Rechtspraak 1999-02-08
ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3553
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: 97/874 BESLU 58 UITSPRAAK in het geding tussen: A te B, eiser, en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 24 maart 1997. 2. Feiten Ingaande 29 november 1995 is eisers 18-jarige dochter door het Jongeren Advies Centrum (JAC) te Apeldoorn in het kader van zogeheten vrijwillige residentiële hulpverlening geplaatst in een voorziening ingevolge de Wet op de jeugdhulpverlening (WJHV). Bij besluit van 27 januari 1996 is aan eiser terzake van genoemde plaatsing ingaande 10 januari 1996 een ouderbijdrage opgelegd ad f 210,- per maand. Namens eiser is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. 3. Procesverloop Namens eiser is door mevr. mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens heeft verweerder - onder overlegging van nadere stukken - zijn standpunt nog schriftelijk toegelicht. Voorts zijn vragen van de rechtbank beantwoord. Het beroep is behandeld ter zitting van 25 januari 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Schalken voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Nobels en mr. V.Th.E. Kuipers. 4. Gronden 4.1 Ingevolge artikel 41a van de WJHV zijn de onderhoudsplichtige ouders aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf van een jeugdige in een op grond van die wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening, niet zijnde een voorziening van ambulante hulpverlening. Ingevolge lid 2 van genoemd artikel wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf. Omtrent de hoogte van de bijdrage worden bij of krachtens Algemene maatregel van bestuur (Amvb) regels gesteld. Ingevolge artikel 1 van het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (Besluit van 26 april 1995, Stb. 226; hierna : het Besluit bijdragen) bedraagt de hoogte van de hiervoor bedoelde ouderbijdrage voor een kind van 12 tot en met 20 jaar indien het residentiële hulpverlening of pleegzorg betreft f 210,- per maand. 4.2 Namens eiser is kort gezegd aangevoerd dat de hulpverlening aan zijn dochter op onzorgvuldige wijze en op onjuiste gronden tot stand is gekomen. Voorts heeft eiser betoogd dat zijn financiële situatie betaling van de maandelijkse ouderbijdrage niet toelaat. 4.3 Niet in geding is dat eiser ingevolge de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek terzake van zijn destijds 18-jarige dochter als onderhoudsplichtig valt aan te merken. Mitsdien is op eiser naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel 41a WJHV van toepassing. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat - anders dan voor minderjarige jeugdigen in artikel 41c van de WJHV is bepaald - bij vrijwillige hulpverlening aan meerderjarige jeugdigen niet voorzien is in de mogelijkheid om als ouder tegen die hulpverlening bezwaar te maken, als gevolg waarvan geen ouderbijdrage meer verschuldigd zou zijn. De rechtbank stelt voorts vast dat de WJHV en het daarop gebaseerde Besluit bijdragen, zoals die regelgeving per 1 mei 1995 is komen te luiden, uitgaan van een systeem van vaste ouderbijdragen. Blijkens de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel (zie onder meer de nota van wijziging, kamerstukken 1992-1993, nr. 22060, nr. 6, pagina 3) is daarbij beoogd de hoogte van de bijdragen zoveel mogelijk te doen corresponderen met de hoogte van de kinderbijslag, welke voor de betreffende jeugdige wordt ontvangen. Daarbij is de wetgever er van uit gegaan dat de ouderbijdrage door de bijdrageplichtige, ook als deze een inkomen op bijstandsniveau zou genieten, in feite uit de voor de jeugdige ontvange