Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-07
ECLI:NL:RBZWB:2017:8037
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/579 AW uitspraak van 7 december 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. P. Boezeman, en de korpschef van de Nationale Politie, verweerder, gemachtigde: mr. P.H.M.E. van de Ven. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2016 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de vaststelling van de uitkering blijvende invaliditeit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 2 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is werkzaam geweest bij de dienst Verkeershandhaving. Hij reed dagelijks op de motor. Hij heeft bij de korpschef melding gemaakt van werkgerelateerde gehoorschade. Bij besluit van 18 maart 2014 heeft de korpschef eisers slechthorendheid erkend als beroepsziekte. Eiser heeft op 3 juli 2014 de korpschef gevraagd om de mate van invaliditeit vast te stellen en toepassing te geven aan artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Bij besluit van 12 november 2014 is het percentage (blijvende) invaliditeit, overeenkomstig de berekening door verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] , vastgesteld op 7% en is aan eiser, met toepassing van de Regeling smartengeld dienstongevallen politie (Regeling dienstongevallen), een schadevergoeding toegekend van € 10.500,-. Eisers bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. De korpschef heeft niet de Regeling dienstongevallen, maar de op 1 augustus 2015 in werking getreden Regeling vergoeding beroepsziekten politie (Regeling beroepsziekten) van toepassing geacht. In verband met de door eiser gestelde tinnitusklachten is hem een extra bedrag van € 1.500,- toegekend. 2. Eiser heeft in beroep, samengevat en voor zover nog van belang, aangevoerd dat de Regeling dienstongevallen van toepassing is. Die regeling werd en wordt gebruikt voor zaken die stammen uit de tijd voor de komst van de Regeling beroepsziekten. Eiser heeft gewezen op een voorbeeld van een zaak van een collega die hij vergelijkbaar vindt met de zijne en hij heeft op die zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en op het rechtszekerheidsbeginsel. Eiser meent voorts dat op grond van artikel 4 van de Regeling dienstongevallen de rekensystematiek gebaseerd op de zogenoemde Gliedertaxe toegepast had moeten worden. Dat leidt tot een uitkeringspercentage van 14,4 in plaats van 7. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat smartengeld dient te worden uitgekeerd, primair op basis van een percentage van 18,1 subsidiair op basis van een percentage van 14,4. Ter zitting heeft eiser meegedeeld het primaire standpunt niet te handhaven en de rechtbank verzocht het percentage vast te stellen op 14,4%. 3. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel y, van het Barp is bepaald dat onder beroepsziekte wordt verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. In onderdeel z van dat artikellid is bepaald dat onder dienstongeval wordt verstaan: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. In artikel 54a, eerste lid, van het Barp is bepaald dat in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een be