Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2022:8237
Strafrecht
Raadkamer
2,113 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.J.J. van Rijsbergen, Parkstraat 10 te 4818 SJ Breda
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 16 september 2022 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk Volkswagen, type Arteon, kleur grijs en voorzien van het [kenteken] ;
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 5 oktober 2022 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 21 november 2022. Gehoord zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. J.H.E.M. Kersemaekers, gemachtigd waarnemend advocaat van
klager.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat onder klager een voertuig in beslag is genomen. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave. In raadkamer heeft de raadsman aanvullend aangevoerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Het voortduren van het beslag is immers in strijd met de eis van proportionaliteit. Het voertuig van klager vertegenwoordigt een forse waarde van zo’n € 30.000,00, terwijl er een magere verdenking is van een drugstransactie. De transactie zelf is niet gezien. Daarnaast is het voertuig op een legale wijze gefinancierd en wordt klager ernstig benadeeld door het niet kunnen beschikken over zijn voertuig.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is van de verdenking van handel in verdovende middelen en dat er nog onderzoek plaatsvindt naar de verdenking terzake witwassen. De feiten werden met behulp van en/of middels de auto van verdachte gepleegd. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het, gelet op de verdenking, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot een verbeurdverklaring komt. In reactie op de raadsman heeft de officier van justitie in raadkamer aanvullend opgemerkt dat het voortduren van het beslag niet disproportioneel is. Het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht is met het voertuig gepleegd en is een onmisbaar onderdeel in het vervoeren dan wel afleveren van drugs. Daarnaar gevraagd antwoordt de officier van justitie dat hij niet weet of er in de tenlastelegging een dag of een pleegperiode ten laste gelegd zal worden. Gelet op het aangetroffen geldbedrag gaat hij uit van een pleegperiode.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag. Zij neemt daartoe in overweging dat uit de thans voorhanden zijnde stukken en de mededeling van de officier van justitie blijkt dat klager (onder meer) wordt verdacht van de handel in verdovende middelen, bij uitstek gericht op geldelijk gewin. De verdenking is bovendien dat dit strafbare feit met het inbeslaggenomen voertuig is gepleegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank in beginsel van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Dit zou anders zijn indien het beslag inderdaad disproportioneel zou moeten worden beoordeeld, zoals betoogd door de raadsman. De rechtbank is echter van oordeel dat het beslag vooralsnog in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit om de volgende reden. Raadpleging van internet “Independer dagwaarde” levert een indicatieve waarde van € 25.900,00 op. Dat is een fors bedrag, maar het onderzoek is nog niet afgerond en in de woning van verdachte is daarnaast bijna € 30.000,00 in beslag genomen. Dat in het onderzoek ook gekeken wordt of en in hoeverre sprake is van een pleegperiode en van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt daarom voor de hand.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren. Indien op een later moment meer duidelijk is over het onderzoeksresultaat en de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie kan - voor zover nodig - een nieuw klaagschrift worden ingediend.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 5 december 2022 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2022.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).