Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-10-20
ECLI:NL:RBZWB:2022:6104
Bestuursrecht; Belastingrecht
Vereenvoudigde behandeling
4,716 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/789 en 20/6695
uitspraak van 20 oktober 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur,
en
de Staatssecretaris van Financiën,
de Staatssecretaris.
Motivering
Zaaknummer BRE 20/789
Belanghebbende heeft met dagtekening 25 januari 2020 een brief met bijlages opgestuurd naar de rechtbank. Deze brief is geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/789. In de brief gaat belanghebbende in op de klacht die belanghebbende heeft over de handelswijze van de Belastingdienst en de afhandeling van zijn klacht die bij de Belastingdienst is ingediend.
Bij brieven van 23 maart 2020 en 23 april 2020 heeft de griffier van de rechtbank aan belanghebbende uitleg gegeven dat het niet mogelijk is om op te komen tegen de wijze van afdoening van klachten met het verzoek om het beroep in te trekken als het enkel ziet op deze klachten. Omdat belanghebbende ook stukken heeft bijgevoegd waaruit is op te maken dat er uitspraak op bezwaar is gedaan tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2012 is aan belanghebbende verzocht – voor zover het beroep daartegen gericht zou zijn – om de uitspraak op bezwaar te overleggen.
Belanghebbende heeft bij brief van 13 april 2020 gereageerd dat hij zich afvroeg waarom de rechtbank zijn klachten met betrekking tot de handelswijze van de Belastingdienst niet in behandeling wil nemen. Verder heeft belanghebbende niet aangegeven waartegen beroep wordt ingesteld.
Bij de (fiscale) bestuursrechter kan beroep worden ingesteld tegen een ingevolge een belastingwet genomen besluit. Dit betreft een belastingaanslag, of een voor bezwaar vatbare beslissing. In dergelijke gevallen kan de (fiscale) bestuursrechter (juridisch) toetsen.
Dat betekent dat de punten die door belanghebbende worden aangedragen inzake de klachtafhandeling niet als zodanig aan de (fiscale) bestuursrechter worden voorgelegd. De klachtafhandeling betreft namelijk niet een beslissing die belastingrechter kan toetsen. De belastingrechter is daarom niet bevoegd over de aangedragen punten een oordeel te geven.
De rechtbank is dus in zoverre kennelijk onbevoegd.
In de klachtafhandeling van 6 maart 2019 waar belanghebbende naar verwijst wordt overigens medegedeeld dat – als belanghebbende niet tevreden is met de afhandeling – hij zich kan wenden tot de Nationale Ombudsman, wat reeds is gedaan. Maar ook dat belanghebbende zich kan wenden tot: i) de Commissie voor de verzoekschriften en de burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal en: ii) de Commissie voor de verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Voor zover het beroep zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 20 april 2018, is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden. Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor zover het beroep zich richt tegen de uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 30 januari 2019 is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden. Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk.
Belanghebbende verzoekt verder om dwangsommen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat belanghebbende in een stuk dat op 7 mei 2018 is ingekomen bij de inspecteur een ingebrekestelling heeft gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren van 24 november 2013 en 5 februari 2018.
De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling in verband met het bezwaar van 24 november 2013 onredelijk laat is, waardoor geen dwangsom is verschuldigd.
Het bezwaar van 5 februari 2018 is gericht tegen de navorderingaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 18 juli 2015. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze aanslag na die datum heeft plaatsgevonden. Het betreffende bezwaar is binnengekomen op 6 februari 2018. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bezwaar dus kennelijk niet-ontvankelijk. Dat brengt mee dat er dan geen dwangsom verschuldigd kan zijn. Deze dwangsomverzoeken worden dus afgewezen.
Belanghebbende verzoekt daarnaast om dwangsommen wegens het uitblijven van een tijdige reactie op zijn brieven van 28 februari 2018, 4 mei 2018 en 14 september 2018. De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat de betreffende brieven aangemerkt kunnen worden als verzoeken om een beschikking. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende de inspecteur op de voorgeschreven wijze in gebreke heeft gesteld. Om die reden is er al niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het toekennen van een dwangsom. Ook deze dwangsomverzoeken worden afgewezen.
Voor zover belanghebbende verzoekt om toekenning van een schadevergoeding in verband met het handelen van de inspecteur kan dat niet worden toegekend omdat in deze zaken geen sprake is van een gegrond beroep. Ten aanzien van dit schadevergoedingsverzoek is namelijk artikel 8:73 (oud) Awb nog van toepassing. Op grond van dat artikel kan de bestuursrechter alleen bij de gegrondverklaring van een beroep een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade. Daarvan is hier geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt dus afgewezen.
Zaaknummer BRE 20/6695
Soortgelijke stukken als in zaaknummer BRE 20/789 zijn met dagtekening 6 mei 2020 ingediend bij de rechtbank Limburg (zaaknummer ROE 20/1288), die de stukken heeft doorgestuurd naar deze rechtbank, omdat deze rechtbank in beginsel bevoegd is voor rijksbelastingzaken.
Dictum
Inzake zaaknummer 20/780
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de klachtafhandeling;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012 alsmede de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van die naheffingsaanslag;
- wijst het verzoek om dwangsommen af;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Inzake zaaknummer 20/6695
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep zich richt tegen het zelfstandig schadebesluit;
- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 20 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie in dat verband ook onderdeel 12 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’.
Zie in dat verband ook onderdeel 27 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’.
Belanghebbende erkent in het stuk aan de inspecteur gedagtekend ‘4 mei april 2018’, bij de inspecteur ingekomen op 7 mei 2018, dat hij op 18 juli 2015 de navorderingsaanslag heeft ontvangen.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid van de Awb
Als voorgeschreven in artikel 4:17, derde lid van de Awb.
Dit volgt uit artikel 26 van de Algemene wet rijksbelastingen in combinatie met artikel 8:1 van de Awb.
Zie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4813
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/789 en 20/6695
uitspraak van 20 oktober 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur,
en
de Staatssecretaris van Financiën,
de Staatssecretaris.
Motivering
Zaaknummer BRE 20/789
Belanghebbende heeft met dagtekening 25 januari 2020 een brief met bijlages opgestuurd naar de rechtbank. Deze brief is geregistreerd onder zaaknummer BRE 20/789. In de brief gaat belanghebbende in op de klacht die belanghebbende heeft over de handelswijze van de Belastingdienst en de afhandeling van zijn klacht die bij de Belastingdienst is ingediend.
Bij brieven van 23 maart 2020 en 23 april 2020 heeft de griffier van de rechtbank aan belanghebbende uitleg gegeven dat het niet mogelijk is om op te komen tegen de wijze van afdoening van klachten met het verzoek om het beroep in te trekken als het enkel ziet op deze klachten. Omdat belanghebbende ook stukken heeft bijgevoegd waaruit is op te maken dat er uitspraak op bezwaar is gedaan tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2012 is aan belanghebbende verzocht – voor zover het beroep daartegen gericht zou zijn – om de uitspraak op bezwaar te overleggen.
Belanghebbende heeft bij brief van 13 april 2020 gereageerd dat hij zich afvroeg waarom de rechtbank zijn klachten met betrekking tot de handelswijze van de Belastingdienst niet in behandeling wil nemen. Verder heeft belanghebbende niet aangegeven waartegen beroep wordt ingesteld.
Bij de (fiscale) bestuursrechter kan beroep worden ingesteld tegen een ingevolge een belastingwet genomen besluit. Dit betreft een belastingaanslag, of een voor bezwaar vatbare beslissing. In dergelijke gevallen kan de (fiscale) bestuursrechter (juridisch) toetsen.
Dat betekent dat de punten die door belanghebbende worden aangedragen inzake de klachtafhandeling niet als zodanig aan de (fiscale) bestuursrechter worden voorgelegd. De klachtafhandeling betreft namelijk niet een beslissing die belastingrechter kan toetsen. De belastingrechter is daarom niet bevoegd over de aangedragen punten een oordeel te geven.
De rechtbank is dus in zoverre kennelijk onbevoegd.
In de klachtafhandeling van 6 maart 2019 waar belanghebbende naar verwijst wordt overigens medegedeeld dat – als belanghebbende niet tevreden is met de afhandeling – hij zich kan wenden tot de Nationale Ombudsman, wat reeds is gedaan. Maar ook dat belanghebbende zich kan wenden tot: i) de Commissie voor de verzoekschriften en de burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal en: ii) de Commissie voor de verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Voor zover het beroep zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 20 april 2018, is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden. Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor zover het beroep zich richt tegen de uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 30 januari 2019 is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze uitspraak op bezwaar na die datum heeft plaatsgevonden. Het beroepschrift is binnengekomen op 28 januari 2020. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. In zoverre is het beroep dus kennelijk niet-ontvankelijk.
Belanghebbende verzoekt verder om dwangsommen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat belanghebbende in een stuk dat op 7 mei 2018 is ingekomen bij de inspecteur een ingebrekestelling heeft gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren van 24 november 2013 en 5 februari 2018.
De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling in verband met het bezwaar van 24 november 2013 onredelijk laat is, waardoor geen dwangsom is verschuldigd.
Het bezwaar van 5 februari 2018 is gericht tegen de navorderingaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van 18 juli 2015. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzending van deze aanslag na die datum heeft plaatsgevonden. Het betreffende bezwaar is binnengekomen op 6 februari 2018. Dat is buiten de wettelijke termijn van zes weken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bezwaar dus kennelijk niet-ontvankelijk. Dat brengt mee dat er dan geen dwangsom verschuldigd kan zijn. Deze dwangsomverzoeken worden dus afgewezen.
Belanghebbende verzoekt daarnaast om dwangsommen wegens het uitblijven van een tijdige reactie op zijn brieven van 28 februari 2018, 4 mei 2018 en 14 september 2018. De rechtbank gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat de betreffende brieven aangemerkt kunnen worden als verzoeken om een beschikking. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende de inspecteur op de voorgeschreven wijze in gebreke heeft gesteld. Om die reden is er al niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het toekennen van een dwangsom. Ook deze dwangsomverzoeken worden afgewezen.
Voor zover belanghebbende verzoekt om toekenning van een schadevergoeding in verband met het handelen van de inspecteur kan dat niet worden toegekend omdat in deze zaken geen sprake is van een gegrond beroep. Ten aanzien van dit schadevergoedingsverzoek is namelijk artikel 8:73 (oud) Awb nog van toepassing. Op grond van dat artikel kan de bestuursrechter alleen bij de gegrondverklaring van een beroep een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade. Daarvan is hier geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt dus afgewezen.
Zaaknummer BRE 20/6695
Soortgelijke stukken als in zaaknummer BRE 20/789 zijn met dagtekening 6 mei 2020 ingediend bij de rechtbank Limburg (zaaknummer ROE 20/1288), die de stukken heeft doorgestuurd naar deze rechtbank, omdat deze rechtbank in beginsel bevoegd is voor rijksbelastingzaken.
Dictum
Inzake zaaknummer 20/780
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen de klachtafhandeling;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2012 alsmede de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van die naheffingsaanslag;
- wijst het verzoek om dwangsommen af;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Inzake zaaknummer 20/6695
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep zich richt tegen het zelfstandig schadebesluit;
- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 20 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie in dat verband ook onderdeel 12 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’.
Zie in dat verband ook onderdeel 27 van het stuk van belanghebbende met als kenmerk ‘Klacht handelswijze belastingdienst’.
Belanghebbende erkent in het stuk aan de inspecteur gedagtekend ‘4 mei april 2018’, bij de inspecteur ingekomen op 7 mei 2018, dat hij op 18 juli 2015 de navorderingsaanslag heeft ontvangen.
Op grond van artikel 4:17, zesde lid van de Awb
Als voorgeschreven in artikel 4:17, derde lid van de Awb.
Dit volgt uit artikel 26 van de Algemene wet rijksbelastingen in combinatie met artikel 8:1 van de Awb.
Zie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4813