Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-29
ECLI:NL:RBZWB:2023:4527
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,066 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4875 WVW
uitspraak van 29 juni 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam 1] , eiseres,
gemachtigde: [naam gemachtigde ]
en
de directie van de Dienst Wegverkeer, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2020 (bestreden besluit) waarbij (opnieuw) is beslist op de bezwaren van [naam bedrijf] te [plaatsnaam 2] tegen twee betalingsverplichtingen.
De AbRS heeft dit beroep op 19 januari 2022 doorgestuurd naar de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 juni 2023. Eiseres heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Verweerder is verschenen in de persoon van mr. J. Choufoer-van der Wel.
Overwegingen
1. Op grond van de stukken, waaronder het door de AbRS doorgestuurde beroep, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verweerder heeft aan eiseres een factuur gestuurd (met factuurdatum 7 december 2015) voor de kosten van identificatie en inschrijving in het kentekenregister van een groot aantal personenauto’s, waaronder twee auto’s van het merk Mercedes-Benz (met de kenmerken [kenmerk nummer ] resp. [resp. nummer ] ).
Tegen de twee betalingsverplichtingen voor de auto’s van het merk Mercedes-Benz (met de kenmerken [kenmerk nummer ] resp. [resp. nummer ] ) heeft [naam bedrijf] een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2016 is [naam bedrijf] niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren omdat de bezwaarschriften waren ingediend door [naam gemachtigde ] en deze niet tijdig een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gerechtigd was om namens [naam bedrijf] bezwaar te maken. De (te laat) overgelegde machtiging is afkomstig van “ [naam persoon] . [naam bedrijf] , wonende te [plaatsnaam 2] ”.
Tegen dit besluit heeft [naam bedrijf] beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 25 oktober 2016 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat geen griffierecht was betaald. Ten overvloede heeft de rechtbank nog opgemerkt dat ook geen machtiging was overgelegd.
Een proefprocedure bij de AbRS (aangespannen door eiseres) heeft geleid tot de uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2763. Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van eiseres in de desbetreffende zaken. Daarnaast heeft verweerder bij het bestreden besluit van 10 juni 2020 ook opnieuw beslist op de bezwaren van [naam bedrijf] .
Tegen dit besluit van 10 juni 2020 heeft eiseres beroep ingesteld bij de AbRS.
Bij uitspraak van 19 januari 2022 heeft de AbRS zich onbevoegd verklaard omdat in eerste instantie beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank.
2. Verweerder heeft betoogd dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar beroep.
3. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit is gericht aan [naam bedrijf] en dat eiseres daartegen beroep heeft ingesteld. Niet gebleken is dat eiseres belang heeft bij het aan [naam bedrijf] gerichte bestreden besluit.
4. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 29 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier S. Hindriks, rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.