 september 2023 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaak-/rekestnummer
C/02/414129 / FA RK 23-4441
) strekkende tot het vaststellen van het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- te bepalen dat de [minderjarige01] voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd, in afwachting van een definitieve tussen partijen overeen te komen dan wel in rechte vast te stellen zorgregeling;
Subsidiair:
- de man te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling tussen de vrouw en de [minderjarige01] , inhoudende dat:
de vrouw [minderjarige01] iedere maandagochtend om 09.00 uur bij de man ophaalt zodat [minderjarige01] bij haar in [verblijfplaats01] kan verblijven en dat de vrouw [minderjarige01] dan op woensdagochtend naar de [kinderdagcentrum 01] brengt, alwaar de man hem dan aan het eind van de dag kan ophalen, alsmede dat;
[minderjarige01] voorts gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond 17.00 uur bij de vrouw in [verblijfplaats01] verblijft, waarbij de man [minderjarige01] vrijdagmiddag bij de [kinderdagcentrum 01] ophaalt en naar de vrouw brengt en zondagavond [minderjarige01] om 17.00 uur bij de vrouw in [verblijfplaats01] ophaalt;
althans een zodanige regeling zoals de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,- per dag dat de man deze regeling niet nakomt;
- de man te veroordelen, op straffe van dezelfde dwangsombepaling als hierboven, te voldoen aan zijn wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige01] , zulks wekelijks per e-mail, althans een regeling te treffen zoals de voorzieningenrechter dat in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw heeft veel moeite met de huidige situatie, hetgeen absoluut niet haar keuze is geweest. In de nacht van 12 op 13 augustus 2023 heeft de man naar aanleiding van een conflict tussen partijen de vrouw en [minderjarige02] ertoe gedwongen de woning te verlaten, waarbij de man erop stond dat [minderjarige01] bij hem zou blijven. De vrouw verblijft sindsdien noodgedwongen met [minderjarige02] bij haar ouders in [verblijfplaats01] en het lukt partijen niet om afspraken te maken over hoe het nu verder moet. De man dreigt de politie te bellen als de vrouw bij de gemeenschappelijke woning verschijnt, waardoor zij geen zicht meer heeft op [minderjarige01] . Het kan niet anders dan dat [minderjarige01] behoorlijk van slag is door de situatie. [minderjarige01] is namelijk een kind met het Downsyndroom en heeft daardoor veel begeleiding en structuur nodig. Door het handelen van de man is die structuur abrupt weggevallen. Hij moet zijn moeder, die altijd zijn hoofdopvoeder is geweest, en broertje missen en de man houdt [minderjarige01] sindsdien ook weg van zijn dagbesteding bij [kinderdagcentrum 01] , blijkbaar uit angst dat de vrouw hem daar zal ophalen. De vrouw zegt toe dit niet te zullen doen en dat zij het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt zal afwachten. De vrouw heeft er veel moeite mee dat de man sinds het incident niet heeft geïnformeerd naar [minderjarige02] en dat zijn vorderingen alleen zien op [minderjarige01] . Ondanks alles gaat het volgens de vrouw wel goed met [minderjarige02] . [minderjarige02] heeft als gevolg van zijn kindeigen problematiek een leerplichtontheffing tot zijn vijfde jaar en ging tot augustus naar de [kinderdagcentrum 02] . Nu de vrouw bij haar ouders in [verblijfplaats01] verblijft, ziet zij geen mogelijkheid om hem hier naar toe te brengen maar zij verwacht zodra duidelijk is dat [minderjarige02] bij de vrouw mag blijven wonen dit snel op te lossen door hem in te schrijven op een kinderdagverblijf bij haar in de buurt. De vrouw heeft inmiddels een eigen woning gekocht op het woonwagenkamp bij haar ouders. In de komende periode zal deze woning gerenoveerd worden, zodat deze geschikt zal zijn voor de vrouw, [minderjarige01] en [minderjarige02] . De vrouw vindt namelijk dat beide kinderen aan haar moeten worden toevertrouwd, daar zij altijd de hoofdopvoeder van de kinderen is geweest en de man voor het inkomen zorgde en nauwelijks omkeek naar de kinderen. Zij verwacht dat het geen probleem zal zijn voor [minderjarige01] om bij haar in [verblijfplaats01] te slapen. [minderjarige01] is namelijk erg gehecht aan zijn moeder en [minderjarige02] , waardoor hij volgens de vrouw deze verandering aan kan. De vrouw handhaaft dan ook haar vorderingen, ook ten aanzien van de door haar gevorderde dwangsom. Zij heeft er geen vertrouwen in dat de man zonder dwangsom het vonnis zal nakomen.
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- te bepalen dat de [minderjarige01] wordt toevertrouwd aan de man;
- te bepalen dat de [minderjarige02] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- te bepalen dat de vrouw en de [minderjarige01] voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar elk weekend op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige01] naar de vrouw in [verblijfplaats01] brengt en hem daar ook weer ophaalt, totdat partijen samen tot een definitieve contactregeling komen, al dan niet met hulpverlening;
- te bepalen dat de man en de [minderjarige02] voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar elk weekend op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige02] naar de man in [woonplaats01] brengt en hem daar ook weer ophaalt totdat partijen samen tot een definitieve contactregeling komen, al dan niet met hulpverlening;
- partijen te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod, teneinde met behulp van de hulpverlening invulling te gaan geven aan hun ouderschap als gescheiden ouders, waarbij de uitkomsten van het traject door de meest gerede partij worden ingebracht in een bodemprocedure waarin het hoofdverblijf van de kinderen, alsook de definitieve contactregeling zal worden bepaald;
- partijen te verplichten elkaar, minimaal één keer per maand per mail, te informeren over de ontwikkeling van de kinderen (sociaal, emotioneel en medisch), dan wel zoveel vaker indien noodzakelijk.
3.4.
Beoordeling
4.1
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.
4.2
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling van 26 september 2023, kort samengevat, naar voren gebracht ernstige zorgen te hebben over de situatie. Zo is [minderjarige02] abrupt weggetrokken uit zijn vertrouwde omgeving, ziet hij zijn vader niet meer en gaat hij niet meer naar de peuterspeelzaal, waar ook een onderzoek liep naar welke vorm van onderwijs het beste bij [minderjarige02] past. De gevolgen van de conflictsituatie tussen ouders heeft ook grote gevolgen voor [minderjarige01] , die vanwege zijn kindeigen problematiek grote behoefte heeft aan structuur, regelmaat en rust en ineens niet meer naar zijn dagbesteding gaat en zijn moeder en broertje niet meer ziet. De Raad heeft daarom ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen en de mate waarin thans voorzien wordt in hun behoeften, waarbij ook de impact van de scheiding van partijen op de kinderen niet moet worden onderschat. De huidige situatie zorgt voor veel onrust voor de kinderen. De Raad acht het meest in het belang van de kinderen dat zij niet uit elkaar gehaald worden en dat zij een onbelast contact kunnen hebben met hun beide ouders. De Raad acht dringend noodzakelijk dat [minderjarige01] zo spoedig mogelijk terugkeert naar [kinderdagcentrum 01] en dat [minderjarige02] naar zijn vertrouwde peuterspeelzaal gaat, zodat de lopende onderzoeken ten aanzien van hem vervolgd kunnen worden. Ook acht de Raad noodzakelijk dat partijen een zorgregeling afspreken waarbij de vrouw de mogelijkheid krijgt om met beide kinderen in [verblijfplaats01] te verblijven. De Raad betreurt het ten zeerste dat partijen zoveel boosheid jegens elkaar kennen, waardoor het hen niet lukt om samen tot een compromis en een (tijdelijke) oplossing te komen. Omdat partijen weigeren uitvoering te geven aan de situatie die volgens de Raad het meest in het belang van [minderjarige01] en [minderjarige02] is en die dus niet haalbaar is, stelt de Raad voor om een raadsonderzoek in te zetten om zodoende te bezien wat het beste is voor de kinderen. De Raad zal in dit onderzoek ook de noodzaak van een kinderbeschermende maatregel meenemen. Gezien de strijd van partijen en de impasse zal de Raad trachten dit onderzoek zo spoedig mogelijk aan te vangen. Het rapport met bijbehorend advies zal worden ingediend in de bodemprocedure van partijen.
4.4
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.4.1
Met de Raad heeft de voorzieningenrechter ernstige zorgen over de situatie en de hevige strijd die is ontstaan tussen partijen. Hoewel partijen tegenstrijdige visies kennen over de gebeurtenissen die hiertoe aanleiding zijn geweest, staat vast dat sinds het incident medio augustus 2023 de vrouw en [minderjarige02] abrupt de thuissituatie hebben verlaten en bij de grootouders moederszijde in [verblijfplaats01] verblijven. Ook is niet betwist dat [minderjarige02] sindsdien niet meer naar de peuterspeelzaal gaat en [minderjarige01] niet meer naar zijn dagbesteding en dat beide partijen het andere kind en de kinderen onderling elkaar niet meer zien. De verstandhouding tussen partijen staat zodanig onder spanning dat het hen niet lukt om tot (tijdelijke) afspraken te komen. Beide partijen houden halsstarrig vast aan hun eigen visie en zijn niet bereid om water bij de wijn te doen om in afwachting van de bodemprocedure tot tijdelijke afspraken te komen ten aanzien van [minderjarige02] en [minderjarige01] . Bovenstaande situatie is normaliter al zeer zorgelijk, maar zeker voor [minderjarige02] en [minderjarige01] . [minderjarige01] is een zeer kwetsbare jongen met het Downsyndroom, die veel structuur, voorspelbaarheid, rust en intensieve begeleiding nodig heeft. [minderjarige02] kent eveneens kindeigen problematiek met een ontwikkelingsachterstand, waardoor hij een leerplichtontheffing heeft tot aan zijn vijfde jaar en hij naar een speciale peuterspeelzaal gaat waar momenteel onderzocht wordt welke vorm van onderwijs het beste bij hem aansluit. De voor hen noodzakelijke structuur is plotsklaps weggevallen, waarbij zij elkaar en de andere ouder moeten missen.
4.4.2
De voorzieningenrechter acht gezien de tegengestelde standpunten van de ouders en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling, de inzet van een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod op dit moment niet aan de orde. Het is dringend noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk zicht komt op de situatie van [minderjarige01] en [minderjarige02] en dat in dit kader een onderzoek zal starten naar de vraag welke opvoedsituatie en verdeling van zorg- en opvoedtaken het meest aansluit bij de belangen en behoeften van [minderjarige01] en [minderjarige02] en of een kinderbeschermende maatregel noodzakelijk is. Zoals tijdens de mondelinge behandeling reeds is aangekondigd zal de voorzieningenrechter dan ook de Raad verzoeken om alvast ten behoeve van de bodemprocedure een onderzoek te starten en een rapport en advies uit te brengen omtrent de volgende vragen:
Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
Bestaat er een noodzaak voor het treffen van een kinderbeschermende maatregel?
4.4.3
De huidige situatie en het belang van [minderjarige01] en [minderjarige02] vraagt echter dringend om een noodverband en nu partijen er niet uitkomen zal de voorzieningenrechter in afwachting van een definitieve beslissing in de bodemprocedure thans voor hen beslissen.
4.4.4
Ten aanzien van [minderjarige01] acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk dat hij zo snel mogelijk weer zijn vaste structuur kan volgen, te weten dat hij vijf dagen per week naar de dagopvang gaat. Gezien de overgelegde stukken met betrekking tot de ontwikkeling van [minderjarige01] is structuur, voorspelbaarheid en regelmaat erg belangrijk voor hem. In combinatie met de afstand tussen de huidige woonplaatsen van de ouders betekent dit dat [minderjarige01] op die dagen niet bij de vrouw kan verblijven en daarom zal [minderjarige01] voorlopig worden toevertrouwd aan de man. Hierbij speelt tevens een rol dat zowel de woning van de grootouders moederszijde, waar de moeder nu verblijft, als de woning waar de moeder per 12 oktober over hoopt te beschikken nog niet geschikt zijn voor een verblijf van de vrouw met twee kinderen.
Wat betreft [minderjarige02] spelen eveneens zorgen over zijn achterlopende ontwikkeling en geldt ook voor hem dat hij zeer gebaat is bij voorspelbaarheid, regelmaat, structuur en duidelijkheid, maar gezien de voorliggende vorderingen, waarbij de vorderingen van de man wat betreft de toevertrouwing aan hem alleen zien op [minderjarige01] en niet op [minderjarige02] , en nu voorts beide ouders verblijf van [minderjarige02] bij de vrouw bepleiten, ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen andere optie dan de huidige situatie in stand te laten, in die zin dat [minderjarige02] aan de vrouw zal worden toevertrouwd.
4.4.5
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1
bepaalt dat de [minderjarige01] wordt toevertrouwd aan de man;
5.2
bepaalt dat de [minderjarige02] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
5.3
bepaalt dat er een zorgregeling geldt, waarbij [minderjarige01] en [minderjarige02] - met ingang van 14 oktober 2023 en beginnend met een weekend bij de man - om de week gezamenlijk bij één van partijen verblijven van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij geldt dat in het weekend dat beide minderjarigen bij de man verblijven de vrouw [minderjarige02] op zaterdag 10.00 uur bij de man brengt en de man [minderjarige02] op zondag 17.00 uur terugbrengt naar de vrouw en in het weekend dat beide minderjarigen bij de vrouw verblijven de man [minderjarige01] op zaterdag 10.00 uur bij de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige01] op zondag 17.00 uur terugbrengt naar de man;
5.4
bepaalt dat er een informatieregeling geldt, waarbij de ouder aan wie het kind is toevertrouwd de andere ouder informeert op de woensdag voor het omgangsweekend van die andere ouder omtrent de dagdagelijkse zaken die op dat moment spelen rondom het kind;
5.5
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat zij niet meewerkt aan de hiervoor onder 5.3 en 5.4 ten aanzien van haar geldende verplichtingen in het kader van de zorg- en informatieregeling, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.6
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet meewerkt aan de hiervoor onder 5.3 en 5.4 ten aanzien van hem geldende verplichtingen in het kader van de zorg- en informatieregeling, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.7
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om met spoed ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer
C/02/414129 / FA RK 23-4441
een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;
5.9
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.10
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.