Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:6663
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,197 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4850
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , Italië, belanghebbende,
(gemachtigde: mr. F. Moek),
en
De ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.
Procesverloop
Met dagtekening 19 november 2022 heeft de ontvanger kosten van aanmaning in rekening gebracht inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2017 met [aanslagnummer] N7601. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar ingesteld.
Met dagtekening 27 juni 2022 heeft de ontvanger het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve beoordeeld. Belanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 19 december 2022 heeft de ontvanger meegedeeld dat er een compromis is bereikt.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de ontvanger te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de ontvanger in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De ontvanger heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen afspraken overeengekomen zijn over het toekennen van een proceskostenvergoeding. De ontvanger merkt op dat er geen sprake is van beroepsmatige rechtsbijstandverlening en verwijst daarvoor naar een andere procedure van belanghebbende met zaaknummer BRE 19/3543 waarin de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan.
Overwegingen
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de ontvanger tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende.
Belanghebbende heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
De ontvanger is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Gelet op de stukken en de verwijzing naar de uitspraak in de procedure BRE 19/3543 is het niet aannemelijk dat het beroepschrift is ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook is verder niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Bpb. Belanghebbende stelt dat hij kosten heeft gemaakt voor juridische advisering en dat hij daarna zelf bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. Dat soort kosten komt niet voor vergoeding in aanmerking. Alleen als de juridisch adviseur namens belanghebbende bezwaar maakt en/of beroep instelt, kan die activiteit voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank wijst erop dat de ontvanger op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de ontvanger moeten wenden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 22 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.