Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-29
ECLI:NL:RBZWB:2023:6964
Strafrecht
Raadkamer
1,563 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal op het adres Bovendonk 11A, 4707 ZH Roosendaal.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.034,20, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 27 februari 2023;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 15 september 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en mr. H.A. van der Hout als waarnemend en gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat verzoeker werd verdacht van handel in drugs. De strafzaak tegen verzoeker is op 27 februari 2023 geseponeerd. Verzoeker stelt kosten te hebben gemaakt voor rechtsbijstand en verzoekt de rechtbank daarvoor een vergoeding ter hoogte van € 2.034,20 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de advocaat aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het schriftelijke standpunt van de officier van justitie dat de gehele verzochte vergoeding moet worden afgewezen. Er zijn diverse werkzaamheden uitgevoerd voor deze zaak en die werkzaamheden niet zijn aan te merken als kantoorkosten. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie niet nader onderbouwd waarom de gevraagde vergoeding niet in verhouding staat tot de omvang van het dossier.
De officier van justitie heeft zich in afwijking van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie in raadkamer op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding moet worden gematigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het aantal uren dat aan de strafzaak is besteed en het bijbehorende uurtarief dat is gehanteerd, niet in verhouding staan tot de complexiteit van de strafzaak en de omvang van het dossier. Bovendien zijn op de urenspecificatie meerdere kosten opgevoerd die aan te merken zijn als kantoorkosten, terwijl over het gehele bedrag eveneens 6% aan kantoorkosten wordt opgevoerd. Nu het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, komt ook de forfaitaire vergoeding niet voor vergoeding in aanmerking.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Gelet op de aard en de omvang van de zaak en het aantal uren dat doorgaans met soortgelijke strafzaken is gemoeid, acht de rechtbank het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 2.034,20 bovenmatig. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor kosten van rechtsbijstand na sepot in beginsel maximaal 30 minuten worden toegekend. Gelet op vorenstaande en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter zitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 2.002,74.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 2.682,74, bestaande uit:
- € 2.002,74 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 2.682,74 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten B.V., onder vermelding van “ [nummer] ”.
Deze beslissing is op 29 september 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).