Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-26
ECLI:NL:RBZWB:2023:3890
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,865 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10421531 \ VV EXPL 23-22
Vonnis in kort geding van 26 mei 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. P.R. Klaver,
tegen
[gedaagde01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 april 2023, met producties,
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De vrouw heeft de Poolse nationaliteit en de man heeft de Libanese nationaliteit.
2.2.
De vrouw heeft op/omstreeks 14 juli 2014 de huurovereenkomst getekend voor de huur van de woning aan de [adres01] te [plaats01] (hierna te noemen: de woning).
2.3.
Partijen zijn op 23 maart 2015 gehuwd. De man is medio 2016 naar Nederland verhuisd en bij de vrouw ingetrokken.
2.4.
Partijen zijn medio oktober 2022 overeengekomen te scheiden. De echtscheiding is op 9 maart 2023 in Libanon uitgesproken. De echtscheiding is nog niet in Nederland ingeschreven. Partijen wonen beiden nog steeds in de woning.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert – samengevat – dat de man bij vonnis wordt veroordeeld om de woning per omgaande, althans binnen een te bepalen termijn, te verlaten, met medeneming van zijn persoonlijke goederen, televisie en wasmachine, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag na betekening dat de man de woning niet vrijwillig verlaat, met veroordeling van de man in de proceskosten. De vrouw legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.
3.2.
De vrouw huurde de woning voordat zij de man kende en met hem huwde. Zij heeft de inrichting van de woning betaald. Zij heeft thans geen werk, terwijl de man wel werkt en dus over financiën beschikt om vervangende woonruimte te vinden.
3.3.
De man voert verweer. Kort gezegd wil de man in de woning blijven wonen totdat hij vervangende woonruimte heeft gevonden. Hij heeft hiervoor hulp nodig van de gemeente en de woningcorporatie.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Vanwege de nationaliteit van partijen en het uitspreken van de echtscheiding in Libanon heeft deze zaak internationale aspecten en moet aandacht worden besteed aan de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak inhoudelijk te beoordelen en zo ja, op basis van welk nationaal recht.
Vaststaat dat beide partijen in Nederland wonen en dat de woning in Nederland is gelegen. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd van onderhavig geschil kennis te nemen. Om diezelfde reden is ook het Nederlandse recht op deze zaak van toepassing. Nu de woning is gelegen in [plaats01] , is de kantonrechter te Bergen op Zoom bevoegd.
4.2.
De vraag aan wie van partijen het huurrecht (uiteindelijk) zal worden toebedeeld zal in een bodemprocedure dienen te worden beantwoord. In het kader van deze procedure dient de vraag te worden beantwoord of de vordering van de vrouw, om vooruitlopend op het in die bodemprocedure te vellen oordeel, te bepalen dat de man de woning zal verlaten toewijsbaar is.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat uit hetgeen ter zitting over en weer is aangevoerd, in voldoende mate vaststaat dat de verhouding tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat het treffen van een voorziening dringend geboden is. Hij zal de vordering van de vrouw toewijzen en bij wege van voorziening bepalen dat de man de woning binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis zal dienen te verlaten.
Bij zijn beslissing heeft de kantonrechter zowel de belangen van financiële aard als die van immateriële of subjectieve aard meegewogen. Uit hetgeen partijen hebben gesteld is hem echter niet gebleken dat één van hen een zodanig doorslaggevend financieel belang heeft bij de toedeling dat te verwachten valt dat op grond daarvan de bodemrechter het huurrecht aan een van hen zal toedelen. Datzelfde geldt, althans voor zover dat op dit moment kan worden beoordeeld, eveneens voor de immateriële of subjectieve factoren.
Op grond van het voorgaande en hetgeen partijen gesteld hebben is daarom enkel de duur gedurende welke ieder van partijen huurder is van de woning een doorslaggevende maatstaf geweest om te komen tot toewijzing van de vordering van de vrouw te bepalen dat de man de woning zal dienen te verlaten. De vrouw huurt de woning al sinds 2014. Dat was al voordat zij de man leerde kennen en ook (ongeveer) twee jaar voordat de man – met wie zij in 2015 is gehuwd – zich in Nederland heeft gevestigd en bij haar is ingetrokken.
4.4.
De man heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde dwangsom, zodat deze zal worden toegewezen met inachtneming van het volgende. De gevorderde dwangsom zal naar redelijkheid en billijkheid worden beperkt tot een maximum van € 10.000,00. De kantonrechter leest de gevorderde dwangsom zo, dat de dwangsom enkel ziet op het verlaten van de woning door de man en niet op het meenemen van zijn persoonlijke goederen, de televisie en wasmachine. Ter zitting heeft de man medegedeeld dat hij er geen behoefte aan heeft de televisie en de wasmachine mee te nemen. Als de man besluit (een deel van) zijn persoonlijke goederen, de televisie en de wasmachine niet mee te nemen, dan zal dit niet leiden tot het verbeuren van dwangsommen. De man moet zich echter wel realiseren dat hij, na het verlaten van de woning, die woning (vooralsnog) niet meer mag betreden.
4.5.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter als voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de man de woning aan de [adres01] te [postcode01] [plaats01] binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis dient te verlaten, met medeneming van zijn persoonlijke goederen, televisie en wasmachine en de woning niet meer te betreden,
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn de woning niet vrijwillig verlaat, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.