Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-21
ECLI:NL:RBZWB:2017:8446
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/2769 WABOM uitspraak van 21 december 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [Naam eiseres], te [vestigingsplaats eiseres], eiseres, gemachtigde: A.M.W.A.M. van der Linden, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2017 (bestreden besluit) van het college inzake het gedeeltelijk weigeren van omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting aan de [locatie]. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 oktober 2017. Eiseres werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger eiseres 1] (directeur), [naam vertegenwoordiger eiseres 2] (werknemer) en de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Ginhoven en [naam vertegenwoordiger verweerder]. De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres exploiteert een onderneming aan de [locatie]. Op 20 juni 2016 heeft eiseres bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de inrichting met gasflessen en sein- en ernstvuurwerk en het veranderen van de hoeveelheid vuurwerk in de (buffer)bewaarplaatsen. Het college heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eiseres heeft een zienswijze naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten: - het veranderen van de inrichting voor de uitbreiding van gasflessen en veranderen van de hoeveelheden vuurwerk in de (buffer)bewaarplaatsen zoals aangegeven op de tekening; Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd voor de volgende activiteit: - het veranderen van de inrichting voor de uitbreiding van de opslag van sein- en ernstvuurwerk. 2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de weigering van de uitbreiding voor de opslag van sein- en ernstvuurwerk. Eiseres betwist dat de opslag van sein- en ernstvuurwerk niet mogelijk zou zijn in relatie tot het voorschrift 6.4 van bijlage 1 onderdeel B van het Vuurwerkbesluit B 6.4 (domino-effect). In de inrichting van eiseres zal bij een brand in de opslag van het sein- en ernstvuurwerk het risico op een groter effect van de vuurwerkopslag niet toenemen. Er wordt immers voldaan aan de veiligheidsafstand. Omgekeerd is dit ook niet het geval, omdat het effect van sein- en ernstvuurwerk aangegeven is in de B-zone van 20 meter en daarom geen groter gevolg zal geven. Daarbij komt dat er in de inrichting van eiseres nog diverse brandscheidingsconstructies zitten tussen de deur van de vuurwerkopslagen en de opslagplaatsen van sein- en ernstvuurwerk. Het eventueel aanstralen is derhalve niet van toepassing. Daarbij merkt eiseres nog op dat consumentenvuurwerk nooit zal leiden tot een massa-explosie. Dat blijkt uit het TNO-rapport “brandproeven consumentenvuurwerk”. Het verplaatsen van het sein- en ernstvuurwerk naar een ander deel van de inrichting is geen optie, aldus eiseres. 3. Ten aanzien van de bevoegdheid van het college om op de aanvraag te beslissen, geldt het volgende. Ingevolge het Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage I, onderdeel C, categorie 3.5 zijn gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het inrichtingen betreft waar: a. meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of consumentenvuurwerk wordt bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit. Ingevolge artikel 3.3 (Inrichting en mijnbouwwerk), eerste lid, van het Bor zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, bevoegd te beslissen op: a. elke aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een In artikel 1.3 onder c van bijlage 3 onderdeel B bij het Vuurwerkbesluit staat: Bij een inrichting waarin in totaal meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk al dan niet tezamen met theatervuurwerk aanwezig mag zijn: dienen, gemeten vanaf de bufferbewaarplaats in voorwaartse, zijwaartse en achterwaartse richting, tot een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object de volgende veiligheidsafstanden in acht te worden genomen: toegestane hoeveelheid per bufferbewaarplaats veiligheidsafstand voorwaarts zijwaarts achterwaarts vanaf 0 kg tot en met 500 kg 20 meter 20 meter 4 meter vanaf 500 kg tot en met 1 000 kg 25 meter 20 meter 5 meter vanaf 1 000 kg tot en met 2 000 kg 33 meter 25 meter 6 meter vanaf 2 000 kg tot en met 3 500 kg 42 meter 31 meter 8 meter vanaf 3 500 kg tot en met 5 000 kg 48 meter 36 meter 9 meter 6. De rechtbank overweegt als volgt. 6.1 Het Vuurwerkbesluit bevat regels voor de opslag en bewerking van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk en is rechtstreeks van toepassing op de opslag van vuurwerk binnen inrichtingen. De opslag van het aangevraagde sein- en ernstvuurwerk valt als zodanig niet onder het Vuurwerkbesluit, maar hiervoor gelden de normen die zijn neergelegd in de Handreiking explosieve stoffen voor civiel gebruik (de Handreiking) en de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 32. Echter omdat binnen de inrichting van eiseres ook vuurwerk wordt opgeslagen zoals bedoeld in het Vuurwerkbesluit, betekent dit dat de inrichting van eiseres te allen tijde moet voldoen aan de voorschriften en bepalingen van het Vuurwerkbesluit. Het college moest daarom bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag tevens toetsen of bij verlening van de vergunning nog aan de voorschriften van het Vuurwerkbesluit zou worden voldaan. Het college heeft het onderdeel van de aanvraag dat ziet op de opslag van sein- en ernstvuurwerk (overige pyrotechnische artikelen, geen vuurwerk zijnde) in ruimten 31 en 32 van de inrichting geweigerd, omdat deze aangevraagde opslag van sein- en ernstvuurwerk valt binnen de interne veiligheidsafstand tot de opslag van vuurwerk in de bufferbewaarplaats, met name de afstandseis van 48 meter voorwaarts. Hierdoor zou bij verlening van dit onderdeel van de aanvraag niet langer worden voldaan aan artikel 6.4 van bijlage 1 onderdeel B bij het Vuurwerkbesluit. 6.2 De rechtbank overweegt dat door eiseres niet wordt betwist dat niet wordt voldaan aan de afstandseis van 48 meter. Voorts wordt vastgesteld dat de in het Vuurwerkbesluit opgenomen regels over interne veiligheidsafstanden geen afwijkingsmogelijkheden kennen. Aan die afstanden moet ook worden voldaan in gevallen waarin uit het oogpunt van brandpreventie mogelijk met een kleinere afstand zou kunnen worden volstaan (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3743). Er bestaat enkel de mogelijkheid om een grotere afstand vast te stellen. Dat wel voldaan zou zijn aan de PGS 32 en de Handreiking, zoals eiseres betoogt, maakt derhalve niet dat niet meer voldaan hoeft te worden aan voorschrift artikel 6.4 van bijlage 1 onderdeel B bij het Vuurwerkbesluit. Ook de aanwezigheid van diverse voorzieningen, zoals brandscheidingsconstructies, hebben niet dat gevolg. 6.3 Voor zover namens eiseres is betoogd dat het college op grond van artikel 4.2, vierde lid, van het Vuurwerkbesluit bevoegd is om een kleinere afstand dan genoemd in bijlage 3, onder 1.3, vast te stellen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met het college van oordeel dat de bevoegdheid ex artikel 4.2 van het Vuurwerkbesluit enkel ziet op afstanden ten aanzien van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten (externe veiligheidsafstanden). De rechtbank vindt daarvoor steun in de toelichting bij het Vuurwerkbesluit (Staatsblad 2002, 33): “Artikel 4.1 tot en met 4.3 (..) Ten aanzien van de aangewezen besluiten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Orden