Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-27
ECLI:NL:RBZWB:2023:5419
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1035 BRP
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 27 juli 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 1 maart 2021 (primair besluit) heeft het college eiser en bestuurlijke boete opgelegd, omdat eiser van 23 juni 2020 tot 21 december 2021 niet zou zijn opgenomen in de BRP. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
In het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Het onderzoek ter zitting heeft in Breda. Eiser is verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L.M. Claessen.
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
Eiser heeft tegen het besluit van 18 november 2022 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit beroep is doorgezonden naar de rechtbank. Artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de indiener van het beroep griffierecht dient te betalen. Vast staat dat eiser geen griffierecht heeft betaald. Uit artikel 8:41, zesde lid, van de Awb volgt dat het beroep dan niet ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of eiser een goede reden had om het griffierecht niet te betalen.
Eiser heeft gesteld dat de brieven over het griffierecht aan zijn aandacht zijn ontsnapt en dat hij het griffierecht niet kon voldoen. Stukken die bevestigen dat hij niet in staat is om het griffierecht te voldoen, kon hij niet inleveren. Omdat hij samenwoont met zijn ex-partner zou hij ook informatie over haar financiële situatie moeten indienen, terwijl hij niet over deze stukken beschikte.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen goede reden had om het griffierecht niet te betalen.
Op 8 februari 2023 heeft eiser een nota ontvangen voor de betaling van het griffierecht. Bij brief van 9 maart 2023 heeft eiser een herinneringsnota ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank op 21 april 2023 een brief gezonden en eiser op de hoogte gesteld van het feit dat het griffierecht nog niet was voldaan. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
Tijdens het telefoongesprek van 12 mei 2023 heeft de griffier eiser uitgelegd dat hij voorafgaand aan de zitting het griffierecht moest voldoen, zodat zijn beroep inhoudelijk kon worden behandeld. Ook is hem uitgelegd dat hij een beroep op betalingsonmacht kon doen. Bij brief van 26 mei 2023 is dit gesprek bevestigd. Eiser heeft vervolgens op 14 juni 2023 wederom een herinneringsnota ontvangen.
Eiser is dus meerdere keren gewezen op het feit dat hij griffierecht moest betalen. Eiser is ook gewezen op de mogelijkheid om een verzoek tot betalingsonmacht in te dienen. Dit heeft eiser niet gedaan. Ook heeft hij geen enkele financiële stukken ter onderbouwing van zijn standpunt ingediend, ook niet de stukken waarover hij zelf wél de beschikking had, en heeft hij geen uitstel voor het indienen van deze stukken gevraagd.
Omdat er geen goede reden is om het griffierecht niet te betalen, is de rechtbank is van oordeel dat er geen andere mogelijkheid is dan het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J, van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1035 BRP
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 27 juli 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 1 maart 2021 (primair besluit) heeft het college eiser en bestuurlijke boete opgelegd, omdat eiser van 23 juni 2020 tot 21 december 2021 niet zou zijn opgenomen in de BRP. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
In het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Het onderzoek ter zitting heeft in Breda. Eiser is verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L.M. Claessen.
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
Eiser heeft tegen het besluit van 18 november 2022 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit beroep is doorgezonden naar de rechtbank. Artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de indiener van het beroep griffierecht dient te betalen. Vast staat dat eiser geen griffierecht heeft betaald. Uit artikel 8:41, zesde lid, van de Awb volgt dat het beroep dan niet ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of eiser een goede reden had om het griffierecht niet te betalen.
Eiser heeft gesteld dat de brieven over het griffierecht aan zijn aandacht zijn ontsnapt en dat hij het griffierecht niet kon voldoen. Stukken die bevestigen dat hij niet in staat is om het griffierecht te voldoen, kon hij niet inleveren. Omdat hij samenwoont met zijn ex-partner zou hij ook informatie over haar financiële situatie moeten indienen, terwijl hij niet over deze stukken beschikte.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen goede reden had om het griffierecht niet te betalen.
Op 8 februari 2023 heeft eiser een nota ontvangen voor de betaling van het griffierecht. Bij brief van 9 maart 2023 heeft eiser een herinneringsnota ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank op 21 april 2023 een brief gezonden en eiser op de hoogte gesteld van het feit dat het griffierecht nog niet was voldaan. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
Tijdens het telefoongesprek van 12 mei 2023 heeft de griffier eiser uitgelegd dat hij voorafgaand aan de zitting het griffierecht moest voldoen, zodat zijn beroep inhoudelijk kon worden behandeld. Ook is hem uitgelegd dat hij een beroep op betalingsonmacht kon doen. Bij brief van 26 mei 2023 is dit gesprek bevestigd. Eiser heeft vervolgens op 14 juni 2023 wederom een herinneringsnota ontvangen.
Eiser is dus meerdere keren gewezen op het feit dat hij griffierecht moest betalen. Eiser is ook gewezen op de mogelijkheid om een verzoek tot betalingsonmacht in te dienen. Dit heeft eiser niet gedaan. Ook heeft hij geen enkele financiële stukken ter onderbouwing van zijn standpunt ingediend, ook niet de stukken waarover hij zelf wél de beschikking had, en heeft hij geen uitstel voor het indienen van deze stukken gevraagd.
Omdat er geen goede reden is om het griffierecht niet te betalen, is de rechtbank is van oordeel dat er geen andere mogelijkheid is dan het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J, van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.