Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-28
ECLI:NL:RBZWB:2023:6805
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,148 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/97 WW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: drs. S. Barto).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening van haar uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021, waardoor zij bruto € 5.743,91 moet terugbetalen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 15 december 2022 op het bezwaar van eiseres heeft het UWV dat besluit gehandhaafd.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres, geboren op [geboortedag] 2002, heeft op 27 november 2020 een arbeidsovereenkomst getekend, waarin staat dat zij vanaf 1 december 2020 als allround nagelstylist werkzaamheden verricht voor [bedrijf] B.V. Met ingang van 15 juni 2021 is de arbeidsovereenkomst beëindigd met een beëindigingsovereenkomst.
Op 8 juni 2021 heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 30 juni 2021 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 juli 2021.
2.1.
Het UWV heeft een onderzoek ingesteld om te beoordelen of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en de werkgever. Er dient daarvoor sprake te zijn van arbeid, waarvoor loon wordt betaald en waarbij sprake is van een gezagsverhouding tussen werknemer en werkgever.
In het onderzoeksrapport van 31 maart 2022 heeft het UWV geconcludeerd dat het aannemelijk is dat eiseres niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was en het een gefingeerd dienstverband betrof.
2.2.
Met het besluit van 28 april 2022 (primair besluit I) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat haar uitkering over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021 wordt herzien en dat zij een bedrag van bruto € 5.743,91 moet terugbetalen.
Met het besluit van 16 mei 2022 (primair besluit II) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat zij het bedrag binnen zes weken moet betalen of een betalingsregeling kan treffen.
2.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. Dit bezwaar heeft van rechtswege mede betrekking op primair besluit II.
2.4.
In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. De reden daarvoor is dat het UWV vindt dat eiseres in bezwaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en de werkgever.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de herziening, de terugvordering en de invordering van de WW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die samengevat onder rechtsoverweging 4 zijn opgenomen.
3.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
4. Eiseres voert aan dat in bezwaar is gemotiveerd dat er wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat aan alle drie de elementen (arbeid, loon, gezag) is voldaan. Het UWV heeft daar slechts tegenover gesteld dat de bevindingen uit het onderzoeksrapport nog steeds zouden gelden.
Eiseres licht toe dat op het tijdstip van de indiensttreding vele dienstverbanden zijn gestart in verschillende sectoren, waaronder ook contactberoepen. Over de reden van indiensttreding is verklaard dat het bedrijf een nieuwe start zou maken, omdat in het verleden in dezelfde sector een bedrijf werd gevoerd. Dat het bedrijf niet daadwerkelijk is geopend, heeft te maken met de inschatting van de levensvatbaarheid door de werkgever. Dit zijn externe factoren geweest, die buiten de invloedssfeer van eiseres lagen. In dat kader dient ook de aanvraag voor NOW gezien te worden.
Verder stelt eiseres dat de hoogte van het salaris niet buitensporig hoog is geweest, ook gelet op haar ervaring en expertise. Vanwege het gebrek aan omzet is op een andere wijze dan gebruikelijk tot loonbetaling overgegaan. Dit is een keus van de werkgever geweest. Dat eiseres later genoegen heeft genomen met een lager salaris, heeft te maken met bijzondere omstandigheden en moet niet betrokken worden in de besluitvorming.
In de coronaperiode hebben veel werknemers activiteiten verricht op het gebied van cursussen, websites, sociale media en PR. Het is dus niet uitzonderlijk dat eiseres deze activiteiten ook heeft verricht. Zij heeft steeds haar uren bijgehouden. Ook zijn veel activiteiten besproken met de werkgever. Er is steeds een gezagsverhouding geweest.
Ten aanzien van het onderzoek van het UWV stelt eiseres dat de interne fraudemelding spreekt van enkele aannames die niet zijn onderbouwd met objectieve feiten en omstandigheden. Op alle aannames hebben eiseres en de werkgever gereageerd. De verklaringen hierover zijn geloofwaardig en aannemelijk en weerleggen de aannames van het UWV, zo stelt eiseres.
Herziening
5. Het UWV herziet een besluit tot toekenning van een WW-uitkering, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Het daardoor onverschuldigd betaalde bedrag moet door het UWV worden teruggevorderd.
5.1.
Het UWV heeft aan de herziening van het recht op WW-uitkering ten grondslag gelegd dat eiseres niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was, omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband. Zij was daarom geen werknemer en heeft geen recht op een WW-uitkering, zo stelt het UWV.
5.2.
Uit het onderzoeksrapport van 31 maart 2022 volgt dat het UWV diverse systemen heeft geraadpleegd, gesprekken heeft gevoerd met eiseres en de werkgever en aanvullende informatie heeft opgevraagd. Op basis van deze onderzoeksactiviteiten komt het UWV tot de conclusie dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit heeft het UWV gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:
In oktober 2019 is het [bedrijf] B.V. opgericht. Begin 2020 wilde de werkgever (tevens stiefvader van eiseres) de nagelstudio openen, maar door corona ging dit niet door. Volgens de werkgever zouden er in november 2020 versoepelingen zijn van de coronamaatregelen. Om die reden heeft hij eiseres aangenomen per december 2020. Volgens informatie van de Rijksoverheid werden er in november/december 2020 juist extra maatregelen getroffen.
De nagelstudio zou per januari 2021 opengaan, maar dit is uiteindelijk nooit gebeurd. Er zou meer personeel worden aangenomen, maar dit is ook nooit gebeurd.
Eiseres is aangenomen als allround nagelstyliste, maar heeft zich enkel beziggehouden met voorbereidingen voor de zaak. Ze heeft een cursus gedaan, keek YouTube-filmpjes om inspiratie op te doen, probeerde een klantenkaart te ontwerpen en bereidde kleuren voor. Eiseres hield zich bezig met de website en had via social media wel contact met klanten, maar heeft nooit daadwerkelijk een klant geholpen.
In de arbeidsovereenkomst staat dat de werkgever in het bedrijfsbelang tijdelijk ander werk aan eiseres kon opdragen. Het is opmerkelijk dat eiseres zich bezighield met voorbereidingen, omdat de werkgever heeft verklaard dat ze alle spullen al hadden. Het was een kwestie van de zaak openen en aan de slag gaan.
Eiseres zou 38 uur per week werken. Deze uren zijn maandelijks zelf door eiseres bijgehouden en doorgegeven aan de werkgever. Hier was geen toezicht op. De werkgever vertrouwde eiseres erop dat zij haar uren maakte. Ook is het de vraag of een werknemer zeven maanden enkel voorbereidende werkzaamheden kan doen.
In de beëindigingsovereenkomst staat dat eiseres was vrijgesteld van werk voor de periode van 14 mei 2021 tot en met 15 juni 2021. Echter zijn er voor deze periode wel gewerkte uren genoteerd.
Op 4 juni 2021 heeft de werkgever naar het UWV gebeld met de vraag hoeveel weken eiseres moest hebben gewerkt om recht te hebben op een WW-uitkering.
Per 15 juni 2021 is het dienstverband beëindigd, omdat de coronamaatregelen volgens de werkgever erg lang duurden. Uit informatie van de Rijksoverheid blijkt dat rond mei/juni 2021 de samenleving juist weer open ging.
Op de loonstroken staat dat eiseres het salaris per bankrekening heeft ontvangen. Dit klopt niet. Eiseres heeft verklaard dat zij haar salaris altijd contant heeft ontvangen. Ze heeft hiervan telkens een kwitantie ontvangen. Vanaf 1 januari 2016 is een werkgever verplicht om het minimumloon per bank uit te betalen. De werkgever verklaarde dat hij dit niet wist.
De werkgever heeft eiseres contant betaald, omdat er geen omzet in het bedrijf was. Hij heeft het salaris van eiseres uit privégeld aan haar betaald.
Het salaris van eiseres is volgens de werkgever vastgesteld op bruto € 2.400,- omdat het hun dochter is en zij veel zou kunnen. Het zou een kwestie zijn van wat een werknemer opbrengt voor een bedrijf. Het bedrijf is echter nooit gestart, dus eiseres heeft al die maanden niets opgebracht voor haar werkgever.
Eiseres verklaarde dat zij veel kan verdienen, omdat zij veel kan. Echter verdient eiseres bij haar huidige werkgever als nagelstyliste een stuk minder. Eiseres verklaarde dat zij hiermee akkoord is gegaan omdat ze de vriendin van haar biologische vader helpt.
5.3.
Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de herziening, terugvordering en invordering van de WW-uitkering in stand blijft. Omdat eiseres niet in het gelijk is gesteld, krijgt zij het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 28 september 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:125, eerste lid:
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Burgerlijk Wetboek (BW), Boek 7
Artikel 610, eerste lid:
De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
Werkloosheidswet (WW)
Artikel 3, eerste lid:
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 16, eerste lid:
1. Werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Artikel 22a:
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 36, eerste en zesde lid:
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd. Indien de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de werkgever wordt teruggevorderd, kan deze het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW).
Artikel 22a, eerste lid, onder b, van de Werkloosheidswet (WW).
Artikel 36, eerste lid, van de WW.
Artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 3, eerste lid, van de WW.
Artikel 16, eerste lid, van de WW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1181.
Zie onder meer de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:205.
Artikel 7a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.