Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2017:7928
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/4392 WIA uitspraak van 5 december 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres 1] , te [woonplaats] , eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 mei 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake de intrekking van haar uitkeringen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Ziektewet (ZW) en de Wet arbeid en zorg (Wazo) en de terugvordering en invordering van wat onverschuldigd is betaald. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, [naam echtgenoot] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Barto. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft over de periode 27 januari 2010 tot en met 13 april 2010 en 5 augustus 2010 tot en met 1 maart 2011 een ZW-uitkering ontvangen. Over de periode 14 april 2010 tot en met 4 augustus 2010 heeft zij een Wazo-uitkering ontvangen en van 2 maart 2011 tot en met 30 juni 2016 een WIA-uitkering. Het UWV heeft aanleiding gezien een onderzoek in te stellen naar het recht op uitkering. Uit de resultaten van dit onderzoek heeft het UWV de conclusie getrokken dat de dienstbetrekking bij Areka uitzendbureau te Beverwijk, waaruit de verzekeringsplicht voor de ZW, WIA en Wazo werd aangenomen, gefingeerd was. Bij besluit van 2 februari 2017 (primair besluit 1) heeft het UWV de WIA-uitkering met terugwerkende kracht tot 2 maart 2011 ingetrokken. Bij besluit van 17 februari 2017 (primair besluit 2) heeft het UWV de ZW-uitkering over de periode 27 januari 2010 tot en met 13 april 2010 ingetrokken. Bij een ander besluit van 17 februari 2017 (primair besluit 3) heeft het UWV de Wazo-uitkering over de periode 14 april 2010 tot en met 4 augustus 2010 ingetrokken. Bij nog een ander besluit van 17 februari 2017 (primair besluit 4) heeft het UWV de ZW-uitkering over de periode 4 augustus 2010 tot en met 1 maart 2011 ingetrokken. Bij besluit van 21 februari 2017 (primair besluit 5) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde ZW- en Wazo-uitkering tot een bedrag van € 9.249,28 wordt teruggevorderd. Bij besluit van 27 februari 2017 (primair besluit 6) heeft het UWV het bedrag van € 9.249,28 ingevorderd. Bij besluit van 1 maart 2017 (primair besluit 7) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering tot een bedrag van € 32.946,75 wordt teruggevorderd. Bij besluit van 2 maart 2017 (primair besluit 8) heeft het UWV het bedrag van € 32.946,75 ingevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 tot en met 8. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. 2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er geen sprake is van een gefingeerde dienstbetrekking. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres met name verwezen naar de uitspraak van de strafrechter. 3. In de ZW, de Wazo en de Wia is bepaald dat de werknemer recht heeft op uitkering (artikel 3 en 19 van de ZW, artikel 3 van de Wazo, artikel 7 en 54 van de WIA). Ingevolge artikel 30a, eerste lid, van de ZW en artikel 76, eerste lid, onder a, van de WIA trekt het UWV een besluit tot toekenning in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. In artikel 30a, tweede lid, van de ZW en artikel 76, derde lid, van de WIA is bepaald dat het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking kan afzien indien daarvoor dringende redenen zijn. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de ZW en artikel 77, eerste lid, van de WIA vordert het UWV al hetgeen onverschuldigd is betaald, terug De rechtbank zal hierna per inlener beoordelen van welke gegevens kan worden uitgegaan. 5.5.1. MEO In het dossier zijn declaraties opgenomen van Areka aan MEO. Op deze declaraties is de naam van [naam eiseres 2] vermeld. Uit de dossierstukken blijkt dat de voornaam van eiseres [voornaam] (roepnaam [roepnaam] ) is. De naam op de declaraties komt dus niet overeen met de naam van eiseres. Verder blijkt uit de al eerdergenoemde uitspraak van de CRvB dat een medewerker van MEO een paar maal een gesprek heeft gehad met de schoonmaakster van Areka over de kwaliteit van het werk en dat hij eiseres niet herkende van een hem voorgelegde foto. Volgens de medewerker van MEO heeft een Nederlands uitziende vrouw met blond haar bij hen gewerkt. Verder blijkt uit de uitspraak van de CRvB dat op de loonlijst van Areka veel meer personen met de achternaam [achternaam] stonden. Ter zitting is namens eiseres gesteld dat MEO een zogenaamd sleutelpand is en dat er totaal geen zicht was op wie er wel of niet binnenkwam. Verder heeft eiseres gesteld dat er diverse verklaringen zijn waaruit blijkt dat eiseres wel heeft gewerkt, maar dat het UWV deze verklaringen niet heeft meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven dat MEO een sleutelpand zou zijn, niet zondermeer betekent dat een medewerker van MEO niet gesproken zou kunnen hebben met de schoonmaakster. Het komt de rechtbank ook niet onaannemelijk voor dat als er op- of aanmerkingen zijn op het schoonmaakwerk er met de betreffende schoonmaakster gesproken wordt. De andere verklaringen die zouden zijn afgelegd waaruit zou blijken dat eiseres wel gewerkt heeft, zijn door eiseres niet overgelegd. De namens eiseres ter zitting naar voren gebrachte stellingen maken derhalve niet dat de rechtbank niet kan uitgaan van de feitenweergave ten aanzien van MEO zoals opgenomen in de uitspraak van de CRvB. 5.5.2 ING In het dossier bevinden zich e-mails van ING waarin onomwonden wordt gesteld dat eiseres niet voorkomt in het personeelssysteem en dat zij volgens hun gegevens niet als uitzendkracht voor ING heeft gewerkt. Verder zit in het dossier een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2010. Hieruit blijkt dat de opsporingsambtenaar van de belastingdienst/Fiod heeft gesproken met een medewerker van CSU (via dit bedrijf zou eiseres bij ING hebben gewerkt). Uit dat gesprek is gebleken dat eiseres bij hen niet bekend is. Door de medewerker van CSU is gesteld dat de werkwijze zo is dat Areka verplicht is om bij de facturen een kopie van het identiteitsbewijs (ID) van de werknemers mee te sturen, dat er op de locatie ook een kopie van het ID aanwezig is, dat er gebruik wordt gemaakt van ID Check en Chasing om identiteitsfraude te voorkomen en dat er geen toegangspas voor eiseres is aangemaakt. Verder blijkt uit de uitspraak van de CRvB dat eiseres niet voorkomt in het systeem waarin de uitzendkrachten zijn opgenomen van wie ING heeft verklaard geen bezwaar te hebben dat zij voor ING werken. Ook komt de naam van eiseres in combinatie met haar BSN niet voor op de urenstaten die waren gevoegd bij de door Areka ingediende facturen. Ter zitting is namens eiseres aangevoerd dat eiseres geen pasje nodig had omdat ze met anderen het gebouw in zou kunnen lopen. Ten aanzien van de screening die het ING zou hebben gedaan is namens eiseres gesteld dat die screening pas vanaf 2012 gebeurt. De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven dat een toegangspasje mogelijk niet (altijd) wordt gebruikt omdat met anderen kan worden meegelopen, niet betekent dat een dergelijk pasje niet wordt aangemaakt bij aanvang van de werkzaamheden. Het komt de rechtbank verder aannemelijk voor dat een financiële instelling personen screent voordat ze het pand in mogen. Daarbij komt dat het rapport van de Fiod op 9 juli 2010 is opgemaakt en, zoals blijkt uit de uitspraak van de CRvB, er toen blijkbaar bij het CSU al een systeem was waarin de door het ING afgegeven verklaringen van geen bezwaar inzake