Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-02-16
ECLI:NL:RBZWB:2021:643
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10234 PW
uitspraak van 16 februari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[namen verzoekers] (verzoekers), te [woonplaats verzoekers],
gemachtigde: mr. A. Darrazi,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (het college), verweerder.
Procesverloop
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 17 november 2020, waarin is geweigerd aan hen een bijstandsuitkering toe te kennen op grond van de Participatiewet. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 2 februari 2021. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door drs. C.B.M. Peeters en M. Semerinova.
Overwegingen
Feiten
1. Verzoekers hebben op 6 april 2020 een aanvraag ingediend bij het college voor een bijstandsuitkering. Het college heeft hen verschillende brieven gestuurd met het verzoek om gegevens in te leveren. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden op 14 september 2020.
Bij het bestreden besluit heeft het college de aanvraag van verzoekers afgewezen. Volgens het college kan hun recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeren.
Toetsingskader voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Daarbij zal de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beslissing niet in stand kan blijven, moeten worden beantwoord.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers blijkens de dossierstukken kampen met veel schulden en betalingsachterstanden en dat een woninguitzetting dreigt. Gelet hierop neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van een spoedeisendheid belang in deze procedure. Het college heeft dit belang overigens ook niet betwist.
Relevante wettelijke bepalingen
4. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
De te beoordelen periode
5. De te beoordelen periode loopt van 6 april 2020 (datum aanvraag) tot en met 17 november 2020 (datum bestreden besluit).
Relevante rechtspraak
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de vraag of een aanvrager van bijstand in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert inzicht in diens financiële situatie van essentieel belang is. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:720) volgt dat de bewijslast in dat kader op de aanvrager rust. Hij dient aannemelijk te maken dat hij in de beoordelingsperiode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat hij aan zijn inlichtingenplicht in dat verband heeft voldaan. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling vereiste gegevens te verstrekken. Voor een goede beoordeling van het recht op bijstand is inzicht vereist in de financiële situatie van de betrokkene gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Het bijstandverlenend orgaan is in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de bankafschriften over de laatste drie maanden. Als daarvoor een concrete aanleiding is, mag over een verder in het verleden liggende periode inzage in bankafschriften en overlegging van andere financiële gegevens worden gevraagd.
Wat wordt verzoekers tegengeworpen?
7. Blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter zitting werpt het college verzoekers bij de afwijzing van hun bijstandsaanvraag met name tegen dat op de door hen overgelegde bankafschriften over de periode van 19 december 2019 tot en met 19 maart 2020 bijschrijvingen van derden zichtbaar zijn, en vrijwel geen uitgaves voor levensonderhoud. Ook is te zien dat verzoeker in genoemde periode bijna iedere nacht met een geleende auto onderweg was in de omgeving. Daarbij deed hij betalingen en nam hij geld op bij benzinestations, een sloperij en een casino, waarbij hij de kort daarvoor bijgeschreven geldbedragen nagenoeg precies besteedde. Volgens het college hebben verzoekers over deze nachtelijke activiteiten onvoldoende aannemelijk verklaard, waardoor niet kan worden uitgesloten dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten, met mogelijk inkomen in zodanige vorm dat daarmee geen vaste lasten konden worden betaald en desondanks schulden toch opliepen. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat verzoekers schoonvader een koeriersbedrijf heeft waarvoor hij in het verleden heeft gewerkt, dat zijn broer in Eindhoven een autobedrijf heeft van wie hij diverse luxe auto’s voor eigen gebruik mag lenen, en dat de onderneming [naam onderneming] tussen september 2019 en april 2020 op naam van verzoeker stond.
Kan het recht op bijstand worden vastgesteld?
8. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het standpunt van het college worden gevolgd dat verzoekers met de door hen overgelegde stukken en afgelegde verklaringen onvoldoende informatie hebben verstrekt om hun recht op bijstand te kunnen vaststellen. Het college mocht met name meer informatie van verzoekers verwachten met betrekking tot de opvallende nachtelijke betalingen en geldopnames bij een sloperij en benzinestations, die duiden op veel reisbewegingen en die vragen oproepen over de inkomens- en vermogenssituatie van verzoekers. De door verzoeker tijdens het gesprek van 14 september 2020 gegeven verklaring, inhoudende dat hij 's nachts niet goed kan slapen en dan sigaretten gaat kopen bij benzinestations en meteen dan daar (omdat geldautomaten na 23 uur afgesloten zijn) bedragen opneemt die vrienden/familie hebben gestort om te voorkomen dat het geld naar schuldeisers gaat, acht de voorzieningenrechter met het college voorshands onvoldoende aannemelijk. Mogelijk hebben verzoekers om deze reden gestorte bedragen opgenomen, maar het college heeft in dit verband terecht opgemerkt dat deze uitleg niet verklaart waarom verzoeker 's nachts zoveel reisbewegingen maakte. Het gaat immers om het merendeel van de nachten per week in deze periode (hetgeen ook niet strookt met de verklaring van verzoeker dat hij af en toe een auto leent) en vaak meerdere benzinestations in de regio per nacht. De nachtelijke geldopnames en betalingen maken naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook dat getwijfeld kan worden aan de stelling van verzoekers dat de bijschrijvingen van vrienden, familie en een bedrijf ([naam bedrijf]) bedoeld waren om te voorzien in het levensonderhoud, temeer nu verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij bij de tankstations enkel benzine en sigaretten – en dus geen levensmiddelen – heeft gekocht. Weliswaar zijn een aantal bedragen opgenomen bij geldautomaten, maar veel stortingen zijn meteen besteed bij betaalautomaten van benzinestations. Dat hierbij ook deels sprake was van contante geldopnames naast de gedane betaling, is niet verifieerbaar. Verzoekers hebben in de bezwaarfase wel verschillende stukken en schriftelijke verklaringen van familie en vrienden overgelegd, inhoudende dat zij verzoekers financieel steunen, maar ook hiermee is geen bevredigende verklaring gegeven voor verzoekers nachtelijke gedragingen. De door verzoekers gestelde omstandigheden dat zij onder bewind staan, kampen met veel schulden en betalingsachterstanden, en dat een woninguitzetting dreigt, zijn ook onvoldoende om uit te gaan van het bestaan van recht op bijstand. Hiermee zijn de (terechte) vragen van het college over verzoekers nachtelijke gedragingen immers niet beantwoord.
De voorzieningenrechter merkt hierbij ten overvloede op dat – zoals ter zitting ook besproken – het college de genoemde onduidelijkheden met betrekking tot de periode van 19 december 2019 tot en met 19 maart 2020 niet voortdurend kan blijven tegenwerpen bij het nemen van beslissingen over bijstandsaanvragen van latere datum indien van dergelijke onduidelijkheden nadien geen sprake meer is.
Verstoorde verhouding bewindvoerder, vermoedens college en motivering bestreden besluit
9. De stelling van verzoekers dat zij een verstoorde verhouding hadden met hun voormalige bewindvoerder, en dat zij op een aantal punten nalatig is geweest, slaagt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2766) komt nalatigheid van een bewindvoerder namelijk voor rekening en risico van de betrokkene. De stelling van verzoekers dat het college zich enkel baseert op vermoedens slaagt evenmin, nu zij hiermee miskennen dat het aan hen is om eventuele vermoedens te ontzenuwen met bewijsstukken en voldoende aannemelijke verklaringen.
Conclusie
14. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het recht van verzoekers op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Naar verwachting van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom standhouden na heroverweging in bezwaar.
15. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 16 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.