Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-02
ECLI:NL:RBZWB:2023:7527
Strafrecht
Op tegenspraak
3,871 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/029856-22
vonnis van de meervoudige kamer van 2 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 oktober 2023, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1) het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor een ander werd gedood en
2) rijden onder invloed.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Hij acht ten aanzien van feit 1 bewezen dat de schuld van verdachte heeft bestaan in roekeloosheid.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet tot een bewezenverklaring van roekeloosheid kan komen. Wel is er sprake geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW). Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt, gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte op 15 januari 2022 in een auto over de Rooseveltlaan in Terneuzen reed. Naast hem in de auto zat [slachtoffer ] . Verdachte is met zijn auto in een slip geraakt en de controle over de auto verloren. Hij is met zijn auto van de weg geraakt en de berm in gereden, waarna de auto uiteindelijk tegen een boom tot stilstand is gekomen. Ten gevolge van dit ongeval is [slachtoffer ] overleden.
Uit onderzoek aan de hand van camerabeelden is gebleken dat verdachte kort voor het ongeval reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van minimaal 116 kilometer per uur en maximaal 174 kilometer per uur bij een ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. De rechtbank overweegt dat sprake is geweest van een zeer forse overschrijding van de maximumsnelheid.
Verdachte is na het ongeval onderworpen aan een bloedonderzoek, waarbij een alcoholpromillage van 1,43 werd gemeten, terwijl de grens voor verdachte als beginnend bestuurder is vastgesteld op 0,2 promille. Verdachte is dus met een forse hoeveelheid alcohol op gaan rijden en dat is naar het oordeel van de rechtbank eveneens een zeer ernstige verkeersfout.
Aan zijn schuld te wijten
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt vast dat verdachte buitensporig hard heeft gereden. Op het moment van het ongeval verkeerde verdachte bovendien fors onder invloed van alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol – en met name in de door verdachte genuttigde hoeveelheden – de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt, onder andere door verminderding van het reactievermogen en oplettendheid. Op grond van het voorgaande voldoet het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval naar het oordeel van de rechtbank aan het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 WVW.
Roekeloosheid
Bij het bepalen van de mate van schuld moet rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of de schuld ook is aan te merken als roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW in samenhang met artikel 175, tweede lid, WVW.
Per 1 januari 2020 is in werking getreden de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” (Stb. 2019, 413). Met deze wet heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat stelt dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Artikel 5a, eerste lid, WVW
Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, of (b) hij dat in ernstige mate heeft gedaan, of (c) hij dat opzettelijk heeft gedaan en of (d) daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een auto heeft bestuurd na gebruik van fors meer alcohol dan is toegestaan. Daarbij heeft verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid zeer fors overschreden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
De rechtbank overweegt verder dat verdachte zichzelf in de situatie heeft gebracht waarin hij onder invloed van alcohol de auto is gaan besturen. Verdachte heeft immers bewust de keuze gemaakt om een auto te besturen, wetende dat hij te veel alcohol had genuttigd, en vervolgens ook bewust de keuze gemaakt om het gaspedaal in te trappen om de geconstateerde uitzonderlijk hoge snelheid te kunnen behalen. De hiervoor genoemde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op een opzettelijke schending van de verkeersregels.
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het ook voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat wanneer een bestuurder onder invloed van alcohol het hiervoor beschreven verkeersgedrag vertoont. Bovendien heeft dit gevaar zich in dit geval verwezenlijkt. Verdachte heeft ook daadwerkelijk een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij de bijrijder is overleden.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW.
Beoordeling
Verdachte heeft door roekeloos rijgedrag op 15 januari 2022 een dodelijk verkeersongeval in Terneuzen veroorzaakt. Hij is die dag met een forse hoeveelheid alcohol op in een auto gaan rijden en heeft de maximumsnelheid zeer fors overschreden. Verdachte is vervolgens de controle over de auto verloren, is van de weg geraakt en in de berm tegen een boom gebotst. De bijrijder, [slachtoffer ] , is door dit ongeval om het leven gekomen. [slachtoffer ] was 21 jaar oud.
Door zijn gedrag in het verkeer heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Zijn gedrag heeft tot een ongeval geleid, waarbij zijn bijrijder is komen te overlijden. Verdachte heeft diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer ] . Het gemis van [slachtoffer ] is ter zitting op indrukwekkende wijze door zijn moeder verwoord.
Gelet op de ernst en de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten en de verwijtbare omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden, is een straf zonder meer gerechtvaardigd. De rechtbank realiseert zich evenwel dat geen enkele straf recht kan doen aan het gemis dat de nabestaanden van [slachtoffer ] hun leven lang nog zullen ervaren.
Door zowel de officier van justitie als de verdediging is toepassing van het adolescentenstrafrecht verzocht. De rechtbank stelt vast dat verdachte meerderjarig is en dat ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was. Het uitgangspunt bij meerderjarigen is vervolging op basis van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan hiervan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken, namelijk vanwege de persoonlijkheid van de dader of indien de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
De rechtbank ziet, ondanks de jonge leeftijd van verdachte, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel. De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, niet zonder meer toepassing van het adolescentenstrafrecht rechtvaardigen. Ook anderszins acht de rechtbank geen sprake van omstandigheden die aanleiding geven een uitzondering op de genoemde hoofdregel te aanvaarden. De rechtbank beschikt niet over een rapportage waarin toepassing van het adolescentenstrafrecht wordt geadviseerd en ook ter zitting is bij de verzoeken tot toepassing van het adolescentenstrafrecht niet nader onderbouwd welke omstandigheden die toepassing rechtvaardigen. De rechtbank zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
De rechtbank acht sprake van eendaadse samenloop en zal ook hier bij de strafoplegging rekening mee houden.
De rechtbank houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte zich zeer bewust is van het leed dat hij door zijn handelen heeft veroorzaakt. Hij heeft hiervoor ter zitting ook spijt betuigd, wat op de rechtbank oprecht is overgekomen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn handelen een ander is overleden.
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.
De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de feiten, tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen moet volgen. Hiermee wordt niet alleen beoogd verdachte in te scherpen dat zijn rijgedrag buitengewoon onveilig was voor verkeersdeelnemers, maar ook om verkeersdeelnemers voor langere tijd te beschermen tegen dit rijgedrag. De rechtbank acht een ontzegging voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest op zijn plaats en zal deze dan ook aan hem opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van:
feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet;
en
feit 2: overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, waarvan
6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 (drie) jaar;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. W.A.L. Pustjens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 november 2023.
Mr. Van Kralingen en mr. Pustjens zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.