Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-10-10
ECLI:NL:RBZWB:2022:5917
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,298 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1496 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser
gemachtigde: mr. M.J.E.M. Edelmann,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV).
Procesverloop
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen op de bij besluit van 12 september 2019 geweigerde uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2
Met het besluit van 23 februari 2021 (bestreden besluit) is het UWV, onder ongegrondverklaring van de bezwaren van eiser, bij dat besluit gebleven. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 augustus 2022.
Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, zijn moeder en [naam vertegenwoordiger] namens het UWV.
Beoordeling
Omvang geschil
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 12 september 2019 en geen Amber-beoordeling heeft uitgevoerd.
Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Het beroep is ongegrond
3. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten die niet betwist zijn en die de rechtbank ook aanvaardt. Eiser – geboren op 22 juni 2001 en bekend met een autistische stoornis, zwakbegaafdheid, een slaapstoornis en zindelijkheidsproblematiek – heeft op 27 juni 2019 een Beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Eiser was toen bezig met een opleiding en hij liep stage bij [naam bedrijf] in [plaatsnaam 2] . Bij besluit van 12 september 2019 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige hebben vastgesteld dat eiser over arbeidsvermogen beschikt. Het UWV heeft op 2 april 2020 de bezwaren tegen het besluit van 12 september 2019 ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
Eiser heeft de stage bij [naam bedrijf] niet succesvol afgerond en daarom heeft hij het schooljaar 2019-2020 zonder diploma afgesloten. Eiser heeft op 6 oktober 2020 opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft de aanvraag bij besluit van 9 november 2020 afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe (medische) feiten. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 november 2020. Met het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren tegen het besluit van 9 november 2020 ongegrond verklaard en de weigering om terug te komen op het besluit van 12 september 2019 gehandhaafd.
Heeft het UWV op goede gronden geweigerd om terug te komen op het besluit van
12 september 2019 en tevens op goede gronden afgezien van een Amber-beoordeling?
6. Eiser voert aan dat, door het niet succesvol afronden van de stage, er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser stelt tevens dat artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong van toepassing is en dat op grond van dit artikel alsnog een Wajong-uitkering aan eiser toegekend dient te worden. Eiser stelt dat hij niet gedurende vier uur per dag belastbaar is, dat hij niet een uur aaneengesloten kan werken en dat hij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden, nu hij voor alles dient te worden aangestuurd.
6.1
Het UWV stelt zich op het standpunt dat bij de medische beoordeling van de herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen. Daarom is
de herhaalde aanvraag afgewezen en dat is gehandhaafd in bezwaar. Ten aanzien van het beroep op artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong geldt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) uit de ingebrachte informatie van de kinderarts niet heeft afgeleid dat er voldaan is aan de voorwaarden voor het toepassen van dit artikel.
6.2
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de aanvraag van eiser om toekenning van een Wajong-uitkering valt onder de bepalingen van hoofdstuk 1a van de Wajong.
Herhaalde aanvraag
6.3
In geval van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden bedoeld:
- dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb),
- dat een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of
- dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
In bezwaar heeft de toenmalige gemachtigde van eiser gesteld dat de aanvraag van eiser ziet op het verzoek terug te komen op het besluit van 12 september 2019. In beroep heeft eiser tevens een beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong (de Amber-bepaling) gedaan. Er is geen herziening voor de toekomst (duuraanspraak) verzocht. De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep hiervan ook uitgaan.
6.4
Nu in 2019 al een Wajong beoordeling is gedaan gaat het UWV er terecht van uit dat sprake is van een herhaalde aanvraag. In het besluit van 12 september 2019 is vastgesteld dat eiser over arbeidsvermogen beschikt, maar wel intensieve begeleiding nodig heeft. Eiser wil dat het UWV terugkomt van dat eerdere besluit voor het verleden (met ingang van de datum waarover dat besluit ging, te weten eisers 18e verjaardag) en stelt daartoe dat gebleken is dat zijn deelname aan het arbeidsproces mislukt is.
6.5
Arts [naam arts] heeft in de rapportage van 23 augustus 2019 (gecontrasigneerd door verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 1] ) – voorafgaand aan het besluit van 12 september 2019 – gerapporteerd dat eiser functiestoornissen heeft. Hij is hierdoor beperkt in staat is om vaardigheden te ontwikkelen, de aandacht te richten, het zelfstandig ondernemen van een enkelvoudige of meervoudige taak, structureren, prioriteiten te stellen, omgaan met stress of andere mentale eisen, gevolgen van eigen handelen te overzien en zich sociaal passend te gedragen. Eiser is aangewezen op specialistische begeleiding die hem begeleidt in het
opstarten, structureren en continueren van taken, duidelijke en herhaaldelijke uitleg geeft en begeleidt in de sociale interactie. Arts [naam arts] acht eiser in staat om een uur aaneengesloten te werken en eiser is minimaal vier uur per dag belastbaar. In de bezwaarprocedure tegen het besluit van 12 september 2019 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) [naam verzekeringsarts b&b] de beoordeling van arts [naam arts] bevestigd.
6.6
Het UWV stelt zich in de huidige beoordeling op het standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor een ander oordeel dan gegeven in het besluit van 12 september 2019. Aan dit standpunt heeft het UWV een rapportage van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 2] en een rapportage van verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] ten grondslag gelegd.
Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 2] heeft, naar aanleiding van de aanvraag van 6 oktober 2020, het dossier beoordeeld en geconcludeerd dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten die bij de eerdere beoordeling niet zijn meegenomen. De niet voltooide stage verandert, volgens verzekeringsarts [naam verzekeringsarts 2] , niets aan het eerder vastgestelde medische feitencomplex. Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] overweegt – na studie van het dossier en een telefonische hoorzitting – dat uit de in bezwaar ingediende informatie van kinderarts [naam kinderarts] van 9 februari 2021 geen nieuwe medische inzichten volgen. De verzekeringsarts b&b vergelijkt de overwegingen uit zijn rapportage in de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 12 september 2019 met de aanvraag van 6 oktober 2020. In de eerdere rapportage van de verzekeringsarts b&b is overwogen dat eiser zich redelijk kan uitdrukken in de taal, maar dat er sprake is van een beperkt abstractieniveau. Hij is verminderd weerbaar en is voor het verrichten van werkzaamheden aangewezen op terugvalmogelijkheden binnen een vertrouwde structuur.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV niet hoeft terug te komen op het besluit van 12 september 2019. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 10 oktober 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage:
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Artikel 1a:1, eerste lid, sub a, en tweede lid
1. Jongegehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
2. De ingezetene die op de dag, bedoel in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap op bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit)
Artikel 1a, eerste en tweede lid
1. Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1 (…), indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur;
d. of niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
2. Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid va een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.
Bijvoorbeeld CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2.