Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-04-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:2720
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,038 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van een printer en laptop.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2020 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 11 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en namens het college mr. S.S. Hyder.
Feiten
1. Op 1 september 2020 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van een laptop en een printer.
Bij e-mail van 28 oktober 2020 heeft eiseres het college in gebreke gesteld, omdat zij nog geen besluit op haar aanvraag had ontvangen.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum heeft het college besloten geen dwangsom aan eiseres toe te kennen, omdat er nog geen twee weken zijn verstreken sinds de ingebrekestelling.
Op 3 december 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag om bijzondere bijstand. Bij uitspraak van 2 maart 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:911) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat er tijdig is beslist en eiseres daar tijdig van op de hoogte was. Het beroep werd mede geacht gericht te zijn tegen het primaire besluit. Dat beroep is teruggezonden naar het college om verder behandeld te worden als bezwaar. Het verzet dat eiseres tegen deze uitspraak heeft ingesteld, is door de rechtbank bij uitspraak van 23 juli 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:3793) ongegrond verklaard.
Op 3 juni 2021 heeft eiseres het college in gebreke gesteld, omdat zij nog geen beslissing op haar bezwaar had ontvangen.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Bij besluit van 17 juni 2021 heeft het college besloten geen dwangsom aan eiseres toe te kennen, omdat er geen twee weken zijn verstreken tussen haar ingebrekestelling van 3 juni 2021 en het bestreden besluit van 11 juni 2021.
Beroepsgronden
2. Eiseres voert aan dat een dwangsom toegekend dient te worden, omdat het college niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag en op haar bezwaar. Volgens eiseres is ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar, omdat het college in het bestreden besluit de grondslag heeft gewijzigd. Haar bezwaar had dan ook gegrond verklaard moeten worden. Eiseres wijst op een vorige procedure waarin bijzondere bijstand aan haar is toegekend, waarbij het college heeft erkend dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:RBZWB:2021:1698). Volgens eiseres heeft het college bevestigd dat de door haar overgelegde medische stukken in deze zaak bewust niet bij de besluitvorming betrokken zijn, zodat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Verder voert eiseres aan dat de Commissie Sociaal Domein een wassen neus is en daardoor niet de juiste termijnen zijn gehanteerd. Ook stelt zij dat het bestreden besluit niet geldig ondertekend is en dat onduidelijk is of de ondertekenaar daartoe bevoegd was. Ook onduidelijk is wie in bezwaar betrokken is geweest bij deze zaak en of die persoon daartoe bevoegd was. Volgens eiseres dient het bestreden besluit dan ook vernietigd te worden wegens onbehoorlijk bestuur. Zij verzoekt om een schadevergoeding wegens immaterieel leed en onbehoorlijk bestuur en overschrijding van de wettelijke beslistermijn.
Beoordeling
Dwangsom in verband met het primaire besluit
3. Eiseres heeft op 3 december 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarop heeft deze rechtbank bij uitspraak van 2 maart 2021 geoordeeld dat het college tijdig een besluit heeft genomen op de aanvraag en dat dit besluit ook tijdig bij eiseres bekend was. Aangezien daarmee reeds geoordeeld is over de tijdigheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiseres een dwangsom toe te kennen.
Dwangsom in verband met het bestreden besluit
4. Ter zitting is besproken dat het college bij besluit van 9 november 2021 een dwangsom aan eiseres heeft toegekend van € 161,- wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres heeft niets aangevoerd tegen de hoogte van de toegekende dwangsom, maar heeft gesteld dat zij deze nog niet uitgekeerd heeft gekregen. Het is aan het college om hier verder uitvoering aan te geven. De rechtbank ziet (hierin) echter geen aanleiding om aan eiseres een (aanvullende) dwangsom toe te kennen.
De adviescommissie en bevoegdheid
5.1
Indien een commissie is ingesteld, vloeit de twaalfwekentermijn rechtstreeks voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. In dit geval gold er dan ook een beslistermijn van twaalf weken wegens de rechtsgeldige instelling van de Commissie Sociaal Domein.
5.2
Het bestreden besluit is ondertekend door burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] , namens dezen, [naam teamleider juridische zaken] , Teamleider Juridische Zaken. Uit het Mandaatbesluit [plaatsnaam] 2019, bijlage 2: schema B onder Algemene wet bestuursrecht blijkt dat het beslissen op een bezwaarschrift voor zover sprake is van een ongegrond bezwaar in lijn met het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften is gemandateerd aan het Hoofd afdeling Financiën, Inkoop & Juridische Zaken, Teamleider Juridische Zaken. [naam teamleider juridische zaken] is de teamleider, dus het besluit is bevoegd genomen. Hij heeft het besluit ook ondertekend. Verder is niet onderbouwd of gebleken dat [naam persoon] niet bevoegd was om het bezwaarschrift van eiseres af te handelen. Van onbevoegde besluitvorming en daarmee onbehoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Hoorzitting
6.1
Op grond van artikel 7:3, eerste lid, van de Awb kan slechts onder bepaalde omstandigheden van het horen van een belanghebbende worden afgezien, bijvoorbeeld als het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:3 van de Awb volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en dat de in artikel 7:3 van de Awb opgenomen gronden terughoudend dienen te worden toegepast.
6.2
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak in bezwaar geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt niet of het college aan eiseres gevraagd heeft of zij van een hoorzitting gebruik wenste te maken. Ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiseres heeft afgezien van haar recht om gehoord te worden. Tot slot blijkt uit de besluitvorming niet dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, in die zin dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie.
6.3
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de hoorplicht. De rechtbank kan echter aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiseres door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres voldoende in de gelegenheid is geweest om in de beroepsprocedure haar gronden kenbaar te maken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
De afwijzing van de aanvraag
7.1
In het primaire besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kosten voor een printer en laptop uit het inkomen en/of vermogen dienen te worden voldaan door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Daarnaast zou volgens het college sprake zijn van een voorliggende voorziening, omdat eiseres een beroep kan doen op de Kredietbank. Ter zitting heeft het college gesteld dat het standpunt dat de Kredietbank als voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, wordt gehandhaafd. Dit komt echter niet meer terug in het bestreden besluit, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan.
7.2
Op grond van artikel 35 van de Participatiewet bestaat recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
7.3
Niet in geschil is dat de kosten voor een laptop en een printer zich voordoen. Ook wordt aangenomen dat deze kosten in het kader van de Participatiewet als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Laptops en printers zijn echter te beschouwen als duurzame gebruiksgoederen. De kosten van aanschaf, onderhoud en vervanging van duurzame gebruiksgoederen dienen te worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Deze kosten dienen daarom in beginsel te worden voldaan uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat een betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
7.4
Eiseres heeft niet met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat zij niet heeft kunnen reserveren voor een (al dan niet tweedehands) laptop en printer. Niet gebleken is dat zij niet rond kan komen en schulden heeft – voor zover daarvan al sprake zou zijn, geldt op grond van vaste rechtspraak dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid is die het verlenen van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Bovendien heeft het college eiseres erop gewezen dat zij in aanmerking komt voor onder meer de individuele inkomenstoeslag, die ook voor deze kosten kan worden aangewend. Verder is niet gebleken dat eiseres niet in staat is om achteraf, via gespreide betaling, in de aanschafkosten van een laptop of printer te voorzien.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.
12. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 49,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 20 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145 en 147.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van een printer en laptop.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2020 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 11 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres en namens het college mr. S.S. Hyder.
Feiten
1. Op 1 september 2020 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van een laptop en een printer.
Bij e-mail van 28 oktober 2020 heeft eiseres het college in gebreke gesteld, omdat zij nog geen besluit op haar aanvraag had ontvangen.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum heeft het college besloten geen dwangsom aan eiseres toe te kennen, omdat er nog geen twee weken zijn verstreken sinds de ingebrekestelling.
Op 3 december 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag om bijzondere bijstand. Bij uitspraak van 2 maart 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:911) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat er tijdig is beslist en eiseres daar tijdig van op de hoogte was. Het beroep werd mede geacht gericht te zijn tegen het primaire besluit. Dat beroep is teruggezonden naar het college om verder behandeld te worden als bezwaar. Het verzet dat eiseres tegen deze uitspraak heeft ingesteld, is door de rechtbank bij uitspraak van 23 juli 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:3793) ongegrond verklaard.
Op 3 juni 2021 heeft eiseres het college in gebreke gesteld, omdat zij nog geen beslissing op haar bezwaar had ontvangen.
Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Bij besluit van 17 juni 2021 heeft het college besloten geen dwangsom aan eiseres toe te kennen, omdat er geen twee weken zijn verstreken tussen haar ingebrekestelling van 3 juni 2021 en het bestreden besluit van 11 juni 2021.
Beroepsgronden
2. Eiseres voert aan dat een dwangsom toegekend dient te worden, omdat het college niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag en op haar bezwaar. Volgens eiseres is ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar, omdat het college in het bestreden besluit de grondslag heeft gewijzigd. Haar bezwaar had dan ook gegrond verklaard moeten worden. Eiseres wijst op een vorige procedure waarin bijzondere bijstand aan haar is toegekend, waarbij het college heeft erkend dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:RBZWB:2021:1698). Volgens eiseres heeft het college bevestigd dat de door haar overgelegde medische stukken in deze zaak bewust niet bij de besluitvorming betrokken zijn, zodat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Verder voert eiseres aan dat de Commissie Sociaal Domein een wassen neus is en daardoor niet de juiste termijnen zijn gehanteerd. Ook stelt zij dat het bestreden besluit niet geldig ondertekend is en dat onduidelijk is of de ondertekenaar daartoe bevoegd was. Ook onduidelijk is wie in bezwaar betrokken is geweest bij deze zaak en of die persoon daartoe bevoegd was. Volgens eiseres dient het bestreden besluit dan ook vernietigd te worden wegens onbehoorlijk bestuur. Zij verzoekt om een schadevergoeding wegens immaterieel leed en onbehoorlijk bestuur en overschrijding van de wettelijke beslistermijn.
Beoordeling
Dwangsom in verband met het primaire besluit
3. Eiseres heeft op 3 december 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarop heeft deze rechtbank bij uitspraak van 2 maart 2021 geoordeeld dat het college tijdig een besluit heeft genomen op de aanvraag en dat dit besluit ook tijdig bij eiseres bekend was. Aangezien daarmee reeds geoordeeld is over de tijdigheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan eiseres een dwangsom toe te kennen.
Dwangsom in verband met het bestreden besluit
4. Ter zitting is besproken dat het college bij besluit van 9 november 2021 een dwangsom aan eiseres heeft toegekend van € 161,- wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Eiseres heeft niets aangevoerd tegen de hoogte van de toegekende dwangsom, maar heeft gesteld dat zij deze nog niet uitgekeerd heeft gekregen. Het is aan het college om hier verder uitvoering aan te geven. De rechtbank ziet (hierin) echter geen aanleiding om aan eiseres een (aanvullende) dwangsom toe te kennen.
De adviescommissie en bevoegdheid
5.1
Indien een commissie is ingesteld, vloeit de twaalfwekentermijn rechtstreeks voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. In dit geval gold er dan ook een beslistermijn van twaalf weken wegens de rechtsgeldige instelling van de Commissie Sociaal Domein.
5.2
Het bestreden besluit is ondertekend door burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] , namens dezen, [naam teamleider juridische zaken] , Teamleider Juridische Zaken. Uit het Mandaatbesluit [plaatsnaam] 2019, bijlage 2: schema B onder Algemene wet bestuursrecht blijkt dat het beslissen op een bezwaarschrift voor zover sprake is van een ongegrond bezwaar in lijn met het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften is gemandateerd aan het Hoofd afdeling Financiën, Inkoop & Juridische Zaken, Teamleider Juridische Zaken. [naam teamleider juridische zaken] is de teamleider, dus het besluit is bevoegd genomen. Hij heeft het besluit ook ondertekend. Verder is niet onderbouwd of gebleken dat [naam persoon] niet bevoegd was om het bezwaarschrift van eiseres af te handelen. Van onbevoegde besluitvorming en daarmee onbehoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Hoorzitting
6.1
Op grond van artikel 7:3, eerste lid, van de Awb kan slechts onder bepaalde omstandigheden van het horen van een belanghebbende worden afgezien, bijvoorbeeld als het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:3 van de Awb volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarfase vormt en dat de in artikel 7:3 van de Awb opgenomen gronden terughoudend dienen te worden toegepast.
6.2
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak in bezwaar geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt niet of het college aan eiseres gevraagd heeft of zij van een hoorzitting gebruik wenste te maken. Ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiseres heeft afgezien van haar recht om gehoord te worden. Tot slot blijkt uit de besluitvorming niet dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, in die zin dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie.
6.3
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de hoorplicht. De rechtbank kan echter aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiseres door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres voldoende in de gelegenheid is geweest om in de beroepsprocedure haar gronden kenbaar te maken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
De afwijzing van de aanvraag
7.1
In het primaire besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kosten voor een printer en laptop uit het inkomen en/of vermogen dienen te worden voldaan door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Daarnaast zou volgens het college sprake zijn van een voorliggende voorziening, omdat eiseres een beroep kan doen op de Kredietbank. Ter zitting heeft het college gesteld dat het standpunt dat de Kredietbank als voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, wordt gehandhaafd. Dit komt echter niet meer terug in het bestreden besluit, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan.
7.2
Op grond van artikel 35 van de Participatiewet bestaat recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
7.3
Niet in geschil is dat de kosten voor een laptop en een printer zich voordoen. Ook wordt aangenomen dat deze kosten in het kader van de Participatiewet als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Laptops en printers zijn echter te beschouwen als duurzame gebruiksgoederen. De kosten van aanschaf, onderhoud en vervanging van duurzame gebruiksgoederen dienen te worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Deze kosten dienen daarom in beginsel te worden voldaan uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat een betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
7.4
Eiseres heeft niet met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat zij niet heeft kunnen reserveren voor een (al dan niet tweedehands) laptop en printer. Niet gebleken is dat zij niet rond kan komen en schulden heeft – voor zover daarvan al sprake zou zijn, geldt op grond van vaste rechtspraak dat het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid is die het verlenen van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Bovendien heeft het college eiseres erop gewezen dat zij in aanmerking komt voor onder meer de individuele inkomenstoeslag, die ook voor deze kosten kan worden aangewend. Verder is niet gebleken dat eiseres niet in staat is om achteraf, via gespreide betaling, in de aanschafkosten van een laptop of printer te voorzien.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.
12. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 49,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 20 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145 en 147.