Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-11-18
ECLI:NL:RBZWB:2021:5906
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,695 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/731 BRP
uitspraak van 18 november 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J. Eliya
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 december 2019 (bestreden besluit) inzake de afwijzing van het verzoek van eiseres om de gegevens over haar ouders niet te registreren in de basisregistratie personen (brp).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 13 november 2020. Eiseres is in persoon verschenen, en heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde mr. J. Eliya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden twee door eiseres ter zitting overgelegde brondocumenten op echtheid te beoordelen.
Bij brief van 21 december 2020 heeft verweerder zijn bevindingen naar de rechtbank gestuurd. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 12 april 2021.
De rechtbank heeft het onderzoek op 29 april 2021 hervat. Omdat partijen daarna niet hebben aangegeven dat zij nogmaals op een zitting gehoord willen worden heeft de rechtbank het onderzoek op 20 juli 2021 gesloten en bepaald dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Op 31 augustus 2021 heeft de rechtbank deze termijn verlengd.
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres woont op hetzelfde adres als [naam moeder] . Volgens eiseres is laatstgenoemde haar moeder. Voor haar uitkering op grond van de Participatiewet wordt deze samenwoning aangemerkt als het voeren van een gezamenlijke huishouding zolang niet vaststaat dat [naam moeder] haar moeder is. Daarom heeft Orionis eiseres de mogelijkheid gegeven aan te tonen dat zij en [naam moeder] dochter en moeder van elkaar zijn.
Dat heeft er toe geleid dat eiseres op 6 februari 2019 aan de balie van het stadskantoor heeft verzocht om de gegevens over haar ouders te registreren in de brp. Daarbij heeft zij een Iraakse identiteitskaart met bijbehorende vertaling overgelegd, waarop naast haar gegevens ook gegevens van haar ouders vermeld zijn.
Deze identiteitskaart is door verweerder voor onderzoek naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Zwolle gestuurd. Na onderzoek heeft de IND op 21 februari 2019 verklaard dat de identiteitskaart qua opmaak en afgifte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie.
Gelet op deze uitkomst heeft verweerder op 27 maart 2019 aan eiseres te kennen gegeven dat hij voornemens is om het verzoek om de gegevens over haar ouders te registreren in de brp, af te wijzen.
Tegen dit voornemen heeft eiseres geen zienswijze ingediend, waarna verweerder bij het primaire besluit van 24 april 2019 het verzoek van eiseres heeft afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 3 juni 2019 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
2. Eiseres heeft in beroep betoogd dat het onderzoek van verweerder onvoldoende en onzorgvuldig was. Verweerder meent ten onrechte dat zij in staat moet zijn om Iraakse brondocumenten te kunnen bemachtigen. Daarnaast is eiseres bereid om door middel van DNA-onderzoek de moeder-dochter-relatie aan te tonen, maar volgens haar dienen de desbetreffende kosten door verweerder opgebracht te worden omdat zij daar zelf niet toe in staat is. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat de afwijzing negatieve gevolgen heeft voor haar bijstandsuitkering. Ten slotte heeft eiseres ter zitting erkend dat de door haar overgelegde identiteitskaart niet echt is, maar ze heeft tijdens die zitting ook twee (originele) brondocumenten overhandigd aan de gemachtigde van verweerder. Volgens eiseres tonen deze documenten aan dat [naam moeder] haar moeder is.
3. Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) bepaalt dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hier van aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
Ingevolge artikel 2.58, eerste lid, van de Wet brp voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisregistratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
Ingevolge artikel 2.10, derde lid, van de Wet brp, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dient voorop te worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126).
Dit betekent dat de gegevens van de moeder van eiseres slechts in de brp opgenomen kunnen worden door overlegging van de juiste brondocumenten.
5.1
Nadat onderzoek door de IND naar de echtheid van de door eiseres op 6 februari 2019 overgelegde Iraakse identiteitskaart had uitgewezen dat de identiteitskaart qua opmaak en afgifte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie, heeft eiseres op 7 februari 2020 aan de balie van het gemeentehuis alsnog twee brondocumenten getoond. Het betreft een uittreksel uit de bevolkingsadministratie, afgegeven in 2019 door de Iraakse autoriteiten en een afschrift van de geboorteregistratie van eiseres, afgegeven op 16 januari 2020 door de Iraakse autoriteiten. Omdat eiseres niet de originele documenten aan de balie heeft overhandigd maar slechts kopieën, was volgens verweerder een oordeel over de echtheid en juistheid van deze documenten niet mogelijk. Dat oordeel was pas mogelijk nadat eiseres tijdens de zitting op 13 november 2020 alsnog de originele brondocumenten had overhandigd.
5.2
Verweerder heeft deze brondocumenten laten onderzoeken door de IND en deze instantie heeft verklaard dat de documenten echt zijn. Vervolgens zijn de documenten beoordeeld door de afdeling Publiekszaken van de gemeente Middelburg en die instantie heeft geconstateerd dat de beide Iraakse documenten niet volledig zijn gelegaliseerd. Legalisatie is volgens verweerder een voorwaarde om een document te kunnen registreren in de brp omdat daarmee wordt aangegeven of een buitenlands document door een bevoegde autoriteit is afgegeven en duidelijkheid verschaft over de formele echtheid ervan.
5.3
Ondanks het ontbreken van de legalisatie heeft verweerder gekeken naar de juistheid van de gegevens in de beide documenten. Deze documenten vermelden de naam en de geboortedatum van eiseres en de namen van haar vader en haar moeder, te weten [naam vader] en [naam moeder] . De rechtbank begrijpt dat verweerder de naam [naam moeder] niet in de brp wil opnemen als moeder van eiseres omdat met name de consulaire verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag nog ontbreekt.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat verweerder in de brp dient op te nemen dat [naam moeder] de moeder van eiseres is;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.