Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-05
ECLI:NL:RBZWB:2023:6143
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/1932
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] (België), belanghebbende,
( [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 januari 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 197 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 369 (de boetebeschikking) opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2018 terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Tevens oordeelt de rechtbank dat de verzuimboete niet in stand kan blijven. Na opsomming van de feiten legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende woonde in 2018 in België.
3.1.
In 2018 is ten behoeve van belanghebbende een Belgische schuldsaneringsregeling van toepassing, de zogenoemde minnelijke aanzuiveringsregeling.
3.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2018 gericht. De inspecteur heeft belanghebbende op 2 september 2020 een herinnering en op 27 oktober 2020 een aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV 2018 gestuurd. In de aanmaning wordt een uiterste indieningstermijn van 17 november 2020 genoemd. De uitnodiging, herinnering en aanmaning zijn verzonden naar het [adres] te [plaats 2] (België).
3.3.
De inspecteur heeft op 25 augustus 2021 de in 1.1 genoemde aanslag ambtshalve opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 32.125 op basis van de hem ter beschikking staande inkomensgegevens uit een tweetal privaatrechtelijke dienstbetrekkingen die belanghebbende in Nederland heeft vervuld:
Werkgever
Loon
Loonheffing
[stichting 1]
€ 6.260
€ 413
[Stichting 2]
€ 25.865
€ 4.446
3.4.
Belanghebbende heeft, nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan en het bezwaar heeft afgewezen, op 7 februari 2022 een (papieren) aangiftebiljet IB/PVV 2018 en een inkomensverklaring 2018 ingediend. In het aangiftebiljet is voor de looninkomsten van [stichting 1] ter grootte van € 6.216 voorkoming van dubbele belasting geclaimd. Ook is een bedrag van € 1.250 als persoonlijke verplichting (scholingskosten) in aanmerking genomen.
3.5.
De inspecteur heeft het aangiftebiljet als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.
Overwegingen
Is de aanslag terecht opgelegd?
4. Niet in geschil is dat belanghebbende belasting- en premieplichtig is in Nederland voor de in 3.3 genoemde inkomsten uit dienstbetrekking.
4.1.
Ter zitting voert belanghebbende aan dat haar grieven niet de juistheid van de aanslag op basis van de Nederlandse belastingwetgeving of de toepassing van het Belastingverdrag betreffen. Belanghebbende meent dat de inspecteur geen aanslag mag opleggen omdat belanghebbende toen in de Belgische minnelijke aanzuiveringsregeling zat. Belanghebbende komt ook op tegen de invordering van de aanslag en verzoekt om een algehele kwijtschelding van de aanslag IB/PVV 2018.
4.2.
Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat het geschil zich beperkt tot het antwoord op de vraag of de minnelijke aanzuiveringsregeling het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 verhindert. De rechtbank zal deze vraag beoordelen.
4.3.
De rechtbank overweegt dat er naar Nederlands recht geen wettelijke basis is voor de conclusie dat de aanslag ten onrechte zou zijn opgelegd, omdat belanghebbende onder een kennelijke buitenlandse schuldsaneringsregeling valt. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld.
4.4.
De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat belanghebbende in het kader van het (kunnen) betalen van een aanslag, of in het kader van eventuele betalingsregeling, zich moet wenden tot de ontvanger van de Belastingdienst en dat deze procedure daar niet op ziet. Ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat inmiddels tussen de ontvanger en belanghebbende contact is gelegd.
Is de verzuimboete terecht opgelegd?
4.5.
Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van het wettelijk maximum van € 5.278, ofwel € 369.
4.6.
Belanghebbende voert aan dat zij de correspondentie van de Belastingdienst, te weten de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV 2018, niet heeft ontvangen. Die zijn kennelijk naar een oud adres verstuurd.
4.7.
De rechtbank overweegt dat in de betwisting van de ontvangst van de uitnodiging en de aanmaning de betwisting van de verzending besloten ligt. Het is aan de inspecteur om bij betwisting de verzending daarvan aannemelijk te maken.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte, hetgeen een vereiste is voor het opleggen van deze boete. Weliswaar heeft de inspecteur een gebruikelijk verzendrapport overgelegd, maar dat rapport ziet alleen op de (rechtsgeldige) verzending van de aanmaning. De inspecteur heeft geen verzendrapport overgelegd ten aanzien van de verzending van de uitnodiging. Dat betekent dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte. De verzuimboete is daarom ten onrechte opgelegd en zal worden vernietigd.
Belastingrente
4.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Conclusie
5. Het beroep ten aanzien van de aanslag is ongegrond en het beroep met betrekking tot de verzuimboete is gegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 en de in rekening gebrachte belastingrente in stand blijven. De verzuimboete zal worden vernietigd.
5.1.
Omdat het beroep deels gegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ten aanzien van de uitspraak op bezwaar over de aanslag en de belastingrentebeschikking ongegrond;
verklaart het beroep ten aanzien van de uitspraak op bezwaar over de verzuimboete gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de verzuimboete;
vernietigt de boetebeschikking;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier op 4 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen 2001.
Artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met artikel 9, derde lid, van de AWR.
Paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).
Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2.
Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.