Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:6388
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,690 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4437 WOO
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
( [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, het college.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 augustus 2022 (bestreden besluit I) inzake de (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het college heeft op 2 februari 2023 (bestreden besluit II) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2023 op zitting behandeld. Namens eiseres waren [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van eiseres aanwezig. Namens het college zijn [naam 3] en [naam 4] verschenen.
Beoordeling
1. Eiseres heeft op 23 juni 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om openbaarmaking van alle informatie van ambtenaren, betrokken wethouders en ingeschakelde derden omtrent de vergunningaanvraag die zij heeft ingediend voor een omgevingsvergunning. Eiseres verzoekt daarbij om alle betrokken documenten, briefwisselingen, mailverkeer en opgenomen telefoongesprekken.
Met een besluit van 13 augustus 2021 (primaire besluit) heeft het college documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Het college heeft, in afwijking van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, met bestreden besluit I het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het college heeft met bestreden besluit II besloten alsnog een aantal documenten openbaar te maken.
2. De rechtbank stelt vast dat het college met bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met dit besluit is niet volledig tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres. Het beroep van eiseres wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit II.
Gesteld noch gebleken is dat eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep gericht tegen bestreden besluit I is daarom niet-ontvankelijk.
3 Wob of Woo
3.1.
Eiseres heeft betoogd dat het college ten onrechte heeft verwezen naar de weigeringsgronden die zijn voorzien in de Wet open overheid (hierna: Woo). Het verzoek valt door het moment van indiening onder het bereik van de Wob en niet onder het bereik van de Woo.
3.2.
Op 1 mei 2022 is de Woo (Staatsblad 2021, 499), zoals gewijzigd bij het Wijzigingsbesluit Woo (Staatsblad 2021, 500), in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door het college in bestreden besluit II terecht is verwezen naar de Woo.
4 Facturen/Offerte De Roever Omgevingsdienst
4.1.
Eiseres is van mening dat de bedragen op de facturen/offerte ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt.
4.2.
Het college heeft gesteld dat de geldbedragen onleesbaar zijn gemaakt, omdat het concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens betreft, waarvan openbaarmaking de concurrentiepositie van de betrokkenen zou kunnen aantasten. Het belang van de betrokkenen bij het weglakken van de geldbedragen weegt zwaarder dan het belang van eiseres bij openbaarmaking van de geldbedragen.
4.3.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de bescherming van andere dan in het eerste lid, onder c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht de geldbedragen heeft weggelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo. De geldbedragen zijn concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens. Het college heeft op goede gronden het belang van de concurrentiepositie van de betrokkenen zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres bij openbaarmaking van de geldbedragen.
5 Second opinion met betrekking tot de aanvraag
5.1.
Eiseres heeft betoogd dat uit de communicatie tussen een ambtenaar en een wethouder volgt dat de wethouder heeft gevraagd om een second opinion met betrekking tot de aanvraag van de rechtsvoorganger van eiseres. Het college heeft niet toereikend gemotiveerd dat geen andere documenten voorhanden zijn die ingevolge het verzoek openbaar behoren te worden gemaakt.
5.2.
Het college heeft gesteld dat de behandelend ambtenaren zijn verzocht om te zoeken naar documenten, voornamelijk e-mails en andere communicatie. Communicatie vindt daarnaast ook mondeling plaats, waarvan dan geen informatie in documenten bestaat. De behandelend ambtenaar heeft verklaard dat de opdracht voor de second opinion mondeling is verstrekt.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1820) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van het college dat er niet meer stukken onder haar berusten niet ongeloofwaardig voorkomt. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat er toch documenten met betrekking tot de second opinion onder het college berusten. Hierin is eiseres niet geslaagd.
6 Vervolgopdracht [onderzoeksbureau]
6.1.
Eiseres heeft betoogd dat uit een e-mail van 26 oktober 2021 volgt dat op enig moment een vervolgopdracht aan [onderzoeksbureau] is verstrekt in verband met de aanvraag tot verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft ten onrechte geen documenten omtrent de vervolgopdracht verstrekt.
6.2.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat tijdens de zoekslag geen documenten omtrent de vervolgopdracht zijn gevonden, maar dat zij navraag had moeten doen bij [onderzoeksbureau] .
6.3.
Gelet op het door het college ter zitting ingenomen standpunt slaagt het beroep van eiseres op dit punt. Het college zal alsnog navraag moeten doen bij [onderzoeksbureau] .
7 Bijlagen bij e-mails
7.1.
Eiseres heeft betoogd dat de bijlagen bij e-mails van 19 april 2021, 20 april 2021 en 26 januari 2021 ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt.
7.2.
Ter zitting heeft het college aangegeven dat bij een recente zoekslag alsnog bijlagen zijn gevonden die openbaar kunnen worden gemaakt.
7.3.
Gelet op het door het college ter zitting ingenomen standpunt slaagt het beroep van eiseres op dit punt. Het college zal deze bijlagen alsnog moeten verstrekken.
8 Communicatie omtrent beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag
8.1.
Eiseres heeft betoogd dat geen documenten openbaar zijn gemaakt omtrent het beroep inzake het niet tijdig beslissen op de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierover had communicatie aanwezig moeten zijn.
8.2.
Het college heeft gesteld dat de communicatie omtrent het beroep over het niet tijdig beslissen op de aanvraag buiten de reikwijdte van het verzoek valt. Dit dateert namelijk van na het verzoek van eiseres.
8.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het beroep omtrent het niet tijdig beslissen op de aanvraag van de omgevingsvergunning dateert van na het verzoek van eiseres om openbaarmaking van de documenten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond en vernietigt dit besluit;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2778.
ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321.