Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:6879
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,176 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410474 / FA RK 23-2705
Datum uitspraak: 15 september 2023
Beschikking van de rechtbank over beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
betreffende
[minderjarige01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen [minderjarige01] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder01] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot,
[de vader01] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats02] ,
advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,
[de pleegmoeder01] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats03] ,
[de pleegvader01] ,
hierna te noemen de pleegvader,
ingeschreven te [woonplaats04] .
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van de Raad met bijlagen ingekomen bij de rechtbank op 31 mei 2023;
- de brief van mr. Elings van 5 juli 2023.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 september
2023. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de advocaat van de moeder;
- de advocaat van de vader;
- de pleegmoeder en de pleegvader.
De rechtbank heeft [minderjarige01] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige01] heeft hierover een brief gestuurd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige01] heeft
aangegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] .
[minderjarige01] verblijft sinds 2015 in het huidige pleeggezin.
De pleegouders hebben zich bij brief van 24 mei 2023 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
Het verzoek
De Raad verzoekt het gezag van de ouders over [minderjarige01] te beëindigen en de pleegouders tot voogd(es) over [minderjarige01] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige01] zodanig opgroeit dat hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling en dat de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige01] aanvaardbare termijn. Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat [minderjarige01] sinds 2015 in het pleeggezin verblijft, daarom al sinds hij anderhalf jaar oud was. Hij woont daar met de pleegmoeder, de pleegvader en [naam01] , zijn pleegbroer. Dit verloopt tot nu toe in het vrijwillig kader. [minderjarige01] is in zijn eerste levensjaar getuige geweest van huiselijk geweld. Daarnaast is sprake geweest van emotionele en fysieke verwaarlozing. Bij plaatsing in het pleeggezin had hij een motorische achterstand en een spraak-/taalachterstand. Die achterstand is inmiddels behoorlijk ingehaald. In 2021 heeft [minderjarige01] ook traumabehandeling afgerond. Momenteel heeft hij veiligheid en voorspelbaarheid nodig om zich optimaal te blijven ontwikkelen. Aanleiding voor onderliggend raadsonderzoek is een initiatief vanuit de pleegmoeder. De pleegouders blijven doende om het contact tussen de ouders en [minderjarige01] te onderhouden en zij informeren de ouders ook. Pleegouders moeten echter onbezorgd de zorg en de beslissingen voor [minderjarige01] kunnen nemen en uitvoeren, zonder oponthoud vanuit de ouders. Bij een vakantie van het pleeggezin bleek bijvoorbeeld dat de handtekening van de moeder door haar ziekte niet meer overeenkwam met de handtekening op haar ID-bewijs. Daarvoor was een verklaring nodig van een arts, maar dit bleek niet te regelen met de ouders. Beide ouders zijn zich ervan bewust dat het hen niet meer lukt de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige01] op zich te nemen. De Raad vindt het nog wel zorgelijk dat ouders weinig initiatief tot contact nemen. Op de lange termijn kan [minderjarige01] dit gaan opmerken en het gevoel krijgen dat hij wordt afgewezen door zijn eigen ouders. De Raad hoopt dat dit wordt voorkomen. De Raad heeft er vertrouwen in dat de pleegouders in staat zijn om de juiste beslissingen te nemen over [minderjarige01] .
De minderjarige [minderjarige01] geeft in zijn brief aan wie hij is en wat hij graag doet. Hij woont nu bij papa, mama en [naam01] . Hij legt uit dat hij twee moeders, twee vaders en drie broers heeft. Bij papa [de vader01] en mama [de moeder01] is hij geboren en hij vindt hen lief. Hij vindt het leuk om hier bij mama en papa te wonen. Hij hoopt dat zij alles over hem mogen gaan beslissen.
Bij brief van 5 juli 2023 heeft de moeder aangegeven in te stemmen met de beëindiging van haar gezag over [minderjarige01] en het benoemen van de pleegouders als voogden, omdat dit in het belang van [minderjarige01] is. Tijdens de mondelinge behandeling is de moeder, zoals aangekondigd, niet zelf aanwezig kunnen zijn maar is haar advocaat voor haar gekomen. De advocaat van de moeder heeft bevestigd dat de moeder zich in het belang van [minderjarige01] in het verzoek kan vinden en achter de pleegouders staat.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader aangegeven dat de vader het ook eens is met het verzoek. In juni 2023 heeft zij de vader voor het laatst gesproken. Hoewel zij hierna geen contact meer met hem heeft gehad, heeft de vader toen duidelijk aangegeven dat hij het volledig eens is met het verzoek.
Beoordeling
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat [minderjarige01] al acht jaar bij de pleegmoeder (en sinds 2019 ook bij de pleegvader) verblijft. De moeder was vanwege haar lichamelijke en verstandelijke beperking niet in staat om voor hem te zorgen. In het eerste levensjaar van [minderjarige01] is hij ook getuige geweest van huiselijk geweld en was sprake van emotionele en fysieke verwaarlozing. De pleegouders hebben hulpverlening ingezet en inmiddels gaat het goed met [minderjarige01] . Beide ouders zijn zich ervan bewust dat het hen niet meer lukt de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige01] op zich te nemen. Er is op dit moment nog een beperkt contact tussen de ouders en [minderjarige01] . De rechtbank acht het positief dat de pleegouders zich blijven inzetten om dit contact plaats te laten vinden en om ouders te blijven betrekken in het leven van [minderjarige01] . Voor de rechtbank is duidelijk dat [minderjarige01] op zijn plek is binnen het huidige pleeggezin. In de praktijk is het al zo dat de pleegouders de beslissingen nemen voor [minderjarige01] en dat de ouders alleen hun handtekening zetten. De pleegouders zien graag dat de juridische situatie aan gaat sluiten bij de feitelijke situatie. Beide ouders stemmen hier ook mee in. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige01] is dat de wens van alle betrokkenen wordt gevolgd en hier voor [minderjarige01] duidelijkheid over bestaat.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266 eerste lid sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezag voorziening over [minderjarige01] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd(es) over hem te benoemen. De Raad heeft het advies gegeven om de pleegouders met de voogdij over [minderjarige01] te belasten. Zoals uit het voorgaande al duidelijk is geworden, acht de rechtbank het benoemen van de pleegouders tot voogden in het belang van [minderjarige01] . De pleegouders hebben zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. Dit betekent dat de rechtbank de Raad ook in dit advies zal volgen en de pleegmoeder en de pleegvader tot voogd(en) over [minderjarige01] zal benoemen.
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezag situatie.
Dictum
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder01] , geboren op [geboortedatum02] 1979 te [geboorteplaats01] , en [de vader01] , geboren op [geboortedatum03] 1976 te [geboorteplaats02] , over de minderjarige
[minderjarige01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] ;
benoemt tot voogd(en) over [minderjarige01] : [de pleegmoeder01] , geboren op [geboortedatum04] 1971 te [geboorteplaats03] (de pleegmoeder) en [de pleegvader01] , geboren op [geboortedatum05] 1965 te [geboorteplaats04] (de pleegvader);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023 in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410474 / FA RK 23-2705
Datum uitspraak: 15 september 2023
Beschikking van de rechtbank over beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
betreffende
[minderjarige01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen [minderjarige01] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder01] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot,
[de vader01] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats02] ,
advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,
[de pleegmoeder01] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats03] ,
[de pleegvader01] ,
hierna te noemen de pleegvader,
ingeschreven te [woonplaats04] .
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van de Raad met bijlagen ingekomen bij de rechtbank op 31 mei 2023;
- de brief van mr. Elings van 5 juli 2023.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 september
2023. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de advocaat van de moeder;
- de advocaat van de vader;
- de pleegmoeder en de pleegvader.
De rechtbank heeft [minderjarige01] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige01] heeft hierover een brief gestuurd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige01] heeft
aangegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] .
[minderjarige01] verblijft sinds 2015 in het huidige pleeggezin.
De pleegouders hebben zich bij brief van 24 mei 2023 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
Het verzoek
De Raad verzoekt het gezag van de ouders over [minderjarige01] te beëindigen en de pleegouders tot voogd(es) over [minderjarige01] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige01] zodanig opgroeit dat hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling en dat de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [minderjarige01] aanvaardbare termijn. Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat [minderjarige01] sinds 2015 in het pleeggezin verblijft, daarom al sinds hij anderhalf jaar oud was. Hij woont daar met de pleegmoeder, de pleegvader en [naam01] , zijn pleegbroer. Dit verloopt tot nu toe in het vrijwillig kader. [minderjarige01] is in zijn eerste levensjaar getuige geweest van huiselijk geweld. Daarnaast is sprake geweest van emotionele en fysieke verwaarlozing. Bij plaatsing in het pleeggezin had hij een motorische achterstand en een spraak-/taalachterstand. Die achterstand is inmiddels behoorlijk ingehaald. In 2021 heeft [minderjarige01] ook traumabehandeling afgerond. Momenteel heeft hij veiligheid en voorspelbaarheid nodig om zich optimaal te blijven ontwikkelen. Aanleiding voor onderliggend raadsonderzoek is een initiatief vanuit de pleegmoeder. De pleegouders blijven doende om het contact tussen de ouders en [minderjarige01] te onderhouden en zij informeren de ouders ook. Pleegouders moeten echter onbezorgd de zorg en de beslissingen voor [minderjarige01] kunnen nemen en uitvoeren, zonder oponthoud vanuit de ouders. Bij een vakantie van het pleeggezin bleek bijvoorbeeld dat de handtekening van de moeder door haar ziekte niet meer overeenkwam met de handtekening op haar ID-bewijs. Daarvoor was een verklaring nodig van een arts, maar dit bleek niet te regelen met de ouders. Beide ouders zijn zich ervan bewust dat het hen niet meer lukt de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige01] op zich te nemen. De Raad vindt het nog wel zorgelijk dat ouders weinig initiatief tot contact nemen. Op de lange termijn kan [minderjarige01] dit gaan opmerken en het gevoel krijgen dat hij wordt afgewezen door zijn eigen ouders. De Raad hoopt dat dit wordt voorkomen. De Raad heeft er vertrouwen in dat de pleegouders in staat zijn om de juiste beslissingen te nemen over [minderjarige01] .
De minderjarige [minderjarige01] geeft in zijn brief aan wie hij is en wat hij graag doet. Hij woont nu bij papa, mama en [naam01] . Hij legt uit dat hij twee moeders, twee vaders en drie broers heeft. Bij papa [de vader01] en mama [de moeder01] is hij geboren en hij vindt hen lief. Hij vindt het leuk om hier bij mama en papa te wonen. Hij hoopt dat zij alles over hem mogen gaan beslissen.
Bij brief van 5 juli 2023 heeft de moeder aangegeven in te stemmen met de beëindiging van haar gezag over [minderjarige01] en het benoemen van de pleegouders als voogden, omdat dit in het belang van [minderjarige01] is. Tijdens de mondelinge behandeling is de moeder, zoals aangekondigd, niet zelf aanwezig kunnen zijn maar is haar advocaat voor haar gekomen. De advocaat van de moeder heeft bevestigd dat de moeder zich in het belang van [minderjarige01] in het verzoek kan vinden en achter de pleegouders staat.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader aangegeven dat de vader het ook eens is met het verzoek. In juni 2023 heeft zij de vader voor het laatst gesproken. Hoewel zij hierna geen contact meer met hem heeft gehad, heeft de vader toen duidelijk aangegeven dat hij het volledig eens is met het verzoek.
Beoordeling
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat [minderjarige01] al acht jaar bij de pleegmoeder (en sinds 2019 ook bij de pleegvader) verblijft. De moeder was vanwege haar lichamelijke en verstandelijke beperking niet in staat om voor hem te zorgen. In het eerste levensjaar van [minderjarige01] is hij ook getuige geweest van huiselijk geweld en was sprake van emotionele en fysieke verwaarlozing. De pleegouders hebben hulpverlening ingezet en inmiddels gaat het goed met [minderjarige01] . Beide ouders zijn zich ervan bewust dat het hen niet meer lukt de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige01] op zich te nemen. Er is op dit moment nog een beperkt contact tussen de ouders en [minderjarige01] . De rechtbank acht het positief dat de pleegouders zich blijven inzetten om dit contact plaats te laten vinden en om ouders te blijven betrekken in het leven van [minderjarige01] . Voor de rechtbank is duidelijk dat [minderjarige01] op zijn plek is binnen het huidige pleeggezin. In de praktijk is het al zo dat de pleegouders de beslissingen nemen voor [minderjarige01] en dat de ouders alleen hun handtekening zetten. De pleegouders zien graag dat de juridische situatie aan gaat sluiten bij de feitelijke situatie. Beide ouders stemmen hier ook mee in. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige01] is dat de wens van alle betrokkenen wordt gevolgd en hier voor [minderjarige01] duidelijkheid over bestaat.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266 eerste lid sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezag voorziening over [minderjarige01] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd(es) over hem te benoemen. De Raad heeft het advies gegeven om de pleegouders met de voogdij over [minderjarige01] te belasten. Zoals uit het voorgaande al duidelijk is geworden, acht de rechtbank het benoemen van de pleegouders tot voogden in het belang van [minderjarige01] . De pleegouders hebben zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. Dit betekent dat de rechtbank de Raad ook in dit advies zal volgen en de pleegmoeder en de pleegvader tot voogd(en) over [minderjarige01] zal benoemen.
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezag situatie.
Dictum
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder01] , geboren op [geboortedatum02] 1979 te [geboorteplaats01] , en [de vader01] , geboren op [geboortedatum03] 1976 te [geboorteplaats02] , over de minderjarige
[minderjarige01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2013 te [geboorteplaats01] ;
benoemt tot voogd(en) over [minderjarige01] : [de pleegmoeder01] , geboren op [geboortedatum04] 1971 te [geboorteplaats03] (de pleegmoeder) en [de pleegvader01] , geboren op [geboortedatum05] 1965 te [geboorteplaats04] (de pleegvader);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023 in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.