Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:4347
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
754 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2918 WMO VV
uitspraak van 22 juni 2023 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2023 (bestreden besluit) van het college inzake de beëindiging van de voorziening voor huishoudelijke hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2. De griffier heeft bij brief van 24 mei 2023 aan verzoeker gevraagd een toelichting te geven op het spoedeisend belang. Daarbij is onder andere aan verzoeker gevraagd of het voor hem mogelijk is om tijdelijk de huishoudelijke hulp zelf te betalen.
Met zijn brief van 25 mei 2023 heeft verzoeker een besluit van 13 april 2023, een zorgovereenkomst en afschriften van zijn betaal- en spaarrekening overgelegd.
3. Uit het besluit van 13 april 2023 blijkt dat verzoeker laatstelijk 2,5 uur per week ondersteuning vanuit de Wmo ontving. Verzoeker heeft niet toegelicht waarom het voor hem niet mogelijk is om tijdelijk de huishoudelijke hulp zelf te betalen. Uit de bankafschriften blijkt dat verzoeker € 1.500,-- aan spaargeld heeft. Gelet op dit bedrag zou het voor eiser mogelijk moeten zijn om tijdelijk de huishoudelijke hulp zelf te betalen. Omdat verzoeker verder geen nadere toelichting heeft gegeven, is onvoldoende gebleken dat hij een spoedeisend belang heeft. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 22 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.