Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-04-04
ECLI:NL:RBZWB:2022:6409
Strafrecht
Raadkamer
1,614 tokens
Dictum
[verzoekster]
wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J. van Rooijen, Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 16,46, voor vergoeding van reiskosten;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 9 juli 2021;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 21 maart 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie gehoord.
Verzoekster en haar raadsman zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoekster is aangevoerd dat zij op 16 juli 2020 als verdachte door de politie is gehoord inzake een strafrechtelijke verdenking aangaande een bedreiging. Op 9 juli 2021 is de zaak, na een OM-hoorzitting, geseponeerd. Verzoekster heeft € 16,46 aan reis- en verblijfkosten gemaakt aangaande het politieverhoor en de OM-hoorzitting. Daarnaast vraagt verzoekster de forfaitaire vergoeding ter hoogte van € 680,00 voor het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster, primair, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu het verzoekschrift niet door verzoekster is ondertekend. Voorts stelt de officier van justitie zich, subsidiair, op het standpunt dat het verzoek tot € 13,45 toegewezen kan worden, het overige deel, dat ziet op het verhoor bij politie, valt niet binnen de reikwijdte van artikel 530 Sv. Het forfaitaire bedrag inzake onderhavig verzoekschrift kan toegewezen worden.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat het verzoekschrift niet door verzoekster is ondertekend. Noch in artikel 533 Sv noch elders in het Wetboek van Strafvordering is in indiening van een verzoekschrift door een gemachtigde uitdrukkelijk voorzien, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever van vertegenwoordiging te dezen niet heeft willen weten (ECLI:NL:HR:1987:AB7723). De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoekschriften.
Dictum
De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beslissing is op 4 april 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).
Dictum
[verzoekster]
wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J. van Rooijen, Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 16,46, voor vergoeding van reiskosten;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 9 juli 2021;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 21 maart 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie gehoord.
Verzoekster en haar raadsman zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoekster is aangevoerd dat zij op 16 juli 2020 als verdachte door de politie is gehoord inzake een strafrechtelijke verdenking aangaande een bedreiging. Op 9 juli 2021 is de zaak, na een OM-hoorzitting, geseponeerd. Verzoekster heeft € 16,46 aan reis- en verblijfkosten gemaakt aangaande het politieverhoor en de OM-hoorzitting. Daarnaast vraagt verzoekster de forfaitaire vergoeding ter hoogte van € 680,00 voor het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster, primair, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu het verzoekschrift niet door verzoekster is ondertekend. Voorts stelt de officier van justitie zich, subsidiair, op het standpunt dat het verzoek tot € 13,45 toegewezen kan worden, het overige deel, dat ziet op het verhoor bij politie, valt niet binnen de reikwijdte van artikel 530 Sv. Het forfaitaire bedrag inzake onderhavig verzoekschrift kan toegewezen worden.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat het verzoekschrift niet door verzoekster is ondertekend. Noch in artikel 533 Sv noch elders in het Wetboek van Strafvordering is in indiening van een verzoekschrift door een gemachtigde uitdrukkelijk voorzien, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever van vertegenwoordiging te dezen niet heeft willen weten (ECLI:NL:HR:1987:AB7723). De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoekschriften.
Dictum
De rechtbank verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beslissing is op 4 april 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).