Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-06-03
ECLI:NL:RBZWB:2022:3028
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
981 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 22/232
uitspraak van 3 juni 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Roosendaal,
de heffingsambtenaar.
Motivering
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer].
Tussen partijen is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in verband met overschrijding van de bezwaartermijn en of de hoorplicht is geschonden.
In het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019 is geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren voordat bij belanghebbende in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat belanghebbende door de heffingsambtenaar in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is ingediend (uitgaande van de dagtekening van de naheffingsaanslag) nadat de bezwaartermijn is verstreken. Het had op de weg gelegen van de heffingsambtenaar om dat wel te doen. Dat sprake is van een professionele gemachtigde maakt dat niet anders gelet op het hiervoor aangehaalde arrest. Nu de heffingsambtenaar dit ten onrechte heeft nagelaten en belanghebbende in het beroepschrift heeft verzocht om terugwijzing naar de heffingsambtenaar, zal de rechtbank aan dat verzoek voldoen en deze zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar.
Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond.
Nu het beroep kennelijk gegrond is, dient de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 379,50. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten ten bedrage van € 379,50;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
(de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen)
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ECLI:NL:HR:2019:1595
Gelet op Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11-11-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, Bijlage: Richtsnoer proceskostenvergoeding