Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-29
ECLI:NL:RBZWB:2023:6966
Strafrecht
Raadkamer
4,902 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. Deckwitz, advocaat te 's-Hertogenbosch op het adres Rompertsebaan 70, 5231 GT 's-Hertogenbosch
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 35.640, € 35.640, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 5 maart 2021 in verzekering is gesteld en op 25 augustus 2021 in vrijheid is gesteld;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 15 september 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. A.J.C.M. de Graaff als waarnemend en gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker werd verdacht van diefstal met geweld. Verzoeker voert aan dat de stafzaak tegen hem op 30 maart 2023 is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, doordat de meervoudige kamer verzoeker heeft vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit. Verzoeker is op 5 maart 2021 in verzekering gesteld en heeft tot en met 18 maart 2021 in beperkingen gezeten. Op 25 augustus 2021 is de voorlopige hechtenis geschorst. Als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft verzoeker de geboorte en de eerste zeven weken van zijn kind gemist. Verzoeker stelt dat de door hem geleden immateriële schade het bestek van de forfaitaire vergoeding te buiten gaat en dat een verdubbeling van de standaardvergoeding redelijk en billijk is. Verzoeker heeft 14 dagen in beperkingen doorgebracht en vraagt daarvoor een vergoeding van € 260,00 per dag. Voor de periode van 19 maart 2021 tot en met 25 augustus 2021 wordt een vergoeding van € 200,00 per dag verzocht. Tot slot wordt verzocht een forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift toe te wijzen.
In raadkamer voert de advocaat aan dat de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis verzoeker zwaarder is gevallen dan ieder ander. Indien de rechtbank het primair verzochte niet toewijst, verzoekt de advocaat subsidiair om de verzochte verdubbeling vanaf twee weken voor de geboorte van het kind toe te passen. Meer subsidiair zoekt de advocaat aansluiting bij het standpunt van de officier van justitie. Daarnaast voert de advocaat aan dat verzoeker een oproep heeft ontvangen teneinde een gevangenisstraf van 30 dagen uit te zitten. De advocaat verzoekt de rechtbank deze straf te verrekenen met de verzochte vergoeding.
De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat normaliter verlof kan worden verleend teneinde de bevalling van je kind bij te wonen. De voorlopige hechtenis van verzoeker vond echter plaats in een periode waarin verlof niet mogelijk was vanwege de coronamaatregelen, hetgeen buiten de macht van het Openbaar Ministerie ligt. De officier van justitie voert aan dat het dubbele tarief dat de advocaat rekent, kan worden toegepast vanaf één dag voor de geboorte tot aan de schorsing en dat het gevraagde bedrag voor de ondergane voorlopige hechtenis daarom moet worden gematigd tot een bedrag van
€ 22.450,00. De forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift kan worden toegewezen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 Sv kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker is vrijgesproken. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan hem een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht
Verzoeker heeft volgens de berekening van de rechtbank in totaal 174 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 dagen op het politiebureau en 171 dagen in het Huis van Bewaring, waarvan 10 dagen in beperkingen. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100,00 wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 100,00.
De rechtbank ziet in de namens verzoeker geschetste omstandigheden aanleiding af te wijken van het gebruikelijk gehanteerde standaardbedrag. Zij is van oordeel dat de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis een extra belasting voor verzoeker hebben opgeleverd, nu hij hierdoor de geboorte en de eerste weken van zijn kind heeft moeten missen. De rechtbank acht het redelijk en billijk om vanaf de dag van de geboorte van het kind, te weten 11 juli 2021, tot en met de dag van de opheffing van de voorlopige hechtenis, te weten 25 augustus 2021, een vergoeding van € 200,00 per dag toe te kennen. De rechtbank zal in totaal een bedrag van € 22.390,00 voor de schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis toekennen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Ten aanzien van het verzoek tot verrekening van de openstaande gevangenisstraf met het toegekende bedrag aan vergoeding ex artikel 530 en 533 Sv, oordeelt de rechtbank dat verrekening niet passend is. De rechtbank overweegt daartoe dat de openstaande gevangenisstraf is opgelegd voor een ander feit dan waarvoor verzoeker ten aanzien van onderhavig verzoekschrift voorlopig gehecht heeft gezeten. Bovendien acht de rechtbank verrekening niet passend gelet op de essentie van de gevangenisstraf.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot verrekening van de toegekende vergoeding met de openstaande gevangenisstraf af;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 22.390,00, bestaande uit schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af.
bepaalt dat een bedrag van € 23.070,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Kurvers en Frencken Advocaten B.V., onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is op 29 september 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. Deckwitz, advocaat te 's-Hertogenbosch op het adres Rompertsebaan 70, 5231 GT 's-Hertogenbosch
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 35.640, € 35.640, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 5 maart 2021 in verzekering is gesteld en op 25 augustus 2021 in vrijheid is gesteld;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 15 september 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. A.J.C.M. de Graaff als waarnemend en gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker werd verdacht van diefstal met geweld. Verzoeker voert aan dat de stafzaak tegen hem op 30 maart 2023 is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, doordat de meervoudige kamer verzoeker heeft vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit. Verzoeker is op 5 maart 2021 in verzekering gesteld en heeft tot en met 18 maart 2021 in beperkingen gezeten. Op 25 augustus 2021 is de voorlopige hechtenis geschorst. Als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft verzoeker de geboorte en de eerste zeven weken van zijn kind gemist. Verzoeker stelt dat de door hem geleden immateriële schade het bestek van de forfaitaire vergoeding te buiten gaat en dat een verdubbeling van de standaardvergoeding redelijk en billijk is. Verzoeker heeft 14 dagen in beperkingen doorgebracht en vraagt daarvoor een vergoeding van € 260,00 per dag. Voor de periode van 19 maart 2021 tot en met 25 augustus 2021 wordt een vergoeding van € 200,00 per dag verzocht. Tot slot wordt verzocht een forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift toe te wijzen.
In raadkamer voert de advocaat aan dat de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis verzoeker zwaarder is gevallen dan ieder ander. Indien de rechtbank het primair verzochte niet toewijst, verzoekt de advocaat subsidiair om de verzochte verdubbeling vanaf twee weken voor de geboorte van het kind toe te passen. Meer subsidiair zoekt de advocaat aansluiting bij het standpunt van de officier van justitie. Daarnaast voert de advocaat aan dat verzoeker een oproep heeft ontvangen teneinde een gevangenisstraf van 30 dagen uit te zitten. De advocaat verzoekt de rechtbank deze straf te verrekenen met de verzochte vergoeding.
De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat normaliter verlof kan worden verleend teneinde de bevalling van je kind bij te wonen. De voorlopige hechtenis van verzoeker vond echter plaats in een periode waarin verlof niet mogelijk was vanwege de coronamaatregelen, hetgeen buiten de macht van het Openbaar Ministerie ligt. De officier van justitie voert aan dat het dubbele tarief dat de advocaat rekent, kan worden toegepast vanaf één dag voor de geboorte tot aan de schorsing en dat het gevraagde bedrag voor de ondergane voorlopige hechtenis daarom moet worden gematigd tot een bedrag van
€ 22.450,00. De forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift kan worden toegewezen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 533 Sv kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker is vrijgesproken. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan hem een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht
Verzoeker heeft volgens de berekening van de rechtbank in totaal 174 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 dagen op het politiebureau en 171 dagen in het Huis van Bewaring, waarvan 10 dagen in beperkingen. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100,00 wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 100,00.
De rechtbank ziet in de namens verzoeker geschetste omstandigheden aanleiding af te wijken van het gebruikelijk gehanteerde standaardbedrag. Zij is van oordeel dat de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis een extra belasting voor verzoeker hebben opgeleverd, nu hij hierdoor de geboorte en de eerste weken van zijn kind heeft moeten missen. De rechtbank acht het redelijk en billijk om vanaf de dag van de geboorte van het kind, te weten 11 juli 2021, tot en met de dag van de opheffing van de voorlopige hechtenis, te weten 25 augustus 2021, een vergoeding van € 200,00 per dag toe te kennen. De rechtbank zal in totaal een bedrag van € 22.390,00 voor de schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis toekennen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Ten aanzien van het verzoek tot verrekening van de openstaande gevangenisstraf met het toegekende bedrag aan vergoeding ex artikel 530 en 533 Sv, oordeelt de rechtbank dat verrekening niet passend is. De rechtbank overweegt daartoe dat de openstaande gevangenisstraf is opgelegd voor een ander feit dan waarvoor verzoeker ten aanzien van onderhavig verzoekschrift voorlopig gehecht heeft gezeten. Bovendien acht de rechtbank verrekening niet passend gelet op de essentie van de gevangenisstraf.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot verrekening van de toegekende vergoeding met de openstaande gevangenisstraf af;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 22.390,00, bestaande uit schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af.
bepaalt dat een bedrag van € 23.070,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Kurvers en Frencken Advocaten B.V., onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is op 29 september 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).