Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2017-11-09
ECLI:NL:RBZWB:2017:7737
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 16/2949, BRE 16/2951 en BRE 16/2952 uitspraak van 9 november 2017 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 14 april 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor de jaren 2010 tot en met 2012 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummers [aanslagnummer].H.06, [aanslagnummer].H.16.01, [aanslagnummer].H.26.01. Zittingen Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017 te Breda. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van het proces-verbaal is per brief van 17 juli 2017 aan partijen verzonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien het vooronderzoek te heropenen. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar wettelijk vertegenwoordiger [A], en namens de inspecteur, [verweerder]. 1. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar vergoedt. 2. Gronden 2.1. Belanghebbende is minderjarig en staat onder het ouderlijk gezag van haar vader, [A] (hierna: de wettelijk vertegenwoordiger), en haar moeder, [B]. 2.2. Belanghebbendes vermogen was in de onderhavige jaren lager dan het heffingvrij vermogen als bedoeld in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Belanghebbende genoot in de onderhavige jaren geen inkomsten uit werk en woning of inkomsten uit aanmerkelijk belang. 2.3. Op 9 december 2015 heeft de wettelijk vertegenwoordiger namens belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2012 nihilaangiften IB/PVV ingediend. De aanslagen zijn overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd. 2.4. Bij uitspraken op bezwaar van 14 april 2016 heeft de inspecteur de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen richten zich de beroepen. 2.5. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: I. Is belanghebbendes beroep op een vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht terecht afgewezen? II. Is sprake van een schending van het motiveringsbeginsel? III. Is sprake van een schending van het hoorrecht? IV. Heeft de inspecteur alle op de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd (artikel 8:42 Awb)? IV. Is het niet toekennen van de algemene heffingskorting aan een minderjarig kind dat onder ouderlijk gezag staat in strijd met (het doel van) de wettelijke regeling en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artikelen 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en/of de artikelen 2, 3, 32 en 36 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)? Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen waarbij een teruggaaf wordt verleend ter hoogte van de algemene heffingskorting en subsidiair tot een vermindering van de aanslagen tot aanslagen waarbij een teruggaaf van de algemene heffingskorting wordt verleend tot de bedragen waarover de ouders box-3-heffing verschuldigd zijn. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Vrijstelling griffierecht wegens betalingsonmacht 2.6. B Over de niet-ondertekende aangiften heeft de inspecteur verklaard dat als de aangiften digitaal zijn ingediend, zoals in dit geval, enkel de door hem verstrekte documenten uit het systeem kunnen worden gehaald. Verder heeft de inspecteur verklaard dat hij niet (heeft) beschikt over de bankgegevens van belanghebbende per 1 januari 2010. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de verklaring van de inspecteur te twijfelen. Daarom kan niet worden gezegd dat de inspecteur niet alle stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb heeft overgelegd. Algemene heffingskorting 2.9. Artikel 8.8 van de Wet IB 2001 (tekst 2012) luidt als volgt: ‘ Artikel 8.8. Maximum gecombineerde heffingskorting De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.’ Gelet op artikel 8.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 (tekst 2012) wordt onder ‘gecombineerde heffingskorting’ verstaan: ‘het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten’ . Gelet op artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (tekst 2012) wordt onder ‘gecombineerde inkomensheffing’ verstaan: ‘het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen;’ . 2.10. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2012) luidt als volgt: ‘ Artikel 8.10. Algemene heffingskorting 1. De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. 2.11. De wettelijk vertegenwoordiger heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende recht heeft op de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Het wel toerekenen van de inkomstenbestanddelen aan belanghebbendes ouders maar het niet-verlenen van de algemene heffingskorting strookt volgens hem niet met (het doel van) de wettelijke regeling. De rechtbank verwerpt deze stelling en overweegt daartoe als volgt. Gelet op artikel 8.10, eerste lid, van de Wet IB 2001 heeft in beginsel iedere belastingplichtige – zo ook een minderjarig kind – recht op de algemene heffingskorting. Gelet op artikel 8.8 van de Wet IB 2001 kan belanghebbende de algemene heffingskorting in de onderhavige jaren echter niet effectueren omdat zij – behoudens haar inkomen uit sparen en beleggen waarvan de rendementsgrondslag gelet op artikel 2.15, tweede lid, van de Wet IB 2001 aan haar ouder(s) wordt toegerekend – geen inkomsten geniet. Nu haar gecombineerde inkomensheffing daarmee op nihil wordt vastgesteld, bedraagt de maximale gecombineerde heffingskorting ook nihil. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur de wettelijke regeling juist toegepast. 2.12. Voorts heeft de wettelijk vertegenwoordiger – zakelijk weergegeven – gesteld dat de Wet IB 2001 een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen enerzijds een minderjarig kind, zoals belanghebbende, dat onder ouderlijk gezag staat en waarvan de ouders de algemene heffingskorting volledig hebben benut en anderzijds (1) een meerderjarig kind dat zelfstandig aangifteplichtig is, (2) een minderjarig kind dat niet onder ouderlijk gezag staat dan wel (3) een minderjarig kind dat weliswaar onder ouderlijk gezag staat maar waarvan de ouders de algemene heffingskorting nog niet volledig hebben benut. Volgens belanghebbende houdt dat onderscheid in dat een kind in de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde gevallen bij het aangeven van box 3-vermogen (gedeeltelijk) – al dan niet via de aangifte(n) van de ouder(s) – recht heeft op de algemene heffingskorting en een minderjarig kind waarvan het box 3- vermogen wordt toegerekend aan de ou