Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-11-22
ECLI:NL:RBZWB:2022:6990
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,659 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3713 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes (het college).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift.
Met het bestreden besluit van 20 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en [woordvoerder verweerder] en [woordvoerder verweerder] namens het college.
Beoordeling
De rechtbank beoordeelt of het college eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
1. Op 3 mei 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [adres] . Het college heeft de verleende omgevingsvergunning bekend gemaakt door toezending aan de aanvrager en door publicatie op 12 mei 2021 in het Gemeenteblad.
Eiser heeft een ongedateerd bezwaarschrift ingediend, welke het college op 16 juni 2021 heeft ontvangen.
2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
3. Het bevoegd gezag geeft onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Als het bevoegd gezag de vergunning verleent, doet hij mededeling van die beschikking op de wijze waarop hij kennis heeft gegeven van de aanvraag.
4. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is gedateerd op 3 mei 2021.
In de publicatie in het Gemeenteblad van 12 mei 2021 staat het volgende: “Tegen een verleende vergunning of ontheffing hebben belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending (zie vermelde datum) de mogelijkheid om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij de burgemeester/burgemeester en wethouders”. In de bekendmaking staat verder dat de omgevingsvergunning is verzonden op dinsdag 3 mei 2021.
5. De bezwaartermijn begon dus op woensdag 4 mei 2021. De laatste dag waarop bezwaar kon worden ingesteld, was dus dinsdag 15 juni 2021.
6. De ontvangststempel van de gemeente is van woensdag 16 juli 2021.
7. Eiser stelt dat hij het bezwaarschrift op dinsdagmiddag 15 mei 2021 bij het gemeentehuis in de brievenbus heeft gedaan. Omdat het gemeentehuis toen al gesloten was, heeft hij geen ontvangstbevestiging gekregen.
8. Volgens vaste jurisprudentie moet er, wanneer een bezwaarschrift niet wordt verzonden naar de betrokken instantie, maar door de indiener zelf wordt bezorgd, in beginsel van uit worden gegaan dat dit geschrift bij die instantie is ingekomen op de datum die is vermeld op het stempel dat er bij binnenkomst op is geplaatst. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering indien de indiener aannemelijk maakt dat het geschrift eerder is binnengekomen.
9. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser het bezwaarschrift op 15 juni 2021 bij de gemeente na sluitingstijd in de brievenbus heeft gedaan. De verklaring van eiser vindt de rechtbank geloofwaardig. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser het bezwaarschrift niet heeft gedagtekend. De stempel van de gemeente geeft weliswaar aan dat de brief op 16 juni 2021 door het college is ontvangen, maar daarmee kan niet worden uitgesloten dat het bezwaarschrift vóór het einde van dinsdag 15 juni 2021 in de brievenbus bij de gemeente is gedaan. Desgevraagd op zitting heeft het college namelijk verklaard dat hij niet weet op welke tijdstippen de brievenbus wordt geleegd. Het is dus mogelijk dat eiser de brief op
15 juli 2021 na sluitingstijd in de brievenbus heeft gegooid en dat die brievenbus pas is geleegd op 16 juli 2021.
Conclusie
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Het bezwaarschrift is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
11. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 20 juli 2021;
draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 181,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier, op 22 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
Artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 3.9, aanhef en eerste lid, onder a, van de Wabo
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1333.
Artikel 8:72, vierde lid, van de Awb