Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2017-06-15
ECLI:NL:RBZWB:2017:3768
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,425 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 17/664 AW
uitspraak van 15 juni 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 januari 2017 (bestreden besluit) van het college inzake het aan haar verleende ontslag ten gevolge van arbeidsongeschiktheid.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] .
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres is sinds 1 november 1987 werkzaam bij de gemeente Oosterhout, laatstelijk in de functie van administratief medewerkster/afdelingsassistente voor 16 uur per week.
Sinds 18 januari 2000 ontvangt eiseres een WAO-uitkering, laatstelijk naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% (per 29 juli 2014).
Op 1 juli 2014 heeft eiseres zich ziek gemeld.
Bij brief van 7 december 2015 heeft het college aan eiseres het voornemen om aan haar ontslag te verlenen, kenbaar gemaakt. Bij brief van 18 februari 2016 heeft eiseres gereageerd op dit voornemen.
Op 29 maart 2016 heeft het college een functieongeschiktheidsadvies aangevraagd bij het UWV.
Bij brief van 8 juli 2016 heeft het UWV aan het college onder meer meegedeeld dat eiseres op 30 juni 2016 inderdaad twee jaar lang door ziekte of gebrek ongeschikt is geweest voor het verrichten van haar functie en dat herstel binnen zes maanden niet te verwachten is. Aan dit oordeel ligt een arbeidskundig rapport van 8 juli 2016 ten grondslag.
Bij besluit van 23 augustus 2016 (primair besluit) heeft het college aan eiseres eervol ontslag verleend per 1 september 2016. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens is eiseres van mening dat het college zijn taak als werkgever niet correct heeft uitgevoerd.
Eiseres ontkent gedurende de re-integratie werk te hebben geweigerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft ze een verslag met de door haar verrichte werkzaamheden overgelegd. Verder heeft eiseres opgemerkt dat haar geen reële mogelijkheden tot een haalbare re-integratie zijn gegund. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres verwezen naar een aantal e-mailberichten.
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding omdat het ontslag aan het college te wijten is.
3. In artikel 7:9, eerste lid, van het Car-Uwo is bepaald dat het college verplicht is zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.
In artikel 8:5, eerste lid, van het Car-Uwo, zoals dat gold op 30 juni 2006, is bepaald dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking.
In artikel 8:5, tweede lid, van het Car-Uwo, zoals dat gold op 30 juni 2006, is bepaald dat een ontslag als bedoeld in het eerste lid slechts mag plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden;
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten;
c. het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.
In artikel 8:5, derde lid, van het Car-Uwo, zoals dat gold op 30 juni 2006, is bepaald dat het bestuursorgaan voor het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, advies inwint bij een door de uitvoeringsinstelling daartoe aangewezen medisch deskundige.
In artikel 8:18, derde lid, van het Car-Uwo is bepaald dat op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben [bedoeld is: heeft] op een WAO-uitkering, de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing zijn. In het vierde lid is bepaald dat op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing zijn.
4.1
Niet in geschil is dat eiseres 24 maanden ziek is geweest en dat haar eigen werk niet geschikt is voor haar. In geschil is of het college voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
4.2
Aan de stelling van het college dat er geen passende structurele functies binnen de gemeente zijn, heeft het college een rapport van een arbeidsdeskundige van Margolin ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat met dit rapport een gedegen onderbouwing wordt gegeven voor de stelling dat er geen passende functies aanwezig zijn. De arbeidsdeskundige heeft immers per afzonderlijke functie in de schalen 4 tot en met 6, waaronder ook de functie van administratief medewerkster II, gemotiveerd waarom deze functies niet passend zijn voor eiseres. Ter zitting heeft eiseres weliswaar gesteld dat zij een geschikte functie binnen de gemeente heeft gevonden, maar eiseres heeft niet kunnen zeggen welke functie dit dan zou zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige van Margolin dat er geen structurele passende functies zijn voor eiseres. Overigens blijkt uit de stukken ook dat eiseres en het college het erover eens waren dat er geen of nauwelijks mogelijkheden voor eiseres zijn. Als voorbeeld wijst de rechtbank op de eerstejaarsevaluatie waarin vermeld staat dat zowel werkgever als eiseres geen mogelijkheid voor haar zien om werk te verrichten.
4.3
Ter zitting heeft eiseres gesteld dat, als er met taken geschoven zou zijn en er een ander takenpakket gecreëerd zou worden (jobcarving), de re-integratie zeker gelukt zou zijn. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of het college gehouden was om via jobcarving een passend takenpakket voor eiseres te creëren.
De rechtbank stelt vast dat het Car-Uwo geen verplichting aan het college oplegt om een passende functie te creëren in de door eiseres gestelde zin. Ook vloeit een dergelijke verplichting niet voort uit de rechtspraak. De gemachtigde heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat jobcarving gemeengoed is geworden en daarmee het college ook verplicht was die mogelijkheid te onderzoeken, gewezen op een uitspraak van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2015:2717. Nog los van het gegeven dat deze uitspraak ziet op het ondernemingsrecht, kan in deze uitspraak niet de verplichting tot het inzetten van jobcarving worden gelezen. In die uitspraak komt het fenomeen jobcarving eenmalig ter sprake, genoemd door de gemeente die in die procedure procespartij was (een andere gemeente dan in deze zaak) als voorbeeld van onderwerpen die in de centrale ondernemingsraad worden besproken. Het gerechtshof heeft zich niet uitgelaten over het al dan niet bestaan van een verplichting tot jobcarving. Nu ook anderszins niet blijkt van een bestaande verplichting tot jobcarving en de rechtbank daar in het geval van eiseres evenmin aanleiding voor ziet is de rechtbank van oordeel dat niet van het college verlangd kon worden deze mogelijkheid nader uit te werken.
4.4
Voor de onderbouwing van haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft eiseres verwezen naar de bijstelling van het plan van aanpak. In dit plan is onder punt 3.1 opgemerkt: “het einddoel is re-integreren in een aangepaste functie (die nog gevonden moet worden middels 2e spoor of mogelijkheden jobcarving bij de huidige werkgever)”.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. C.E.M. Marsé, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.