Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2021:350
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,349 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/3752 WOB
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 7 februari 2019 (primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres om openbaarmaking van diverse stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
In het besluit van 18 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 november 2020.
Hierbij waren aanwezig eiseres, haar echtgenoot, haar gemachtigde en namens het college [vertegenwoordiger vwr1] , [vertegenwoordiger vwr2] , [vertegenwoordiger vwr3] en [vertegenwoordiger vwr4]
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft op 4 december 2018 het college op grond van de Wob verzocht om gegevens te overleggen vanaf 1954 tot en met 1986 over “de aantallen misregistraties van personen die geboren zijn en gedurende een bepaalde tijd verbleven op het adres Valkenierslaan 37 te Breda, gelijk aan de onvolledige informatie die af te leiden is uit de persoonskaart van” haar gemachtigde.
Daarnaast heeft eiseres verzocht om alle beleidsstukken, circulaires en handboeken die verband houden met de registratie van personen die vanaf 1954 tot en met 1986 zijn geboren en gewoond hebben op het adres Valkenierslaan 37. Daarbij heeft eiseres verzocht dat het college aangeeft hoe de gemeente “de registratie ten aanzien van deze specifieke groep inwoners volgens de bepalingen in de Archiefwet heeft uitgevoerd”.
Bij brief van 14 december 2018 heeft eiseres verzocht om aanvullend te overleggen gegevens over de periode 1915 tot en met 1986, “over de volledige aantallen geboortes van personen die geboren zijn en gedurende bepaalde tijd verbleven” op de adressen Magdalenahuis (Willemstraat te Breda) en Moederheil/Valkenhorst (Valkenierslaan 37 te Breda) “en waarbij met name betrokken waren ongehuwd zwangere minderjarige vrouwen”.
Tevens heeft zij het college verzocht om gegevens te overleggen van de “aantallen overlijdensgevallen van hen die gebaard zijn door (meestal ongehuwd) zwangere minderjarige vrouwen (moeders) op de hiervoor vermelde adressen”. Eiseres heeft verzocht om alle beleidsstukken, circulaires en handboeken die verband houden met de registratie van personen die vanaf 1915 tot en met 1986 zijn geboren en gewoond hebben op de hiervoor vermelde adressen. Eiseres heeft het college verzocht aan te geven hoe de gemeente de registratie ten aanzien van deze specifieke groep inwoners volgens de bepalingen van de Archiefwet heeft uitgevoerd.
Bij het primaire besluit van 7 februari 2019 heeft het college het verzoek van eiseres afgewezen.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Geschil
2. In geschil is of het college terecht het Wob-verzoek van eiseres heeft afgewezen.
Standpunten partijen
3. Eiseres voert – zakelijk weergegeven – aan dat er sprake is geweest van enige administratieve vastlegging van geboortegegevens in de gemeentelijke administratie. Eiseres verwijst naar een brief van 4 augustus 1994 en stelt dat de inhoud daarvan willekeurig overkomt en de indruk wekt dat het nodige moest worden verzwegen of buiten de officiële kanalen moest worden gehouden. Eiseres wijst op de geboorteakte van haar gemachtigde, waarin expliciet is aangegeven dat de geboorte heeft plaatsgevonden aan de Valkenierslaan, adres Moederheil, te Breda. Het kan niet zo zijn dat er in de gemeentelijke administratie geen vaststelling van woonadres kan worden getraceerd. Het lijkt eiseres op de weg van het college te liggen om de administratie boven water te halen waaruit het verblijf van borelingen in Moederheil kan worden vastgesteld. Zowel moeders als borelingen verbleven soms enige tijd bij Moederheil. Het kan volgens eiseres niet zo zijn dat daar geen gegevens van zijn. Het komt op eiseres ook ongeloofwaardig over dat beleidsstukken zoals gevraagd over de vermelde periode op de website zijn te vinden of elders voor een leek zijn te achterhalen.
4. Het college stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de registratie in de Basisregistratie Personen (BRP) op grond van de Wet BRP geen informatie bevat waar iemand is geboren, omdat die regeling alleen eist dat een verblijfadres wordt vermeld. Pasgeborenen worden ingeschreven op het adres van hun ouders, ook al zijn zij daar niet geboren. Verder heeft het college bij de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat op grond van het Burgerlijk Wetboek van elke geboorte een akte wordt opgemaakt, die de naam en geboortedatum bevat, maar niet altijd het geboorteadres. Daarom, zo stelt het college, zijn er ook geen documenten met betrekking tot (aantallen) misregistraties. Eiseres heeft niet aangetoond dat het college wel over de gevraagde documenten beschikt of had moeten beschikken.
Het college merkt verder op dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de Wob niet van toepassing is op informatie die al openbaar is. De beleidsstukken, brieven, circulaires en handboeken zijn reeds openbaar en te vinden via het gemeentearchief.
Wettelijk kader
5. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat;
b. bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan;
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Op grond van het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van de artikelen 10 en 11.
Oordeel rechtbank
6.1
De rechtbank heeft ter zitting van eiseres begrepen dat het verzoek ziet op het verkrijgen van een overzicht van het aantal geboorten, sterfgevallen en ‘misregistraties’ per jaar in de periode 1954-1986 in de klinieken Magdalenahuis en Moederheil/Valkenhorst te Breda, waarbij met name ongehuwde minderjarige moeders zijn betrokken.
6.2
Op grond van vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer in de uitspraak van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:550), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, het document in kwestie toch onder het bestuursorgaan berust.
6.3
Ten aanzien van het verzoek om een overzicht te krijgen van aantallen geboortes, geboortedata en sterfgevallen, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het niet over dergelijke overzichten beschikt. Weliswaar zijn wel bepaalde stukken aanwezig, zoals geboorteaktes, waarmee dergelijke overzichten wellicht zouden kunnen worden gemaakt, maar dat betekent niet dat de gevraagde overzichten voorhanden zijn. De rechtbank komt deze toelichting niet ongeloofwaardig voor.
7. Nu het niet ongeloofwaardig overkomt dat het college niet over de gevraagde documenten beschikt, is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat de gevraagde documenten er wel zijn. De enkele stelling dat zij zich niet kan voorstellen dat er geen overzicht is, is daartoe onvoldoende.
Geboorte- en adoptieakte
7.1
Eiseres heeft aangevoerd dat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat wel sprake is geweest van enige administratieve vastlegging. Eiseres refereert in dit verband aan een geboorteakte van oktober 1954, waarin expliciet is aangegeven dat geboorte heeft plaatsgevonden aan de Valkenierslaan, adres Moederheil in Breda. Verder heeft eiseres ter zitting haar eigen adoptieakte aangehaald, waarin ook adresgegevens zijn opgenomen.
Het college heeft aangeven dat niet wordt ontkend dat sprake is van enige administratieve vastlegging van gegevens. Op een aantal geboorteaktes is wel een adres geregistreerd, op andere aktes alleen een plaats. Er bestond geen verplichting gedurende de (gehele) periode van 1954-1986 om het (geboorte)adres te registreren. De in de BRP en op de akte vermelde plaats/adres is ook vaak niet de plaats/adres waar de geboorte heeft plaatsgevonden, omdat pasgeborenen vaak werden ingeschreven op het adres waar hun ouders woonden, ook al is het kind daar feitelijk niet geboren.
De rechtbank komt deze toelichting niet ongeloofwaardig voor. De omstandigheid dat er sprake is geweest van enige administratieve vastlegging, betekent dus niet dat de door eiseres gevraagde overzichten ook voorhanden zijn.
Brief 4 augustus 1994
7.2
Eiseres heeft verder gewezen op een brief van de Burgerdienst Burgerzaken van de gemeente Breda van 4 augustus 1994. Deze brief wekt bij eiseres de indruk dat er het nodige moest worden verzwegen of buiten de officiële kanalen moest worden gehouden.
In de brief van 4 augustus 1994 staat het volgende vermeld:
“Uw verzoek om aan te geven waarom de periode vanaf uw geboorte tot 1 januari 1955 niet op uw persoonskaart is vermeld, heeft de navolgende reden. Ingevolge het wettelijke bepaalde van het Besluit bevolkingsboekhouding worden personen die korter dan 360 dagen in een inrichting c.q. tehuis verblijven niet ingeschreven op dat adres. Bovendien tegen de achtergrond van de tijdsgeest stelde mensen het niet op prijs om sommige adressen te vermelden op de persoonskaart.”
Uit deze brief kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dat het college wel over de gevraagde documenten (overzichten) zou moeten beschikken, maar niet wil verstrekken. Dat deze brief een andere indruk bij eiseres heeft gewekt, dient voor haar rekening te blijven.
Begeleiding gemeente Roosendaal
7.3
Eiseres heeft daarnaast gewezen op het feit dat uit ontvangen informatie kan worden opgemaakt dat functionarissen van de gemeente Roosendaal werden betrokken bij het begeleiden van in ieder geval één vrouw wiens kind geboren is in Moederheil.
Conclusie
10. Omdat de Wob alleen verplicht tot openbaarmaking van reeds aanwezige, nog niet eerder gepubliceerde stukken, heeft het college het verzoek van eiseres terecht afgewezen. De Wob biedt geen grondslag om het college op te dragen om gegevens te verzamelen en in een overzicht voor eiseres inzichtelijk te maken. De rechtbank ziet dus geen ruimte om het college op grond van de Wob op te dragen om mee te werken aan de vervaardiging van overzichten op basis van de wel aanwezige informatie, zoals eiseres ter zitting heeft verzocht.
De rechtbank merkt op dat ter zitting van de zijde van het college is aangegeven dat er bereidheid bestaat om in gesprek te treden met eiseres, waarbij het college zal uitleggen hoe in het verleden de registraties hebben plaatsgevonden en om nader te bespreken welke (on)mogelijkheden er zijn om (op andere wijze) aan het verzoek van eiseres tegemoet te komen.
Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. K.H.J. Vermariën, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 22 januari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.