Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-30
ECLI:NL:RBZWB:2023:3777
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,076 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/267 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2021.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2021 (primair besluit) afgewezen. Met het besluit van 6 december 2021 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (bewindvoerder) van eiseres en mr. S.S. Hyder en [naam vertegenwoordiger] namens het college.
Beoordeling
2. Eiseres heeft op 10 maart 2021 een aanvraag ingediend bij het college voor een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2021.
Bij het primaire besluit heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het criterium dat zij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Eiseres is met een traject richting arbeid gestart, waarbij er van uit wordt gegaan dat zij hiermee haar inkomen kan verbeteren.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Standpunt eiseres
3. Eiseres heeft aangevoerd dat wegens toetreding tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) per 1 april 2021 inkomensverbetering de komende drie jaar minimaal aanwezig zal zijn. Voorts heeft eiseres gesteld dat het college onvoldoende en onjuist een gerichte individuele toetsing heeft uitgevoerd wat betreft de toekomstige inkomenspositie van eiseres.
Wettelijk kader
4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Oordeel rechtbank
5.1
In geschil is het recht op een individuele inkomenstoeslag voor het jaar 2021.
5.2
Ter zitting is namens het college verklaard dat eiseres in 2020 wel een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. Tevens is verklaard dat zowel in 2020 als in 2021 sprake was van een lopend re-integratietraject. Eiseres is in 2019 gestart met het traject Brood en Rozen en dat traject volgde zij in 2021 nog steeds.
5.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ter zitting niet kunnen toelichten waarom eiseres in het jaar 2020 wel recht had op een individuele inkomenstoeslag en in het jaar hier in geding -2021- niet. Dat er sprake zou zijn van andere omstandigheden heeft het college niet kunnen onderbouwen. De enkele omstandigheid dat eiseres met een traject richting arbeid was gestart is onvoldoende om de afwijzing van de aanvraag te kunnen dragen.
5.4
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de situatie van eiseres in 2021 niet is voldaan aan het criterium dat zij geen uitzicht had op inkomensverbetering.
Conclusie
6.1
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De grondslag is immers aan het bestreden besluit ontvallen en er is geen andere grond om de individuele inkomenstoeslag te weigeren. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiseres over het jaar 2021 recht heeft op een individuele inkomenstoeslag.
6.2
De rechtbank ziet verder aanleiding om te bepalen dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken omdat de gemachtigde van eiseres geen derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1638).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiseres in aanmerking komt voor een
individuele inkomenstoeslag van € 150,00 voor het jaar 2021;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het college eiseres het griffierecht van € 50,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 30 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen zicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat tot genoemde omstandigheden in ieder geval worden gerekend de krachten en bekwaamheden van de persoon en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36.
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente [plaatsnaam] houdende regels omtrent de individuele inkomenstoeslag (Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet [plaatsnaam] 2020)
Artikel 3. Doelgroep
Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen hebben, geen in aanmerking te nemen vermogen hebben, geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet, en ten tijde van de aanvraag in de gemeente [plaatsnaam] woonachtig zijn.
Artikel 4. Laag inkomen
1. Als laag inkomen in de zin van artikel 36, eerste lid, van de Wet wordt aangemerkt een aaneengesloten ononderbroken netto maandinkomen dat gedurende de referteperiode niet meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaande ouders of 80% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden.
2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid worden inkomsten uit arbeid buiten beschouwing gelaten voor zover deze lager zijn dan € 1.500,- netto in het jaar voorafgaand aan de referte-periode.
Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag
1.De individuele inkomenstoeslag bedraagt:
a. € 150,- voor alleenstaanden
.