Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-12
ECLI:NL:RBZWB:2017:8083
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 16/9019 WET uitspraak van 12 december 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te Breda, eiser, gemachtigde: mr. R.C. Sies, en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 oktober 2016 (bestreden besluit) van de minister inzake, voor zover hier van belang, de afwijzing van het verzoek om een hogere bezoldiging overeen te mogen komen met de heer [naam voorzitter] . Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M.L. Kruit en [naam gemachtigde] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.J. Timmermans, mr. R. Bal en [naam vertegenwoordiger] . Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. [naam voorzitter] is sinds 2008 voorzitter van de Raad van Bestuur van [naam eiser] . Bij brief van 23 september 2015 heeft eiser verzocht om, op grond van artikel 2.4 van de toenmalige Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector – sinds 1 januari 2017 genaamd Wet Normering Topinkomens – (WNT), aan de leden van de Raad van Bestuur van [naam eiser] ook na 1 januari 2017 de bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten overeengekomen bezoldiging toe te kennen. Eén van die leden is [naam voorzitter] . Bij besluiten van 26 april 2016 (primaire besluiten) heeft de minister de verzoeken van eiser voor alle bestuurders afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 2. Eiser heeft zijn beroep beperkt tot het uitzonderingsverzoek voor [naam voorzitter] . In beroep heeft eiser, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de WNT-norm onrechtmatig is omdat deze norm een inbreuk maakt op het eigendomsrecht. Eiser is van mening dat de gehanteerde gedragslijn in strijd is met de inhoud en strekking van artikel 2.4 van de WNT. Voor zover wel toegestaan is deze gedragslijn onjuist, onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft eiser opgemerkt dat er sprake is van een onjuiste waardering van de omstandigheden van de instelling en een onjuiste waardering van de persoonlijke kwaliteiten van de bestuurder 3. In artikel 2.3, eerste lid, van de WNT, zoals dat geldt per 1 januari 2017 is bepaald dat de bezoldiging van een topfunctionaris per kalenderjaar ten hoogste € 181.000,– bedraagt. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de WNT kunnen onze Minister wie het aangaat en onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) gezamenlijk besluiten dat partijen een bij dat besluit vast te stellen hogere bezoldiging mogen overeenkomen dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3. 4.1 De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het bestreden besluit bevoegd is genomen. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit namens de minister van VWS is getekend door het clusterhoofd directie wetgeving en juridische zaken. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de mandaatregeling VWS heeft de Directeur Wetgeving en Juridische Zaken mandaat tot het nemen van beslissingen op bezwaar. In artikel 1 van het besluit van de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van 30 november 2016, Staatscourant 9 december 2016, 66746, is voor het nemen van beslissingen op bezwaar ondermandaat verleend aan de clusterhoofden van de directie Wetgeving en Juridische Zaken. Dit betekent dat het clusterhoofd bevoegd was om namens de minister het bestreden besluit te ondertekenen. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de minister van VWS bevoegd was om alleen te beslissen op het verzoek van eiser. Ingevolge artikel 2.4 van de WNT kunnen de minister wie het aangaat en de minister van BZK gezamenlijk besluiten dat een hogere bezoldiging mag worden overeengekom Het belang van het ingrijpen in bestaande contracten is gelegen in een correctie van onwenselijke bezoldigingsontwikkelingen in de publieke en semipublieke sector (kamerstuk 33978, nummer 3, pagina 22-24). Verder is van belang dat topfunctionarissen en hun werkgevers niet altijd blijk gaven van de noodzakelijke terughoudendheid bij het vaststellen van het salaris. Uit onderzoek van de commissie Dijkstal is gebleken dat het aantal topfunctionarissen met een salaris dat uitstijgt boven dat van een minister jaarlijks toeneemt en dat zelfregulering deze ontwikkeling niet heeft kunnen voorkomen (kamerstuk 32600, nummer 3, pagina 7 en 8). De rechtbank is van oordeel dat met deze toelichting voldoende onderbouwd is dat er sprake is van een legitieme doelstelling in het algemeen belang. Nu het beroep op het EVRM niet verder onderbouwd is, zal de rechtbank zich beperken tot een algemene opmerking over het proportionaliteitsvereiste. In de WNT is een overgangsregeling opgenomen van 7 jaar. Tevens is erin voorzien dat in bijzondere gevallen een uitzondering op de norm wordt toegestaan. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM niet kan slagen. 4.3 Op grond van artikel 2.4 van de WNT kan afgeweken worden van het maximale salaris. In de WNT zijn geen criteria opgenomen in welke gevallen kan worden afgeweken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor een uitleg van deze bepaling gekeken moet worden naar de wetsgeschiedenis. In de wetsgeschiedenis is opgenomen dat het moet gaan om exceptionele gevallen die ten tijde van de wetgeving niet konden worden voorzien (kamerstuk 32600, nummer 3, pagina 45). Achtergrond van artikel 2.4 van de WNT is dat waar de WNT een adequate bemensing op topniveau onmogelijk maakt, het mogelijk is om van het bezoldigingsmaximum af te wijken. Mocht geen adequate bemensing van functies mogelijk zijn, dan kan een uitzondering worden overwogen (kamerstuk 32600, nummer 7, pagina 13-14). Het moet dus gaan om een uitzonderlijke situatie waardoor het niet mogelijk is om tot een adequate bemensing van een functie te komen. Dat het om iets zeer uitzonderlijks gaat komt ook tot uitdrukking in de eisen die de wet stelt aan het besluitvormingsproces, waarbij zowel de vakminister, de minister van BZK en in bepaalde gevallen ook de ministerraad wordt betrokken. 4.4 De minister heeft gesteld dat bij de beoordeling of er sprake is van een uitzondering een gedragslijn wordt gehanteerd. Daarbij is aansluiting gezocht bij de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp (regeling). Los van de vraag of hier van een gedragslijn kan worden gesproken, is de rechtbank van oordeel dat de minister bij zijn beoordeling diverse aspecten kan en soms zelfs moet betrekken. Dat de regeling betrokken wordt bij de afweging, kan de rechtbank volgen. In de regeling wordt immers de zwaarte van een onderneming bepaald aan de hand van diverse criteria en worden de ondernemingen in klassen ingedeeld. Alleen bij de hoogste klasse (klasse V) wordt het bezoldigingsmaximum gesteld op het maximum genoemd in 2.3 van de WNT. Wordt een onderneming in een lagere klasse ingedeeld dan is een lager bezoldigingsmaximum vastgesteld. In het algemeen mag ervan uit worden gegaan dat hoe zwaarder een onderneming is hoe meer eisen aan de bestuurder worden gesteld. Het ligt dan ook voor de hand dat, als om een uitzondering op het maximale bezoldigingsmaximum wordt gevraagd, er eerst wordt gekeken wat de zwaarte van deze onderneming is en dat daarbij ook aansluiting wordt gezocht bij de regeling. Dat een van de criteria die daarbij gebruikt wordt de omzet is, acht de rechtbank niet onredelijk. De stelling van eiser dat een instelling met een lagere omzet dan 300 miljoen dan categoraal uitgesloten wordt bij een beroep op uitzondering volgt de rechtbank niet. Het is immers