Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-25
ECLI:NL:RBZWB:2023:7424
Civiel recht
Bodemzaak
1,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaaknummer 10501090 CV EXPL 23-1530
vonnis van 25 oktober 2023
in de zaak van
de naamloze vennootschap Unigarant N.V.,mede handelende onder de naam ANWB Verzekeren,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
gemachtigde: KVN gerechtsdeurwaarders & juristen te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats], aan het [woonadres],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden door de kantonrechter hierna ‘ANWB’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 22 maart 2023 met producties;
b. de conclusie van antwoord van [gedaagde] met één productie;
c. de akte van ANWB met producties;
d. de akte van [gedaagde].
2De vordering en het verweer
2.1
ANWB vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 87,10, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert ANWB veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2
ANWB legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zich niet houdt aan zijn betalingsverplichting uit de verzekeringsovereenkomst die partijen in 2012 hebben gesloten. Ondanks aanmaning heeft [gedaagde] zijn premie over de periode van 31 december 2019 tot en met 30 december 2020 niet betaald.
2.3
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van ANWB in de proceskosten. [gedaagde] voert aan dat hij geen opdracht tot verlenging van de verzekeringsovereenkomst heeft gegeven en op 19 juli 2019 de overeenkomst met ANWB schriftelijk heeft opgezegd en dat daarmee de overeenkomst tussen ANWB en [gedaagde] eind 2019 is geëindigd.
Beoordeling
3.1
De kern van de zaak is of [gedaagde] over het jaar 2020 verzekeringspremie is verschuldigd voor de door hem in 2012 gesloten doorlopende annulerings-verzekering of dat deze verzekering medio 2019 is opgezegd, dan wel niet verlengd had mogen worden zoals [gedaagde] stelt.
3.2
[gedaagde] had een doorlopende verzekering afgesloten. Een doorlopende verzekering moet worden opgezegd. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat hij geen opdracht zou hebben gegeven voor een verlenging van de verzekering. Dit verweer van [gedaagde] kan echter niet slagen. Uit artikel 7:940 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat verzekeringen, behoudens tijdige opzegging, stilzwijgend doorlopen. Voor het doorlopen is dus geen opdracht van [gedaagde] nodig. Daarnaast werd de overeenkomst met ANWB al sinds 2012 op dezelfde wijze ieder jaar verlengd en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] daar wél opdracht voor gaf.
3.3
ANWB betwist dat zij de opzeggingsbrief van [gedaagde] van 19 juli 2019 (productie bij de conclusie van antwoord) heeft ontvangen en voert aan dat als deze brief was ontvangen, dat zij dan ook een bevestiging van de opzegging aan [gedaagde] had gestuurd. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] degene is die een beroep doet op de gevolgen van de opzegging en daarmee is het aan [gedaagde] om te bewijzen dat hij de brief daadwerkelijk heeft verzonden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de brief met de opzegging per aangetekende post heeft verzonden. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] de brief van 19 juli 2019 per gewone post heeft verzonden. Hiermee heeft [gedaagde] het risico genomen dat hij niet kan aantonen dat de opzegging ANWB heeft bereikt. Juridisch gezien komt dit voor rekening van [gedaagde]. Nu [gedaagde] evenmin op andere wijze kan aantonen dat de opzegging ANWB heeft bereikt, door bijvoorbeeld het overleggen van een opzeggingsbevestiging, moet het er in deze procedure voor worden gehouden dat de opzegging ANWB niet heeft bereikt. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat een opzegging in juli 2019 heeft plaatsgevonden en dat de overeenkomst tussen partijen heeft bestaan tot en met december 2020, de datum waarop de overeenkomst volgens ANWB is geëindigd wegens wanbetaling. [gedaagde] zal daarom over de periode van 31 december 2019 tot en met 30 december 2020 de premie van € 87,10 nog moeten betalen.
3.4
ANWB heeft ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. ANWB heeft aan [gedaagde] bij brief van 21 oktober 2020 (productie 5 bij de dagvaarding) een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten komt vervolgens ook overeen met het in het Besluit bepaalde tarief, zodat het bedrag van € 48,40 toewijsbaar is.
3.5
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskostenvan ANWB, tot deze uitspraak vastgesteld op een bedrag van € 318,66 (bestaande uit € 132,16 aan dagvaardingskosten, € 58,50 aan salaris gemachtigde (1,5 punt à € 39,00 voor de dagvaarding en een akte) en € 128,00 aan griffierecht.
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan ANWB een bedrag van € 135,50 (€ 87,10 + € 48,40) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 87,10 vanaf 5 november 2020 tot aan de dag van de volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van ANWB, tot deze uitspraak begroot op € 318,66;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2023.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen in dit vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.