Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-13
ECLI:NL:RBZWB:2023:4078
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,711 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2676 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Inleiding
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 maart 2022 (bestreden besluit).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [vertegenwoordiger verweerder] namens het college.
Beoordeling
2. Eiseres ontving sinds 17 december 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet van het college.
Met het besluit van 10 december 2021 heeft het college het recht van eiseres op bijstand herzien over de maanden januari, februari, april, juni, juli en september tot en met december 2020 en ingetrokken over de maanden maart, mei, augustus 2020 en januari tot en met oktober 2021.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 17 januari 2022 heeft het college een bedrag van € 20.295,28 aan teveel verstrekte bijstand van eiseres teruggevorderd over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 oktober 2021.
Ook tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover het ziet op de intrekking van het recht op bijstand over de maand maart 2020 en juli 2021. Het recht op bijstand over die beide maanden wordt door het college herzien. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij twee jaar geleden een relatie heeft gekregen met [naam persoon] ( [naam persoon] ). Ten tijde van het onderzoek door het college en de bezwaarprocedure was deze relatie beëindigd. Eiseres heeft verklaard dat [naam persoon] veelvuldig haar Marktplaatsaccount gebruikte om goederen (auto’s en kleding) te verkopen, maar dat zij hiervan geen bewijs kon overleggen omdat zij geen contact meer had [naam persoon] . Inmiddels is de relatie hersteld en heeft [naam persoon] een verklaring met betrekking tot de verkoop van auto’s en kleding op Marktplaats opgesteld, die door eiseres is overgelegd. Ten aanzien van de Mercedes C320 die in februari 2021 via Marktplaats is verkocht en de iPhone 12 zijn facturen overgelegd die op naam van [naam persoon] staan. Voorts heeft eiseres een verklaring van haar nicht [nicht] ( [nicht] ) overgelegd, waarin staat dat de Mini Cooper die via Marktplaats is verkocht van deze nicht was. Eiseres heeft deze auto op Marktplaats gezet als vriendendienst. Geen van de via Marktplaats verkochte auto’s heeft ooit op naam van eiseres gestaan. Samengevat meent eiseres te hebben aangetoond dat de verkoopactiviteiten via Marktplaats niet aan haar kunnen worden toegerekend.
Oordeel van de rechtbank
4.1.
In geschil is of het college terecht tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering van eiseres is overgegaan. Ter zitting is vastgesteld dat het geschil alleen nog ziet op de intrekking en terugvordering over de maanden mei 2020, januari 2021, februari 2021, april 2021 en augustus 2021.
4.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres een viertal auto’s, kleding en iPhones op Marktplaats heeft aangeboden en stortingen van derden heeft ontvangen.
4.3.
Eiseres heeft in de maanden mei 2020, januari 2021, februari 2021, april 2021 en augustus 2021 stortingen van derden ontvangen. Zij heeft deze stortingen niet gemeld aan het college. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de stortingen terecht aangemerkt als inkomsten. Door deze bedragen niet te melden heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.4.
Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de advertenties op Marktplaats aan haar kunnen worden gerelateerd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het e-mailadres en het telefoonnummer van eiseres zijn gekoppeld aan het Marktplaatsaccount. Het is vaste rechtspraak dat verkoopactiviteiten in beginsel worden toegerekend aan de persoon die het in de advertenties vermelde telefoonnummer gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank ging het niet om incidentele verkoop van privégoederen maar om handel waarmee eiseres geld kon verdienen. Eiseres heeft van de verkoopactiviteiten geen melding gedaan aan het college, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door eiseres overgelegde verklaringen van [naam persoon] en [nicht] zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Het betreft achteraf opgestelde verklaringen die niet worden ondersteund met objectief en verifieerbaar bewijs.
4.5.
Gelet op het voorgaande is het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres over de maanden mei 2020, januari 2021, februari 2021, april 2021 en augustus 2021. Hieruit volgt dat het college tevens was gehouden de over deze maanden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand op grond artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet van eiseres terug te vorderen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier op 13 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
ECLI:NL:CRVB:2019:3513