Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-11
ECLI:NL:RBZWB:2023:4615
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,343 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/623 en 21/624
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats 1], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 december 2020.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de navolgende onroerende zaken bij de in één geschrift vervatte beschikkingen per 1 januari 2019 (de waardepeildatum) vastgesteld. Met deze waardevaststellingen zijn aan belanghebbende ook de aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) van de gemeente Schouwen-Duiveland voor het jaar 2020 opgelegd.
Zaaknummer
Adres
Waarde
BRE 21/623
[adres 1] te [plaats 2]
€ 664.000
BRE 21/624
[adres 2] te [plaats 2]
€ 905.000
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] en [taxateur] (taxateur).
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarden te hoog heeft vastgesteld.
4. Belanghebbende heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en een algemeen geformuleerde brief ter aanvulling daarop ingediend. Op de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd toegelicht welke specifieke gronden in deze zaken aan de orde zijn. De rechtbank zal de beroepen beoordelen aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten.
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
5.1.
De waarde van een niet-woning zaak kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ worden bepaald aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Bij de waardebepaling op grond van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van het object te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. De huurwaarde en de kapitalisatiefactor worden zoveel mogelijk afgeleid uit verhuur- en verkooptransacties van vergelijkbare objecten.
5.2.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
[adres 1] te [plaats 2]
6. In de onroerende zaak [adres 1] te [plaats 2] is een speelautomatenhal gevestigd. De speelautomatenhal is gebouwd in 2012. De onroerende zaak heeft een oppervlakte van 333 m², waarvan 311 m² op de begane grond en 22 m² op de eerste verdieping. Na bespreking van de feiten en omstandigheden heeft de gemachtigde het beroep met betrekking tot de vastgestelde waarde van deze onroerende zaak ingetrokken en zich beperkt tot een verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade.
[adres 2] te [plaats 2]
7. De onroerende zaak [adres 2] te [plaats 2] bestaat uit een bedrijfsruimte (459 m2) en een bovenwoning (485 m2).
7.1.
In 2019 heeft de exploitatie van de onroerende zaak te koop gestaan. In de "Brochure exploitatieaanbieding [adres 2]" staat een huurprijs voor het bedrijfsdeel van € 7.000 (exclusief omzetbelasting) per maand vermeld.
Onderbouwing van de WOZ-waarde
7.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van het bedrijfsdeel door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode vastgesteld op € 905.000. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de gevraagde huursom van (op jaarbasis) € 84.000 (zie 7.1), welke hoger ligt dan de bij de vaststelling van de waarde gehanteerde huurwaarde van € 79.178. Ter onderbouwing van de waarde heeft de heffingsambtenaar verder verwezen naar de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten [object] en [object] te [plaats 2]. In een aanvullend verweerschrift heeft de heffingsambtenaar een nadere berekening gemaakt, uitkomende op een waarde van € 987.000 voor het bedrijfsdeel.
Gevolgen coronapandemie
7.3.
Belanghebbende heeft op zitting aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de volgens hem desastreuze gevolgen van de coronapandemie.
7.4.
De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum in dit geval 1 januari 2019 is. Op dat moment was nog geen sprake van een coronapandemie. Hetzelfde geldt indien op grond van artikel 18, derde lid, onder c, van de Wet WOZ zou worden uitgegaan van de toestandsdatum 1 januari 2020.
Leegstandsrisico
7.5.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het leegstandsrisico. Belanghebbende wijst erop dat een leegstandsanalyse ontbreekt.
7.6.
De rechtbank overweegt dat het leegstandsrisico zijn weerslag vindt in de kapitalisatiefactor, die volgt uit de gebruikte verkooptransacties. Aan dergelijke marktgegevens hecht de rechtbank in beginsel meer waarde voor het bepalen van de kapitalisatiefactor van deze categorie onroerende zaken dan een algemeen gesteld leegstandsrisico.
Tussenconclusie
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt.
7.8.
Wat belanghebbende overigens in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Vergoeding van immateriële schade
8. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8.1.
Ter zitting bleek dat de gevraagde vergoeding toe zal komen aan de gemachtigde en niet aan de belanghebbende. Onder deze omstandigheid ziet de rechtbank geen reden over te gaan tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade bij belanghebbende.
Conclusie
9. Het beroep met betrekking tot de waarde van [adres 2] is ongegrond. Dit betekent dat de beschikking en de daarop gebaseerde aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, op 11 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hoger beroep moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44