Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:6296
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/477
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende,
([gemachtigde]),
en
De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 december 2022. Het beroep ziet op de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2018 met [aanslagnummer]V.860112 en de daarbij opgelegde boete.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 365,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende gewezen op verschuldigdheid van het griffierecht. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend verzonden brief van 17 februari 2023 nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen.
5. De brief van belanghebbende van 17 maart 2023 is door de griffier van de rechtbank aangemerkt als een beroep op betalingsonmacht. Belanghebbende heeft medegedeeld dat niet had gemoeten, omdat het een verzoek om uitstel van betaling betreft gericht aan de Belastingdienst. Belanghebbende geeft ook aan dat de B.V. feitelijk niet in staat is het griffierecht te betalen.
6. Belanghebbende is toch in de gelegenheid gesteld om gegevens te overleggen om het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen. Belanghebbende heeft niet de gevraagde gegevens overgelegd. De griffier heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
7. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 5 april 2023 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 4 mei 2023 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 6 mei 2023 om 13:13 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.
8. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
9. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
10. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 15 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
(De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.