Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-14
ECLI:NL:RBZWB:2023:6482
Civiel recht
Bodemzaak
9,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10261458 \ CV EXPL 22-4822
Vonnis van 13 september 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [bedrijf] B.V..
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 februari 2023
- de mondelinge behandeling van 11 juli 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Zoals blijkt uit een factuur/overeenkomst van 13 maart 2021 (hierna te noemen: de koopovereenkomst) heeft [eiser] een chalet gekocht en overgedragen gekregen van de heer [naam 1] voor een prijs van € 31.500,00. Deze chalet stond op het terrein van [gedaagde] . In de koopovereenkomst, die ook door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend, staat dat het staangeld van het lopende jaar 2021 en de aansluiting op de nutsvoorzieningen door koper aan verkoper zijn voldaan gelijktijdig met de betaling van het chalet. Verder staat in de koopovereenkomst de volgende tekst: “U bent op de hoogte gebracht dat er heden plannen worden gemaakt om op ons park een jaarronde exploitatie te krijgen. Het park wordt binnen nu en 5 jaar geherstructureerd; er wordt geïnvesteerd in horeca, centrumvoorzieningen en verhuuraccommodaties. Heden is niet bekend wat de gevolgen zijn voor uw jaarplaats; of deze behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet is nu nog niet bekend.”
2.2.
Op de koopovereenkomst zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing.
2.3.
In een brief van de familie [familienaam 1] (de – voormalig – exploitant van de camping) van 12 april 2021 aan de jaargasten, waaronder [eiser] , staat onder meer het volgende: “De samenwerking met de nieuwe partners is bijna rond. De komende twee maanden gebruiken wij nog om aan onze plannen een tijdspad te hangen. (…) Of het tijdspad straks gaat verlopen zoals gepland is afhankelijk van diverse factoren. (…) Zoals jullie al wel hebben kunnen merken worden er al kleine stapjes gemaakt op het park vooruitlopend op de herstructurering die binnen 5 jaar zal gaan plaatsvinden. Om een jaarrond exploitatie te krijgen komen er verhuuraccommodaties in de vorm van chaletjes/huisjes te staan op het park. (…) Het aantal is afhankelijk van de interesse/animo naar deze huisjes. Als het een succes blijkt te zijn dan zal in stappen het gehele park zo ingevuld gaan worden. (…) Een garantie om hier op het park voor jaren te mogen verblijven kan niet gegeven worden. (…) Het park gaat, als het economisch haalbaar is, de komende jaren flink op de schop. En hoe die fasen gaan lopen weten we nu nog niet. (…) Als er nieuwe gasten een chalet/caravan willen kopen dan geven wij nu aan dat zij, overeenkomstig de Hiswa-Recron voorwaarden, tot december 2022 mogen blijven. Dat is de enige garantie die wij kunnen geven.”
2.4.
Bij brief van 10 juni 2021 schrijft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] : “Cliënten zijn al lange tijd – sinds 2012 – huurders van een staanplaats op uw camping. Tot voor kort verbleven cliënten met hun tourcaravan op uw camping, maar sinds kort zijn zij de trotse eigenaren van een chalet. (…) Cliënten hebben niet lang van hun aankoop kunnen genieten. Al op 12 april jl. vermeldt u in een brief aan uw gasten dat er veranderingen op het park op stapel staan. Inmiddels is duidelijk dat u de huurovereenkomsten per eind 2022 wilt gaan opzeggen en dat cliënten derhalve hun staplek zullen moeten ontruimen. Cliënten hebben het bewuste chalet gekocht met het idee om hier nog jaren te kunnen verblijven. Zij zouden deze aankoop uiteraard niet hebben gedaan als zij wisten dat zij na minder dan twee jaar het chalet met alle bijbehoren zouden moeten verwijderen. Cliënten verwijten u dat u hen hierop niet heeft gewezen ten tijde van hun aankoop. U wist immers op dat moment al dat het een aflopende zaak was! (…) U heeft cliënten met opzet doorslaggevende informatie onthouden waardoor zij geen weloverwogen beslissing hebben kunnen maken. (…) Dit chalet is uiteraard niet zonder aanzienlijke financiële schade te verplaatsen. Voor deze schade stel ik u namens cliënten hierbij aansprakelijk.”
2.5.
In een brief van 30 augustus 2021 heeft [gedaagde] gereageerd op voormeld schrijven van 10 juni 2021. In de brief van 30 augustus 2021 staat onder meer het volgende: “Wij zijn van mening dat Familie [eiser] op het moment van aankoop van hun chalet d.d. 13 maart 2021 wel degelijk op de hoogte waren van deze plannen, temeer omdat deze informatie op de overeenkomst ‘factuur en overdracht’ staat vermeld welke door de familie is ondertekend. (…) Noch op het moment van aankoop van het chalet, 13 maart jl., noch op het moment dat wij op 12 april de jaargasten nader informeerden over de plannen, was er vanuit onze zijde sprake van dat de huurovereenkomsten definitief/formeel worden opgezegd per eind 2022. (…) In april 2021 moesten wij nog een principeverzoek tot herstructurering indienen bij de [gemeente] . Hieruit blijkt dat we inderdaad herstructureringsplannen hebben, maar staat ook vast dat er nog niets concreet is over de tijdsplanning waarin de plannen uitgevoerd zouden kunnen worden, derhalve ook wat de gevolgen van deze plannen zijn voor de jaarplaatsen,”
2.6.
Per e-mailberichten van 23 augustus 2021 en 4 september 2021 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten dat haar chalet op 4 en 5 november 2021 op transport gaat naar een andere locatie.
2.7.
In een brief van [gedaagde] aan de jaargasten d.d. 24 september 2021 staat onder meer het volgende: “In de maanden augustus en september is er op de achtergrond hard gewerkt aan het verder uitwerken van de concretisering van de herstructureringsplannen. (…) Helaas moeten wij u ook melden dat er voor nu nog geen exacte duidelijkheid is over het definitieve moment van formeel opzeggen van uw jaarplaats. (…) Voor nu betekent dit dat wij graag met u de overeenkomst verder aangaan voor het jaar 2022. Mochten wij besluiten om de overeenkomst per 1-1-2023 op te zeggen (ivm herstructurering), dan krijgt u hiervan van ons bericht uiterlijk 31 december 2021 (of zo veel eerder als mogelijk is). Op dat moment communiceren we over de verdere consequenties en de dan toepasselijke tegemoetkoming in de verplaatsingskosten, alles conform de RECRON-voorwaarden.”
2.8.
Op 20 mei 2022 heeft [eiser] een klacht ingediend tegen [gedaagde] bij de Geschillencommissie Recreatie (hierna te noemen: de commissie). [eiser] geeft daarbij aan dat zij een vergoeding wenst van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ontruiming van het chalet en het gederfde recreatiegenot. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een verplaatsingsvergoeding. Partijen zijn overeengekomen om hun geschil bij bindend advies door de commissie te laten beslechten. In het bindend advies van de commissie van 4 oktober 2022 (verzonden op 21 oktober 2022) staat onder meer het volgende:
“(…)
De commissie stelt vast dat de consument ten tijde van de aankoop van het chalet en de overdracht van de staanplaats voor dit chalet op de hoogte was van aankomende herstructurerings
plannen
. Immers, op de door haar getekende ‘factuur van overdracht’ staat vermeld: ‘u bent op de hoogte gebracht dat er heden plannen worden gemaakt om op ons park een jaarronde exploitatie te krijgen. Het park wordt binnen nu en vijf jaar geherstructureerd; er wordt geïnvesteerd in horeca, centrumvoorzieningen en verhuuraccommodaties. Heden is niets bekend wat de gevolgen zijn voor uw jaarplaats; of deze behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet is nu nog niet bekend’.
Echter, volgens de consument is er sprake van opzettelijk dan wel bewust achterhouden door de ondernemer van de toen al bekende
zekerheid
dat het park door de ondernemer zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen. Uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd en hebben ingebracht aan stukken is zulks naar het oordeel van de commissie niet gebleken. Het daarop gegronde betoog van de consument te weten dat als zij deze informatie zou hebben geweten zij niet tot koop van het chalet en de overdracht van de jaarplaats zou zijn overgegaan, faalt dan ook.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het bindend advies van de geschillencommissie recreatie van 21 oktober 2022 te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten..
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Toetsingskader
4.1.
De rechtsgrond voor de vordering van [eiser] is te vinden in artikel 7:904 BW. In dat wetsartikel is bepaald dat een beslissing van een derde, zoals de commissie, (alleen) vernietigbaar is als gebondenheid aan die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze strikte maatstaf betekent dat gebondenheid aan het advies van de commissie de regel is. Uitsluitend ernstige gebreken geven aanleiding tot vernietiging. De beslissing is onaantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat niet voldaan is aan deze strikte maatstaf. Oftewel, de beslissing van de commissie is niet vernietigbaar, zodat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Hierna zal de kantonrechter dit oordeel motiveren.
Totstandkoming beslissing commissie
4.2.
[eiser] stelt dat zij haar standpunten en argumenten niet naar behoren naar voren heeft kunnen brengen in de procedure bij de commissie. [eiser] heeft het gevoel dat zij niet gehoord is. De kantonrechter overweegt dat hoor en wederhoor een fundamenteel rechtsbeginsel is. Echter, ondanks het gevoel van [eiser] is er objectief bezien geen sprake van schending van dit beginsel. Daarbij is met name van belang dat [eiser] door de commissie in de gelegenheid is gesteld om haar klacht – inclusief bijlagen – schriftelijk in te dienen. Vervolgens heeft [eiser] ook de mogelijk gehad om haar standpunt mondeling toe te lichten c.q. aan te vullen tijdens een digitale zitting. Bovendien heeft [eiser] daarna nog aanvullende stukken kunnen indienen. Dit brengt mee dat geen sprake is van een situatie dat gebondenheid aan de beslissing van de commissie in verband met de wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Inhoud beslissing commissie
4.3.
[eiser] stelt ook dat de beslissing van de commissie inhoudelijk onjuist is.
4.4.
Echter, naar het oordeel van de kantonrechter overweegt de commissie in haar beslissing terecht dat [eiser] ten tijde van de aankoop van het chalet op de hoogte was van aankomende herstructureringsplannen, gelet op de – in rechtsoverweging 2.1 geciteerde – informatie op de door [eiser] getekende ‘factuur van overdracht’ (koopovereenkomst). [eiser] voert in dit kader nog aan dat [naam 2] van [gedaagde] bij de overdracht heeft gezegd dat de herstructurering met name zag op een kwaliteitsverbetering en het creëren van meer voorzieningen en dergelijke, maar dat maakt voormeld oordeel niet anders. Daarbij is met name van belang dat op de koopovereenkomst expliciet staat dat niet bekend is of de jaarplaats behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet. Volgens de kantonrechter had [eiser] op basis van die zin moeten begrijpen dat de mogelijkheid er was dat de plannen gingen leiden tot een stopzetten van haar jaarplaats. Ongeacht wat mevrouw [naam 2] dan nog had gezegd over de inhoud van de plannen.
4.5.
Volgens [eiser] is verder sprake van bewust achterhouden door [gedaagde] van de al ten tijde van de aankoop van de chalet bekende informatie dat de camping met zekerheid zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen. Daarover overweegt de commissie als volgt: “Uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd en hebben ingebracht aan stukken is zulks naar het oordeel van de commissie niet gebleken.” Weliswaar is deze overweging wat summier, maar het is naar het oordeel van de kantonrechter niet zo dat geen enkel redelijk denkend bindend adviseur tot deze overweging en beslissing had kunnen komen. Immers, uit hetgeen partijen bij de commissie hebben aangevoerd en ingediend blijkt onder meer dat ook op 12 april 2021 – een maand na de aankoop van de chalet door [eiser] – nog geen zekerheid was over de herstructurering. In die brief staat namelijk dat de samenwerking bijna rond is, dat het vervolg afhankelijk is van diverse factoren en dat het aantal verhuuraccommodaties afhankelijk is van de interesse. Bovendien is voor de herstructurering de planologische medewerking van de gemeente nodig. Het betreffende principeverzoek is pas ingediend op 30 april 2021. Verder staat ook in de brief van 24 september 2021 van [gedaagde] aan de jaargasten (zie rechtsoverweging 2.7.) dat [gedaagde] nog bezig is met het uitwerken en concretiseren van de herstructureringsplannen, dat er helaas nog geen exacte duidelijkheid is over het moment van opzeggen van de jaarplaatsen en dat [gedaagde] graag voor 2022 de overeenkomst verder aangaat. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat er ten tijde van de aankoop van de chalet nog geen zekerheid was dat de camping zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen, althans [eiser] heeft geen – voldoende – informatie verschaft dat die zekerheid er op dat moment wel was. [eiser] wijst nog op een eerder principeverzoek van de familie [familienaam 1] uit 2020 waarin staat dat alle staanplaatsen zullen verdwijnen, maar op dat principeverzoek heeft de gemeente nimmer (positief) beslist. Daarna zijn kennelijk de plannen ook weer gewijzigd, want later heeft de familie [familienaam 1] een externe partij aangetrokken om (nieuwe) plannen mee te gaan ontwikkelen en verwezenlijken. In het principeverzoek waarop uiteindelijk wel positief is beslist door de gemeente, staat nergens dat ter uitvoering van de herstructureringsplannen alle jaarplaatsen moeten verdwijnen. Bovendien zou het oordeel van de kantonrechter niet anders zijn als vast zou komen te staan dat [gedaagde] /de familie [familienaam 1] op of voor 13 maart 2021 al wel de intentie had om alle jaarplaatsen in het kader van de beoogde herstructurering te beëindigen. Ook in dat geval zou er namelijk op 13 maart 2021 (nog) geen zekerheid zijn dat deze intentie uitgevoerd zou kunnen worden, aangezien er op dat moment nog allerlei onzekere factoren waren, zoals de animo voor verhuuraccommodaties, de benodigde goedkeuring van de gemeente en de financiële haalbaarheid.
4.6.
Ook op het punt van de verplaatsingsvergoeding kan de kantonrechter de overweging en beslissing van de commissie volgen. De verplaatsingsvergoeding is op grond van artikel 12 van de toepasselijke RECRON-voorwaarden alleen van toepassing in geval van herstructurering waarbij de ondernemer (in dit geval [gedaagde] ) de overeenkomst beëindigt. Met verwijzing naar het e-mailbericht van 23 augustus 2021, waarin [eiser] [gedaagde] laat weten dat haar chalet op 4 en 5 november 2021 op transport gaat, en naar de formele opzeggingen van de resterende staanplaatsen door [gedaagde] d.d. 16 december 2021, heeft de commissie aangenomen dat [eiser] de overeenkomst heeft beëindigd en niet [gedaagde] , zodat [eiser] geen recht heeft op een verplaatsingsvergoeding. Deze redenering van de commissie is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk en de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen zijn (dus) niet overschreden.
Wel houdt de kantonrechter [gedaagde] het volgende voor. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] geen juridische plicht heeft om aan [eiser] een verplaatsingsvergoeding te betalen, maar dat neemt niet weg dat het naar het oordeel van de kantonrechter gezien alle omstandigheden van het geval wel redelijk zou zijn als [eiser] van [gedaagde] toch een tegemoetkoming zou ontvangen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 398,00,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10261458 \ CV EXPL 22-4822
Vonnis van 13 september 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [bedrijf] B.V..
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 februari 2023
- de mondelinge behandeling van 11 juli 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Zoals blijkt uit een factuur/overeenkomst van 13 maart 2021 (hierna te noemen: de koopovereenkomst) heeft [eiser] een chalet gekocht en overgedragen gekregen van de heer [naam 1] voor een prijs van € 31.500,00. Deze chalet stond op het terrein van [gedaagde] . In de koopovereenkomst, die ook door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend, staat dat het staangeld van het lopende jaar 2021 en de aansluiting op de nutsvoorzieningen door koper aan verkoper zijn voldaan gelijktijdig met de betaling van het chalet. Verder staat in de koopovereenkomst de volgende tekst: “U bent op de hoogte gebracht dat er heden plannen worden gemaakt om op ons park een jaarronde exploitatie te krijgen. Het park wordt binnen nu en 5 jaar geherstructureerd; er wordt geïnvesteerd in horeca, centrumvoorzieningen en verhuuraccommodaties. Heden is niet bekend wat de gevolgen zijn voor uw jaarplaats; of deze behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet is nu nog niet bekend.”
2.2.
Op de koopovereenkomst zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing.
2.3.
In een brief van de familie [familienaam 1] (de – voormalig – exploitant van de camping) van 12 april 2021 aan de jaargasten, waaronder [eiser] , staat onder meer het volgende: “De samenwerking met de nieuwe partners is bijna rond. De komende twee maanden gebruiken wij nog om aan onze plannen een tijdspad te hangen. (…) Of het tijdspad straks gaat verlopen zoals gepland is afhankelijk van diverse factoren. (…) Zoals jullie al wel hebben kunnen merken worden er al kleine stapjes gemaakt op het park vooruitlopend op de herstructurering die binnen 5 jaar zal gaan plaatsvinden. Om een jaarrond exploitatie te krijgen komen er verhuuraccommodaties in de vorm van chaletjes/huisjes te staan op het park. (…) Het aantal is afhankelijk van de interesse/animo naar deze huisjes. Als het een succes blijkt te zijn dan zal in stappen het gehele park zo ingevuld gaan worden. (…) Een garantie om hier op het park voor jaren te mogen verblijven kan niet gegeven worden. (…) Het park gaat, als het economisch haalbaar is, de komende jaren flink op de schop. En hoe die fasen gaan lopen weten we nu nog niet. (…) Als er nieuwe gasten een chalet/caravan willen kopen dan geven wij nu aan dat zij, overeenkomstig de Hiswa-Recron voorwaarden, tot december 2022 mogen blijven. Dat is de enige garantie die wij kunnen geven.”
2.4.
Bij brief van 10 juni 2021 schrijft de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] : “Cliënten zijn al lange tijd – sinds 2012 – huurders van een staanplaats op uw camping. Tot voor kort verbleven cliënten met hun tourcaravan op uw camping, maar sinds kort zijn zij de trotse eigenaren van een chalet. (…) Cliënten hebben niet lang van hun aankoop kunnen genieten. Al op 12 april jl. vermeldt u in een brief aan uw gasten dat er veranderingen op het park op stapel staan. Inmiddels is duidelijk dat u de huurovereenkomsten per eind 2022 wilt gaan opzeggen en dat cliënten derhalve hun staplek zullen moeten ontruimen. Cliënten hebben het bewuste chalet gekocht met het idee om hier nog jaren te kunnen verblijven. Zij zouden deze aankoop uiteraard niet hebben gedaan als zij wisten dat zij na minder dan twee jaar het chalet met alle bijbehoren zouden moeten verwijderen. Cliënten verwijten u dat u hen hierop niet heeft gewezen ten tijde van hun aankoop. U wist immers op dat moment al dat het een aflopende zaak was! (…) U heeft cliënten met opzet doorslaggevende informatie onthouden waardoor zij geen weloverwogen beslissing hebben kunnen maken. (…) Dit chalet is uiteraard niet zonder aanzienlijke financiële schade te verplaatsen. Voor deze schade stel ik u namens cliënten hierbij aansprakelijk.”
2.5.
In een brief van 30 augustus 2021 heeft [gedaagde] gereageerd op voormeld schrijven van 10 juni 2021. In de brief van 30 augustus 2021 staat onder meer het volgende: “Wij zijn van mening dat Familie [eiser] op het moment van aankoop van hun chalet d.d. 13 maart 2021 wel degelijk op de hoogte waren van deze plannen, temeer omdat deze informatie op de overeenkomst ‘factuur en overdracht’ staat vermeld welke door de familie is ondertekend. (…) Noch op het moment van aankoop van het chalet, 13 maart jl., noch op het moment dat wij op 12 april de jaargasten nader informeerden over de plannen, was er vanuit onze zijde sprake van dat de huurovereenkomsten definitief/formeel worden opgezegd per eind 2022. (…) In april 2021 moesten wij nog een principeverzoek tot herstructurering indienen bij de [gemeente] . Hieruit blijkt dat we inderdaad herstructureringsplannen hebben, maar staat ook vast dat er nog niets concreet is over de tijdsplanning waarin de plannen uitgevoerd zouden kunnen worden, derhalve ook wat de gevolgen van deze plannen zijn voor de jaarplaatsen,”
2.6.
Per e-mailberichten van 23 augustus 2021 en 4 september 2021 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten dat haar chalet op 4 en 5 november 2021 op transport gaat naar een andere locatie.
2.7.
In een brief van [gedaagde] aan de jaargasten d.d. 24 september 2021 staat onder meer het volgende: “In de maanden augustus en september is er op de achtergrond hard gewerkt aan het verder uitwerken van de concretisering van de herstructureringsplannen. (…) Helaas moeten wij u ook melden dat er voor nu nog geen exacte duidelijkheid is over het definitieve moment van formeel opzeggen van uw jaarplaats. (…) Voor nu betekent dit dat wij graag met u de overeenkomst verder aangaan voor het jaar 2022. Mochten wij besluiten om de overeenkomst per 1-1-2023 op te zeggen (ivm herstructurering), dan krijgt u hiervan van ons bericht uiterlijk 31 december 2021 (of zo veel eerder als mogelijk is). Op dat moment communiceren we over de verdere consequenties en de dan toepasselijke tegemoetkoming in de verplaatsingskosten, alles conform de RECRON-voorwaarden.”
2.8.
Op 20 mei 2022 heeft [eiser] een klacht ingediend tegen [gedaagde] bij de Geschillencommissie Recreatie (hierna te noemen: de commissie). [eiser] geeft daarbij aan dat zij een vergoeding wenst van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ontruiming van het chalet en het gederfde recreatiegenot. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een verplaatsingsvergoeding. Partijen zijn overeengekomen om hun geschil bij bindend advies door de commissie te laten beslechten. In het bindend advies van de commissie van 4 oktober 2022 (verzonden op 21 oktober 2022) staat onder meer het volgende:
“(…)
De commissie stelt vast dat de consument ten tijde van de aankoop van het chalet en de overdracht van de staanplaats voor dit chalet op de hoogte was van aankomende herstructurerings
plannen
. Immers, op de door haar getekende ‘factuur van overdracht’ staat vermeld: ‘u bent op de hoogte gebracht dat er heden plannen worden gemaakt om op ons park een jaarronde exploitatie te krijgen. Het park wordt binnen nu en vijf jaar geherstructureerd; er wordt geïnvesteerd in horeca, centrumvoorzieningen en verhuuraccommodaties. Heden is niets bekend wat de gevolgen zijn voor uw jaarplaats; of deze behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet is nu nog niet bekend’.
Echter, volgens de consument is er sprake van opzettelijk dan wel bewust achterhouden door de ondernemer van de toen al bekende
zekerheid
dat het park door de ondernemer zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen. Uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd en hebben ingebracht aan stukken is zulks naar het oordeel van de commissie niet gebleken. Het daarop gegronde betoog van de consument te weten dat als zij deze informatie zou hebben geweten zij niet tot koop van het chalet en de overdracht van de jaarplaats zou zijn overgegaan, faalt dan ook.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het bindend advies van de geschillencommissie recreatie van 21 oktober 2022 te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten..
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Toetsingskader
4.1.
De rechtsgrond voor de vordering van [eiser] is te vinden in artikel 7:904 BW. In dat wetsartikel is bepaald dat een beslissing van een derde, zoals de commissie, (alleen) vernietigbaar is als gebondenheid aan die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze strikte maatstaf betekent dat gebondenheid aan het advies van de commissie de regel is. Uitsluitend ernstige gebreken geven aanleiding tot vernietiging. De beslissing is onaantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat niet voldaan is aan deze strikte maatstaf. Oftewel, de beslissing van de commissie is niet vernietigbaar, zodat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Hierna zal de kantonrechter dit oordeel motiveren.
Totstandkoming beslissing commissie
4.2.
[eiser] stelt dat zij haar standpunten en argumenten niet naar behoren naar voren heeft kunnen brengen in de procedure bij de commissie. [eiser] heeft het gevoel dat zij niet gehoord is. De kantonrechter overweegt dat hoor en wederhoor een fundamenteel rechtsbeginsel is. Echter, ondanks het gevoel van [eiser] is er objectief bezien geen sprake van schending van dit beginsel. Daarbij is met name van belang dat [eiser] door de commissie in de gelegenheid is gesteld om haar klacht – inclusief bijlagen – schriftelijk in te dienen. Vervolgens heeft [eiser] ook de mogelijk gehad om haar standpunt mondeling toe te lichten c.q. aan te vullen tijdens een digitale zitting. Bovendien heeft [eiser] daarna nog aanvullende stukken kunnen indienen. Dit brengt mee dat geen sprake is van een situatie dat gebondenheid aan de beslissing van de commissie in verband met de wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Inhoud beslissing commissie
4.3.
[eiser] stelt ook dat de beslissing van de commissie inhoudelijk onjuist is.
4.4.
Echter, naar het oordeel van de kantonrechter overweegt de commissie in haar beslissing terecht dat [eiser] ten tijde van de aankoop van het chalet op de hoogte was van aankomende herstructureringsplannen, gelet op de – in rechtsoverweging 2.1 geciteerde – informatie op de door [eiser] getekende ‘factuur van overdracht’ (koopovereenkomst). [eiser] voert in dit kader nog aan dat [naam 2] van [gedaagde] bij de overdracht heeft gezegd dat de herstructurering met name zag op een kwaliteitsverbetering en het creëren van meer voorzieningen en dergelijke, maar dat maakt voormeld oordeel niet anders. Daarbij is met name van belang dat op de koopovereenkomst expliciet staat dat niet bekend is of de jaarplaats behouden kan blijven, moet worden verplaatst of moet worden stopgezet. Volgens de kantonrechter had [eiser] op basis van die zin moeten begrijpen dat de mogelijkheid er was dat de plannen gingen leiden tot een stopzetten van haar jaarplaats. Ongeacht wat mevrouw [naam 2] dan nog had gezegd over de inhoud van de plannen.
4.5.
Volgens [eiser] is verder sprake van bewust achterhouden door [gedaagde] van de al ten tijde van de aankoop van de chalet bekende informatie dat de camping met zekerheid zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen. Daarover overweegt de commissie als volgt: “Uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd en hebben ingebracht aan stukken is zulks naar het oordeel van de commissie niet gebleken.” Weliswaar is deze overweging wat summier, maar het is naar het oordeel van de kantonrechter niet zo dat geen enkel redelijk denkend bindend adviseur tot deze overweging en beslissing had kunnen komen. Immers, uit hetgeen partijen bij de commissie hebben aangevoerd en ingediend blijkt onder meer dat ook op 12 april 2021 – een maand na de aankoop van de chalet door [eiser] – nog geen zekerheid was over de herstructurering. In die brief staat namelijk dat de samenwerking bijna rond is, dat het vervolg afhankelijk is van diverse factoren en dat het aantal verhuuraccommodaties afhankelijk is van de interesse. Bovendien is voor de herstructurering de planologische medewerking van de gemeente nodig. Het betreffende principeverzoek is pas ingediend op 30 april 2021. Verder staat ook in de brief van 24 september 2021 van [gedaagde] aan de jaargasten (zie rechtsoverweging 2.7.) dat [gedaagde] nog bezig is met het uitwerken en concretiseren van de herstructureringsplannen, dat er helaas nog geen exacte duidelijkheid is over het moment van opzeggen van de jaarplaatsen en dat [gedaagde] graag voor 2022 de overeenkomst verder aangaat. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat er ten tijde van de aankoop van de chalet nog geen zekerheid was dat de camping zou worden omgebouwd tot een vakantiepark met recreatiewoningen zonder camping en zonder particuliere jaarplaatsen, althans [eiser] heeft geen – voldoende – informatie verschaft dat die zekerheid er op dat moment wel was. [eiser] wijst nog op een eerder principeverzoek van de familie [familienaam 1] uit 2020 waarin staat dat alle staanplaatsen zullen verdwijnen, maar op dat principeverzoek heeft de gemeente nimmer (positief) beslist. Daarna zijn kennelijk de plannen ook weer gewijzigd, want later heeft de familie [familienaam 1] een externe partij aangetrokken om (nieuwe) plannen mee te gaan ontwikkelen en verwezenlijken. In het principeverzoek waarop uiteindelijk wel positief is beslist door de gemeente, staat nergens dat ter uitvoering van de herstructureringsplannen alle jaarplaatsen moeten verdwijnen. Bovendien zou het oordeel van de kantonrechter niet anders zijn als vast zou komen te staan dat [gedaagde] /de familie [familienaam 1] op of voor 13 maart 2021 al wel de intentie had om alle jaarplaatsen in het kader van de beoogde herstructurering te beëindigen. Ook in dat geval zou er namelijk op 13 maart 2021 (nog) geen zekerheid zijn dat deze intentie uitgevoerd zou kunnen worden, aangezien er op dat moment nog allerlei onzekere factoren waren, zoals de animo voor verhuuraccommodaties, de benodigde goedkeuring van de gemeente en de financiële haalbaarheid.
4.6.
Ook op het punt van de verplaatsingsvergoeding kan de kantonrechter de overweging en beslissing van de commissie volgen. De verplaatsingsvergoeding is op grond van artikel 12 van de toepasselijke RECRON-voorwaarden alleen van toepassing in geval van herstructurering waarbij de ondernemer (in dit geval [gedaagde] ) de overeenkomst beëindigt. Met verwijzing naar het e-mailbericht van 23 augustus 2021, waarin [eiser] [gedaagde] laat weten dat haar chalet op 4 en 5 november 2021 op transport gaat, en naar de formele opzeggingen van de resterende staanplaatsen door [gedaagde] d.d. 16 december 2021, heeft de commissie aangenomen dat [eiser] de overeenkomst heeft beëindigd en niet [gedaagde] , zodat [eiser] geen recht heeft op een verplaatsingsvergoeding. Deze redenering van de commissie is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk en de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen zijn (dus) niet overschreden.
Wel houdt de kantonrechter [gedaagde] het volgende voor. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] geen juridische plicht heeft om aan [eiser] een verplaatsingsvergoeding te betalen, maar dat neemt niet weg dat het naar het oordeel van de kantonrechter gezien alle omstandigheden van het geval wel redelijk zou zijn als [eiser] van [gedaagde] toch een tegemoetkoming zou ontvangen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 398,00,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.