Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-11
ECLI:NL:RBZWB:2023:4932
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,414 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4324
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 augustus 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Op 27 juli 2022 om 15:15 uur stond belanghebbendes auto, een Toyota met kenteken [kenteken] , stil aan de Stappegoorweg in Tilburg. Tijdens een controle op deze datum is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de in 2 bedoelde constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,60, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,00 en kosten naheffing van € 42,60.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Niet in geschil is dat de auto stil stond in een parkeervak aan de Stappegoorweg en deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd omdat geen sprake was van parkeren, maar van het onmiddellijk laten uitstappen van zijn echtgenote. Hij heeft haar afgezet waarbij hijzelf niet is uitgestapt maar weer is weggereden.
3.3.
De heffingsambtenaar stelt dat op de foto’s van de scanauto niet te zien is dat sprake is van in- en uitstappen en dat ook kort stil staan op een parkeerplaats aangemerkt wordt als parkeren voor de heffing van parkeerbelasting.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.5.
Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Tilburg wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3.6.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar dient in dit geval aannemelijk te maken dat sprake is van parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De door hem overgelegde scanfoto’s zijn daarvoor in dit geval voldoende. Op de foto’s is te zien dat de auto stil stond op een parkeervak haaks op de rijrichting en is niet te zien dat er zich personen in de nabijheid van de auto bevinden, al dan niet aan het uitstappen.
3.8.
Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van parkeren en is de naheffingsaanslag terecht aan hem opgelegd.
Conclusie
De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier op 11 juli 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hoger beroep moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.