Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-02
ECLI:NL:RBZWB:2023:3845
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,690 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1375 WVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs, omdat eiser ongeschikt is om te rijden wegens alcoholmisbruik.
1.1
Met het bestreden besluit van 21 januari 2022 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
1.2
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde mr. B. Tijsterman en namens het CBR
mr. S.J.M. van der Ark.
Beoordeling
2 De rechtbank beoordeelt of het CBR het rijbewijs van eiser op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
Een verbalisant van de politie heeft op 23 september 2020 om 04:00 uur een ademonderzoek uitgevoerd bij eiser naar aanleiding van zijn rijgedrag. Bij eiser is een ademalcoholgehalte van 580 µg/l geconstateerd.
Het CBR heeft met het besluit van 5 oktober 2020 vastgesteld dat eiser in de afgelopen vijf jaar drie keer is aangehouden op verdenking van alcoholgebruik als bestuurder van een motorrijtuig en heeft daarom de geldigheid van eiser zijn rijbewijs geschorst. Eiser moet een onderzoek laten uitvoeren naar zijn alcoholgebruik.
Op 3 juli 2021 heeft een psychiater een onderzoek uitgevoerd. De psychiater heeft een verslag van bevindingen opgesteld, waarin hij concludeert dat eiser kennelijk niet in staat is zijn gedrag te veranderen, ondanks zijn eerdere uitspraken dit wel te doen. Dit is een voorbeeld van persistentie. Daarnaast is sprake van tolerantie, omdat eiser een eerste effect voelt na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Eiser werkt in de horeca en heeft daarom een verhoogd risico op het verkrijgen van een alcoholprobleem. Eiser heeft onvoldoende inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel over alcoholgebruik en verkeer. Eiser voldoet aan twee criteria om de DSM-V diagnose stoornis in alcoholmisbruik op licht te stellen. De combinatie van alle bevindingen zijn suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de aanhouding. Het is aannemelijk dat eiser het misbruik van alcohol heeft gestaakt vanaf de dag na aanhouding, aldus de psychiater.
Het CBR heeft op 26 augustus 2021 de uitslag van het onderzoek met eiser gedeeld.
Het CBR heeft met het besluit van 20 september 2021 het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard en gesteld dat sprake is van alcoholmisbruik waardoor eiser niet geschikt is om te rijden. Eiser blijft ongeschikt, tot eiser is gestopt het alcoholmisbruik en dat één jaar volhoudt.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 1 november 2021.
In een brief van 30 november 2021 heeft de psychiater aan de diagnose toegevoegd dat eiser herhaaldelijk alcohol gebruikt in gevaarlijke situaties. Eiser bracht veel vaker de verkeersveiligheid in gevaar.
Het CBR heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
5 Gronden beroep
Eiser heeft betoogd dat het CBR onvoldoende is ingegaan op de gronden van bezwaar. De rapportage vertoont evident naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken en is inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins onvoldoende concludent. De psychiater hanteert een eigen invulling van het begrip tolerantie, die niet voldoet aan de eisen die de beroepsgroep, jurisprudentie en de wet aan het CBR stellen. Nu tolerantie geen stand kan houden, blijft enkel recidive over. Enkel recidive is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van misbruik van alcohol. Indien enkel sprake is van recidive spelen de bloedwaarden een rol.
6 Juridisch kader
Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) luidt als volgt:
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen, respectievelijk tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Dit is de Regeling eisen geschiktheid 2000.
Paragraaf 8.8 van de bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 bepaalt dat personen die misbruik maken van psychoactieve middelen (zoals alcohol) zonder meer ongeschikt zijn. Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) dat in een geval waarin de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij is het niet aan het CBR en niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat.
7 Tolerantie
7.1
Eiser heeft betoogd dat de psychiater heeft gepoogd te stellen dat eiser effect voelt na 1 tot 2 alcoholeenheden. Het CBR heeft ingevuld dat de psychiater heeft getracht te zeggen dat eiser geen effect voelt bij één tot drie glazen alcohol. Het CBR is daarmee op de stoel van de psychiater gaan zitten. In het proces-verbaal is aangevinkt “Rijgedrag, slingerend, traag/snel rijden”. Dit laat zien dat eiser geen tolerantie heeft. De Level of response to alcohol (LRA) van vier of meer wijst op tolerantie. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling en een uitspraak van de Rechtbank Gelderland.
7.2
Het CBR heeft gesteld dat er geen grond is om te oordelen dat de vraagstelling ten aanzien van tolerantie verwarrend was. Er bestaat ook geen feitelijke grond voor de stelling dat de grens van een eerste effect is verlegd naar 1 tot 2 eenheden.
7.3
De psychiater heeft geconcludeerd dat sprake is van tolerantie, omdat eiser heeft verklaard effect te merken na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Daarnaast heeft de psychiater in zijn reactie op het bezwaar van eiser toegevoegd dat eiser ten tijde van de staandehouding één glas bier, zeven glazen wijn en één glas rum op had en daarmee in staat was te rijden met de auto, mee te lopen met de politie en de politie te woord te staan.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat in het rapport duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komt dat eiser een eerste effect voelt na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Niet valt in de zien dat de psychiater heeft bedoeld te stellen dat eiser een eerste effect voelt na één of twee alcoholeenheden. Verder heeft eiser geen moment tijdens het keuringsgesprek aangegeven een vraag niet te hebben begrepen. Tevens heeft de psychiater niet enkel de omstandigheid dat eiser een eerste effect voelt na drie alcoholeenheden ten grondslag gelegd aan zijn conclusie dat sprake is van tolerantie. Het feit dat eiser zich na consumptie van één glas bier, zeven glazen wijn en één glas rum in staat was de politie te woord te staan en in zijn auto te rijden, is ook een omstandigheid die volgens de psychiater wijst op tolerantie. De rechtbank kan de psychiater hierin volgen.
7.5
Aan de aankruising van “Rijgedrag, slingerend, traag/snel rijden” in het proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994, kan niet de waarde gehecht worden die eiser daaraan gehecht wil zien. Dit betreft een kruisje op een standaardformulier.
Conclusie
9 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR het rijbewijs van eiser op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 2 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 131, eerste lid, onder b, van de WVW.
Artikel 133, eerste lid, van de WVW.
Artikel 134, tweede lid, van de WVW.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1570 en ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:456.
ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339 en rechtbank Gelderland 25 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6271.
ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213, ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1095 en ABRvS 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4197.
ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, ro. 23.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1375 WVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs, omdat eiser ongeschikt is om te rijden wegens alcoholmisbruik.
1.1
Met het bestreden besluit van 21 januari 2022 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
1.2
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde mr. B. Tijsterman en namens het CBR
mr. S.J.M. van der Ark.
Beoordeling
2 De rechtbank beoordeelt of het CBR het rijbewijs van eiser op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
Een verbalisant van de politie heeft op 23 september 2020 om 04:00 uur een ademonderzoek uitgevoerd bij eiser naar aanleiding van zijn rijgedrag. Bij eiser is een ademalcoholgehalte van 580 µg/l geconstateerd.
Het CBR heeft met het besluit van 5 oktober 2020 vastgesteld dat eiser in de afgelopen vijf jaar drie keer is aangehouden op verdenking van alcoholgebruik als bestuurder van een motorrijtuig en heeft daarom de geldigheid van eiser zijn rijbewijs geschorst. Eiser moet een onderzoek laten uitvoeren naar zijn alcoholgebruik.
Op 3 juli 2021 heeft een psychiater een onderzoek uitgevoerd. De psychiater heeft een verslag van bevindingen opgesteld, waarin hij concludeert dat eiser kennelijk niet in staat is zijn gedrag te veranderen, ondanks zijn eerdere uitspraken dit wel te doen. Dit is een voorbeeld van persistentie. Daarnaast is sprake van tolerantie, omdat eiser een eerste effect voelt na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Eiser werkt in de horeca en heeft daarom een verhoogd risico op het verkrijgen van een alcoholprobleem. Eiser heeft onvoldoende inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel over alcoholgebruik en verkeer. Eiser voldoet aan twee criteria om de DSM-V diagnose stoornis in alcoholmisbruik op licht te stellen. De combinatie van alle bevindingen zijn suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de aanhouding. Het is aannemelijk dat eiser het misbruik van alcohol heeft gestaakt vanaf de dag na aanhouding, aldus de psychiater.
Het CBR heeft op 26 augustus 2021 de uitslag van het onderzoek met eiser gedeeld.
Het CBR heeft met het besluit van 20 september 2021 het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard en gesteld dat sprake is van alcoholmisbruik waardoor eiser niet geschikt is om te rijden. Eiser blijft ongeschikt, tot eiser is gestopt het alcoholmisbruik en dat één jaar volhoudt.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 1 november 2021.
In een brief van 30 november 2021 heeft de psychiater aan de diagnose toegevoegd dat eiser herhaaldelijk alcohol gebruikt in gevaarlijke situaties. Eiser bracht veel vaker de verkeersveiligheid in gevaar.
Het CBR heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
5 Gronden beroep
Eiser heeft betoogd dat het CBR onvoldoende is ingegaan op de gronden van bezwaar. De rapportage vertoont evident naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken en is inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins onvoldoende concludent. De psychiater hanteert een eigen invulling van het begrip tolerantie, die niet voldoet aan de eisen die de beroepsgroep, jurisprudentie en de wet aan het CBR stellen. Nu tolerantie geen stand kan houden, blijft enkel recidive over. Enkel recidive is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van misbruik van alcohol. Indien enkel sprake is van recidive spelen de bloedwaarden een rol.
6 Juridisch kader
Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) luidt als volgt:
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen, respectievelijk tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Dit is de Regeling eisen geschiktheid 2000.
Paragraaf 8.8 van de bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 bepaalt dat personen die misbruik maken van psychoactieve middelen (zoals alcohol) zonder meer ongeschikt zijn. Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) dat in een geval waarin de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij is het niet aan het CBR en niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat.
7 Tolerantie
7.1
Eiser heeft betoogd dat de psychiater heeft gepoogd te stellen dat eiser effect voelt na 1 tot 2 alcoholeenheden. Het CBR heeft ingevuld dat de psychiater heeft getracht te zeggen dat eiser geen effect voelt bij één tot drie glazen alcohol. Het CBR is daarmee op de stoel van de psychiater gaan zitten. In het proces-verbaal is aangevinkt “Rijgedrag, slingerend, traag/snel rijden”. Dit laat zien dat eiser geen tolerantie heeft. De Level of response to alcohol (LRA) van vier of meer wijst op tolerantie. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling en een uitspraak van de Rechtbank Gelderland.
7.2
Het CBR heeft gesteld dat er geen grond is om te oordelen dat de vraagstelling ten aanzien van tolerantie verwarrend was. Er bestaat ook geen feitelijke grond voor de stelling dat de grens van een eerste effect is verlegd naar 1 tot 2 eenheden.
7.3
De psychiater heeft geconcludeerd dat sprake is van tolerantie, omdat eiser heeft verklaard effect te merken na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Daarnaast heeft de psychiater in zijn reactie op het bezwaar van eiser toegevoegd dat eiser ten tijde van de staandehouding één glas bier, zeven glazen wijn en één glas rum op had en daarmee in staat was te rijden met de auto, mee te lopen met de politie en de politie te woord te staan.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat in het rapport duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komt dat eiser een eerste effect voelt na consumptie van drie glazen wijn of drie glazen bier. Niet valt in de zien dat de psychiater heeft bedoeld te stellen dat eiser een eerste effect voelt na één of twee alcoholeenheden. Verder heeft eiser geen moment tijdens het keuringsgesprek aangegeven een vraag niet te hebben begrepen. Tevens heeft de psychiater niet enkel de omstandigheid dat eiser een eerste effect voelt na drie alcoholeenheden ten grondslag gelegd aan zijn conclusie dat sprake is van tolerantie. Het feit dat eiser zich na consumptie van één glas bier, zeven glazen wijn en één glas rum in staat was de politie te woord te staan en in zijn auto te rijden, is ook een omstandigheid die volgens de psychiater wijst op tolerantie. De rechtbank kan de psychiater hierin volgen.
7.5
Aan de aankruising van “Rijgedrag, slingerend, traag/snel rijden” in het proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994, kan niet de waarde gehecht worden die eiser daaraan gehecht wil zien. Dit betreft een kruisje op een standaardformulier.
Conclusie
9 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR het rijbewijs van eiser op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 2 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 131, eerste lid, onder b, van de WVW.
Artikel 133, eerste lid, van de WVW.
Artikel 134, tweede lid, van de WVW.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1570 en ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:456.
ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339 en rechtbank Gelderland 25 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6271.
ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213, ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1095 en ABRvS 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4197.
ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, ro. 23.