Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:7191
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,864 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Middelburg
Zaaknummer: C/02/407173 / JE RK 23-403
Datum uitspraak: 20 oktober 2023
(nadere) beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het (verdere) procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 maart 2023 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
de brief van de Raad van 11 september 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 19 september 2023;
het corv-formulier van de GI van 3 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 3 oktober 2023;
het corv-formulier met bijlage van de GI van 5 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 5 oktober 2023;
het corv-formulier van de GI van 6 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 6 oktober 2023.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 oktober 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 15 oktober 2020 en tot 15 oktober 2021.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 maart 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het laatst verlengd voor de duur van zes maanden, met ingang van 15 april 2023 en tot 15 oktober 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, met ingang van 15 oktober 2023 en tot 15 april 2024.
4De (verdere) beoordeling
4.1.
De kinderrechter overweegt (verder) als volgt.
4.2.
De GI heeft op 19 september 2023 de brief van de Raad van 11 september 2023 bij de rechtbank ingediend. Uit die brief blijkt, kort samengevat, dat de Raad op verzoek van de GI van 31 juli 2023 heeft getoetst of de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden beëindigd. De Raad maakt zich nog steeds zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De redenen die ten grondslag liggen aan de ondertoezichtstelling, zijn nog steeds aanwezig. Het is de ouders niet gelukt om de ontbrekende/verstoorde communicatie te verbeteren, waardoor er geen gezamenlijk ouderschapsplan is gekomen. Hoewel er afspraken zijn gemaakt in de vorm van de in het gezinsplan genoemde zorgregeling, worden die afspraken niet altijd nagekomen. De Raad heeft niet de indruk en het vertrouwen dat hierin wel verandering zal komen als de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog langer wordt voortgezet. Hoewel de Raad het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gunt dat de ouders voldoende oog hebben voor hun belang en dat zij onbezorgd kunnen zijn, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewend geraakt aan de situatie en kunnen zij steeds meer zelf beslissen en handelen naar hun behoeften. De zorgen die nu zichtbaar zijn zien op het gedrag van [minderjarige 2] en de voorlopig vastgestelde posttraumatische stressstoornis (PTSS) en het gamegedrag van [minderjarige 1] . Voor [minderjarige 2] start [hulpverlening] , waar hij geholpen kan worden bij het uiten van zijn gevoelens en emoties. Hopelijk draagt dit bij aan het afnemen van zijn boosheid. [minderjarige 1] zou gebaat zijn bij hulpverlening, maar hij staat hier zelf (nog) niet voor open. Hierdoor kan de hulpverlening niet opgestart worden en kan hij daar op dit moment niet van profiteren. De Raad geeft aan de ouders mee dat zij mogelijk samen met het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en in samenwerking met [hulpverlening] een ingang bij [minderjarige 1] kunnen vinden. Positief is dat de ouders hierachter zouden staan. Op basis hiervan kan de Raad instemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen.
4.3.
De GI heeft, zoals blijkt uit het corv-formulier van 6 oktober 2023, het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingetrokken.
4.4.
Nu de GI het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft ingetrokken, kan dat niet verder onderzocht en beoordeeld worden. Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI, zoals hiervoor vermeld, afwijzen.
4.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
wijst het (resterende deel van het) verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Hol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.