Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-11-17
ECLI:NL:RBZWB:2022:6823
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,852 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1369 AW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H. Welter),
en
de korpschef van politie (de korpschef), verweerder
(gemachtigde [naam] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem verleende ontslag vanwege niet gebleken geschiktheid die voor de dienst is vereist.
De korpschef heeft eiser bij besluit van 10 augustus 2021 ontslag verleend. Met het bestreden besluit van 20 januari 2022 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij het ontslag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.
Totstandkoming van het besluit
1.1
Eiser is op 20 mei 2019 in tijdelijke dienst getreden bij de politie en in opleiding als aspirant, niveau 2. Bij besluit van 4 januari 2021, uitgereikt op 27 januari 2021, is eiser een schriftelijke berisping gegeven vanwege het zich tijdens een stage bij Arrestantentaken ongepast uitlaten door te zeggen dat hij als Hollander dienst had met ‘2 Turken, een Hindoestaan en een Blauwe’. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2
Op 25 juni 2021 was eiser in dienst en aanwezig op het politiebureau te [vestigingsplaats] , basiseenheid [naam] van politie eenheid [naam] . Tijdens een gesprek aan de koffietafel heeft eiser ten overstaan van een aantal collega’s expliciete uitlatingen gedaan over zijn seksuele ervaringen. Deze collega’s hebben 30 juni 2021 en 1 juli 2021 schriftelijke verklaringen afgelegd over eisers uitlatingen op 25 juni 2021. Op 1 juli 2021 hebben de trajectbegeleiders van eiser een gesprek met eiser gevoerd. Aan het einde van het gesprek werd eiser buitengewoon verlof verleend met toepassing van artikel 39 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
1.3
Op 7 juli 2021 heeft de korpschef het voornemen om eiser eervol ontslag te verlenen vanwege ongeschiktheid ex artikel 89, vierde lid, sub a, van het Barp bekend gemaakt. Daarbij is aangegeven dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Gewezen is op het feit dat eiser na de berisping van 4 januari 2021 opnieuw de fout in is gegaan.
De korpschef geeft aan dat eiser niet beschikt over de geschiktheid voor het werk waarvoor eiser is aangesteld. De ongeschiktheid is tot uitdrukking gekomen in het bij eiser ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. In dit geval maakt de houding en gedrag van eiser hem ongeschikt voor zijn werkzaamheden.
Eiser heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt in een gesprek op 3 augustus 2021.
1.4
Bij besluit van 10 augustus 2021 is eiser eervol ontslag verleend op grond van artikel 89, vierde lid, sub a van het Barp, omdat eiser geen blijk geeft van geschiktheid die voor de dienst is vereist.
1.5
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Op 8 december 2021 is hij op zijn bezwaar gehoord. De Bezwaaradviescommissie HRM heeft de korpschef geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. In de gegeven situatie en omstandigheden die de commissie denkt te kunnen afleiden uit de diverse verklaringen is de commissie van oordeel dat de korpschef in redelijkheid en bij afweging van alle betrokken belangen niet mocht beslissen tot verlenen van ontslag wegens gebleken ongeschiktheid, maar dat de korpschef eiser nog een kans had moeten geven.
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft de korpschef, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard.
Daarbij heeft de korpschef aangegeven dat vast staat dat eiser ten overstaan van zes politieambtenaren expliciete uitlatingen heeft gedaan op het gebied van zijn seksuele ervaringen. De korpschef benadrukt dat eiser op 27 januari 2021 bij het uitreiken van het besluit inhoudende het opleggen van een schriftelijke berisping vanwege het doen van ongepaste uitlatingen, door zijn teamchef kenbaar is gemaakt sterk te letten op zijn uitlatingen. Daarbij is hij gewaarschuwd dat bij herhaling rechtspositionele consequenties kunnen volgen. Verder ziet de korpschef eiser een tweede kans bieden niet zitten omdat eiser zich in de laatste fase van de opleiding bevond, waarna een vaste aanstelling zou worden aangeboden. Het alsnog in de gelegenheid stellen om de proeftijd vol te maken acht de korpschef niet zinvol. Eiser heeft zelf gekozen de uitlatingen te doen. Hij is ernstig tekort geschoten in houding en gedrag.
Anders dan de bezwaaradviescommissie heeft aangegeven, is volgens de korpschef feitenonderzoek gedaan naar het voorval. Verder is hoor en wederhoor toegepast. De zes verklaringen waarop het besluit is gebaseerd komen overeen en zijn afkomstig van verschillende medewerkers die in verschillende verhouding stonden tot eiser binnen de organisatie. Eiser heeft zijn visie op de situatie kunnen geven voordat het besluit tot verlenen van ontslag werd genomen. Het besluit is zorgvuldig voorbereid. De zes politieambtenaren zijn niet eisers leidinggevenden, de korpschef beschouwt ze als gelijken. Er zijn geen verzachtende omstandigheden, omdat eiser al eerder was gewaarschuwd. Bovendien is eiser ouder dan de gemiddelde aspirant.
Door zijn houding en gedrag is eiser ongeschikt voor het uitoefenen van de politiefunctie. Artikel 89, vierde lid, van het Barp voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid ontslag te verlenen terwijl de proeftijd nog loopt.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de korpschef eiser in redelijkheid heeft kunnen ontslaan, wegens gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Standpunt eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van herhaling van gedrag waarvoor hij voorheen al een keer was gewaarschuwd. De seksueel getinte anekdote was niet denigrerend en tijdens de pauze verteld. De collega’s hebben er hartelijk om gelachen maar een paar dagen later is eiser met hun klacht geconfronteerd.
De korpschef heeft het advies van de bezwaaradviescommissie onvoldoende weerlegd. Van collega’s mag gezien hun senioriteit meer verwacht worden dan het uitdagen van eiser en achteraf klagen. Het is niet gepast dat de seniore collega’s met een verbetergesprek worden heengezonden, terwijl eiser wordt ontslagen. Anders dan de korpschef stelt was eiser geen gewaarschuwd man. Het eerdere voorval was een korte opmerking, niet een heel verhaal. De gebruikelijke bezwaren tegen seksueel getinte opmerkingen gaan niet op in dit geval. Er was geen sprake van denigrerende, discriminerende, spottende of bedreigende taal. Gezien de sfeer binnen het team kan niet worden gezegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan creëren van onveilige omgeving. Een eerdere waarschuwing voor woordkeus is niet voldoende om vervolgens alle vormen van gesproken vermeende misstappen aan op te hangen.
De collega’s waren geen gelijken van eiser, maar in rang en diensttijd seniore collega’s, die de toon hebben gezet in de kantine. Eiser deed daar voor het eerst aan mee.
Eiser overlegt diploma’s van de opleiding, hij was in feite al klaar met de opleiding, maar dit wordt nu teniet gedaan.
Wettelijk kader
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Ongeschiktheid voor de functie
6.1
Ten aanzien van de vraag of de korpschef de bevoegdheid had eiser ontslag te verlenen, overweegt de rechtbank het volgende
6.2
Artikel 89, vierde lid, van de Barp verschaft de korpschef de bevoegdheid om aan de aspirant, gedurende een politieopleiding eervol ontslag te verlenen bij niet gebleken geschiktheid die voor de dienst wordt vereist.
6.3
De korpschef neemt het standpunt in dat sprake is van ongeschiktheid voor de dienst waarvoor eiser is aangesteld.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid voor de functie (anders dan door ziekte of gebreken) zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken.
De ongeschiktheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.
6.4.
Niet ter discussie staat dat eiser op 25 juni 2021 op het politiebureau te [vestigingsplaats] ten overstaan van diverse collega’s zich expliciet heeft uitgelaten over zijn eigen seksuele ervaringen. De rechtbank volgt de korpschef in zijn standpunt dat de uitlatingen van eiser als zeer ongepast kunnen worden aangemerkt.
Eiser heeft ter zitting erkend dat zijn gedrag onhandig en ongepast is geweest. Hij stelt lering te hebben getrokken uit de eerdere berisping.
6.5
De uitlatingen van eiser dienen naar het oordeel van de rechtbank bezien te worden tegen de context waaronder deze zijn gedaan. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in overweging.
6.5.1
Uit de overlegde verklaringen van hoofdagenten [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] van 30 juni respectievelijk 1 juli 2021 blijkt dat eiser de ochtend van 25 juni 2021 met hen dienst had. In de dienstwagen hebben zij onder meer gesproken over relaties. Eiser gaf aan iets met een vrouw te hebben gehad die al een relatie had en dat zij ook seks hadden. De relatie was inmiddels gestopt. Hoofdagent [hoofdagent 1] verklaarde dat hij tegen mensen is die vreemd gaan. Uit de verklaringen volgt dat aan het einde van de dienst hoofdagenten [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] met eiser zijn teruggekeerd naar het politiebureau en aan de kantinetafel zijn gaan zitten. Daar waren drie andere collega’s, generalist GGP [generalist] , brigadier [brigadier] en medewerker intake & service [medewerker] aanwezig. Er werd over van alles gesproken. Op enig moment zei hoofdagent [hoofdagent 1] dat eiser ook nog wel een verhaal had. Hij doelde hier op het verhaal van zijn relatie. Gelet op hetgeen eiser die ochtend aan hoofdagenten [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] heeft verteld, had [hoofdagent 1] op dat moment kunnen vermoeden dat het verhaal dat eiser zou vertellen over seksuele ervaringen zou gaan.
Onder deze omstandigheden en in de sfeer waarin aan de koffietafel werd gesproken, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat eiser zich uitgenodigd voelde het verhaal over zijn relatie met een getrouwde vrouw te vertellen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
6.5.2
Uit de stukken blijkt dat diverse collega’s wat lacherig werden terwijl eiser zijn expliciete seksuele verhaal vertelde. De rechtbank wijst op de hierboven genoemde verklaringen afgelegd door hoofdagenten [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2] en de verklaring van generalist GGP [generalist] van 30 juni 2021. Verder hebben zowel hoofdagent [hoofdagent 1] als generalist GGP [generalist] in hun verklaringen aangegeven dat hun collega brigadier [brigadier] expliciet heeft doorgevraagd op het verhaal van eiser, door hem te vragen wat hem de befmeester maakte.
Eisers verklaring dat hij zich door zijn collega’s aangemoedigd voelde om het verhaal ‘wat aan te dikken’ komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
6.5.3
De rechtbank wijst verder op eisers schriftelijke verklaring met dagtekening 25 juni 2021. Eiser geeft aan dat hij na de dienst aan de koffietafel zat samen met de ‘ [bijnaam] ’. Er was een losse stemming en er werd gepraat over seksuele dingen uit de privé sfeer. Op een gegeven moment kwamen er vragen of eiser ook schunnige verhalen had. Hierop heeft collega [hoofdagent 1] gezegd eiser nog een verhaal had. De ‘ [bijnaam] ’ heeft volgens eisers verklaring aangegeven ‘mij kun je niet meer choqueren’. Deze ‘ [bijnaam] ’ blijkt voornoemde [generalist] te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is onder voormelde omstandigheden niet onaannemelijk dat eiser zich uitgenodigd heeft gevoeld om de gewraakte expliciete uitlatingen te doen.
6.6
De rechtbank benadrukt dat hetgeen eiser over zijn seksuele escapades met zijn ex-partner heeft verteld aan de koffietafel op het politiebureau zeer ongepast is geweest. Echter, uit de stukken blijkt niet dat de korpschef de context waarin het incident heeft plaatsgevonden en de door eiser en zijn collega’s hierover afgelegde verklaringen voldoende heeft onderzocht. Zo heeft de korpschef geen verder onderzoek verricht naar hetgeen [generalist] volgens eiser zou hebben verklaard. De korpschef heeft nagelaten bij deze collega na te vragen wat zij bedoelde met ‘mij kun je niet meer choqueren’.
Eiser heeft in zijn eigen schriftelijke verklaring van 25 juni 2021 aangegeven dat hij na afloop van het gesprek aan de kantinetafel besloot naar huis te gaan. Hij is naar hoofdagent [hoofdagent 1] gelopen en heeft gevraagd om feedback, omdat hij het belangrijk vond om te weten of er dingen waren die goed of fout waren gegaan.
Conclusie
8. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft onderbouwd dat houding en gedrag van eiser hem ongeschikt maken voor de hem opgedragen werkzaamheden. Verder heeft de korpschef onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reële verbeterkans is geboden, terwijl daartoe wel mogelijkheden bestonden.
Onder deze omstandigheden was de korpschef niet bevoegd tot ontslag van eiser wegens ongeschiktheid voor de functie over te gaan. Dat betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden en zal worden vernietigd. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De korpschef zal nader onderzoek moeten verrichten, en binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal de korpschef, indien hij zijn standpunt handhaaft dat sprake is van ongeschiktheid voor de functie, bij de vraag of hij in redelijkheid van de bevoegdheid tot ontslag gebruik heeft kunnen maken, aandacht moeten besteden aan de nieuwe evenredigheidsjurisprudentie, inhoudende dat de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het ontslag van eiser beoordeeld moeten worden.
Griffierecht en proceskosten
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de korpschef aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt de korpschef in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de korpschef binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt de korpschef inde proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 17 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.
Artikel 3
1. De aspirant wordt gedurende het eerste leerjaar van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding tijdelijk aangesteld voor de duur van één jaar.
2. Indien de aspirant aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, dan wel door middel van vrijstelling door een eerder gevolgde opleiding instroomt in het tweede leerjaar, wordt hij aangesteld in tijdelijke dienst voor maximaal twee jaar bij het volgen van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige of kortere opleiding.
3. Na het voltooien van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige of kortere opleiding, wordt de aspirant aangesteld in vaste dienst als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak tenzij het bevoegd gezag anders beslist.
4. Indien de aspirant een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding volgt, wordt hij nadat hij aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, aangesteld in tijdelijke dienst voor twee jaar voor het tweede en derde leerjaar.
5. Aan het eind van het derde leerjaar van de aspirant, bedoeld in het vierde lid, wordt de aspirant vast aangesteld als aspirant, tenzij het bevoegd gezag anders beslist. Na het voltooien van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding wordt de aanstelling gewijzigd in aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.
6. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen, van het bepaalde in dit artikel afwijken.
Artikel 89
1. Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, eerste lid, en in het eerste leerjaar een negatief studieadvies ontvangt, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag volgende op de dag waarop de aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, is verstreken.
2. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een proeftijd als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, die tegen het einde van de proeftijd niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
4. Eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist aan:
a. de aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
b. de ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
c. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
d. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a;
e. de vrijwilliger-aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
f. de vrijwillige ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
g. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
h. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.
5. Bij het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest, of
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.
6. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.
7. Indien het in het zesde lid bedoelde ontslag niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van hoofdstuk 6 van het Besluit bezoldiging politie.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1548 en uitspraak van de CRvB van 21 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1708
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098, ro. 4.1
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098, ro. 4.6
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4285
Uitspraken van de AbRS van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en van de CRvB van 26 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1859