Rechtspraak 1999-06-15
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3755
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT sector bestuursrecht nrs. AWB 99/1040 VV en 99/1069 VV Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de geschillen tussen: A te B, en 2. C te D, wonende te Nieuwegein, verzoekers, en de raad van de gemeente Nieuwegein, verweerder. 1. VERLOOP VAN DE PROCEDURES 1.1Op 15 april 1999 (raadsvoorstel 1999-165) heeft verweerder onder meer besloten het verzoek tot het houden van een raadplegend referendum over raadsvoorstel 1998-555 inzake het Masterplan Binnenstad Nieuwegein 2010 ontvankelijk te achten, dit referendum te houden op 23 juni 1999 en de vraagstelling voor het referendum vast te stellen overeenkomstig het advies van de Commissie Vraagstelling, zoals dat bij het raadsvoorstel 1999-092 is gevoegd. 1.2 Bij brieven van 6 mei 1999, respectievelijk 5 mei 1999, aangevuld op 31 mei 1999, hebben verzoekers tegen dit raadsbesluit een bezwaarschrift bij verweerder respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein ingediend. 1.3 Bij schrijven van 25 mei 1999, respectievelijk bij ongedateerd, op 27 mei 1999 ingekomen, schrijven, hebben verzoekers aan de president van de recht bank verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuurs recht (Awb). 1.4 Het verzoek is op 14 juni 1999 ter zitting behandeld, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, verzoekster sub 2, bijgestaan door J. Verbeek wo nende te Nieuwegein. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mrs J.E.M. Polak en F. Barkhuijsen, advocaten te Amsterdam. Zijdens verweerder zijn voorts verschenen mr G. Hoekstra, H. van der Ven en G.M. Rikhof, ambte naren van de gemeente Nieuwegein. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de presi dent van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op ver zoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Verzoekers hebben tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit waarop de verzoeken betrekking hebben en deze rechtbank is in de hoofdzaken bevoegd. Feiten. 2.4 Verweerder heeft op 5 maart 1998 de Referendumverordening Nieuwegein 1998 (hierna te noemen: de verordening) vastgesteld. Op grond van deze ver- ordening is het mogelijk in de gemeente Nieuwegein, op kiezers- dan wel raadsinitiatief, een raadplegende volksstemming te houden waarbij de kiesge- rechtigden zich kunnen uitspreken over een door de gemeenteraad te nemen besluit. 2.5 Op 2 december 1998 heeft A verweerder verzocht hem handtekeningenlijsten ter beschikking te stellen voor het aanvragen van een referendum met betrekking tot de plannen voor het stadscentrum van Nieuwegein. 2.6 Op 16 en 17 december 1998 heeft verweerder beraadslaagd over de (afzonderlijke) raadsvoorstellen: - Sociaal plan binnenstad (1998-572), - Derde wijziging van de Verordening op de raadscommissies (instelling commissie Binnenstad) (1998-557), - Locatie huidige gemeentehuis/warenhuis (1998-571), - Tijdelijke huisvesting gemeentelijk apparaat Nieuwegein (1998-558) en - Masterplan Binnenstad 2010 (1998-555). Verweerder heeft op 17 december 1998 besloten dat over deze raadsvoorstellen niet op initiatief van de raad referenda zullen worden gehouden. 2.7 Op 23 december 1998 heeft een initiatiefgroep, samengesteld naar aanleiding van de raadsvoorstellen met betrekking tot de binnenstad van Nieuwegein, waar J. Verbeek deel van uitmaakte, handtekeningenlijsten verkregen ten behoeve van het aanvragen van een referendum over het voorgenomen raadsbesluit 1998-555, het Masterplan 2.14 A heeft - kort samengevat- ter ondersteuning van zijn verzoek aangevoerd dat de inhoud van het Masterplan Binnenstad Nieuwegein 2010 en daarmee het onderwerp van het referendum te beperkt en onduidelijk is. Voorts acht hij aspecten van de door verweerder gevolgde procedure onjuist. B heeft aangevoerd dat zij het referendum onrechtmatig acht, met name omdat verweerder op 28 januari 1999 al heeft besloten tot verhuizing van het gemeentehuis, waardoor deze verhuizing de facto is onttrokken aan het referendum over het Masterplan Binnenstad Nieuwegein 2010. 2.15 In het kader van dit geschil ligt derhalve met name de vraag voor of verweerder op goede grond heeft kunnen besluiten om slechts het raadsvoorstel 1998-555 Masterplan Binnenstad Nieuwegein 2010 aan een referendum te onderwerpen en niet de hiervoor genoemde separaat voorgelegde raadsvoorstellen 1998-557, 558, 571 en 572 met betrekking tot de binnenstad van Nieuwegein, welke voorstellen op 28 en 29 januari 1999 tot besluitvorming door verweerder hebben geleid. 2.16 Met het vaststellen van de agenda op 5 januari 1999 voor de raadsvergadering van 28 en 29 januari 1999 stond vast dat de diverse onderdelen met betrekking tot verweerders plannen aangaande de binnenstad van Nieuwegein, waaronder het plan met betrekking tot de voorgenomen verhuizing van het gemeentehuis, in aparte raadsvoorstellen waren neergelegd. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, moet worden aangenomen dat het B en J. Verbeek, mede-initiatiefneemster in de procedure tot het aanvragen van een referendum aangaande raadsvoorstel 1998-555, op dat moment duidelijk moet zijn geweest, dat het door de initiatiefgroep gedane verzoek uitsluitend betrekking had op het houden van een referendum over het raadsvoorstel 1998-555. Zulks blijkt eveneens uit het op de ingeleverde hand- tekeningenlijsten omschreven raadsvoorstel en verweerders schrijven van 22 januari 1999. Hier kan niet aan af doen dat de verplaatsing van het gemeentehuis wordt genoemd in het bij het Masterplan Binnenstad Nieuwegein 2010 behorend Operationeel plan binnenstad 1999-2002. De intentie tot het realiseren van een warenhuis op de huidige plaats van het gemeentehuis is nadrukkelijk vastgelegd in het eerder genoemde separaat raadsvoorstel 1998-571 waarover besluitvorming heeft plaats gevonden in verweerders vergadering van 28 januari 1999. Het had B en anderen vrij gestaan tegen het raadsbesluit van 28 januari 1999 een bezwaarschrift in te dienen, indien zij van oordeel zou(den) zijn dat daarmee haar uit de verordening voortvloeiende rechten zouden zijn geschonden. Het raadsbesluit met betrekking tot het gemeentehuis heeft thans formele rechtskracht, zodat reeds hierom in hetgeen van de zijde van verzoekers dienaangaande is aangevoerd geen aanleiding tot schorsing van het door hen bestreden besluit van 15 april 1999 is gelegen. 2.17 A heeft op 2 december 1998 een verzoek tot verweerder gericht om medewerking aan de voorbereiding voor het aanvragen van een volksraadpleging over de plannen voor het stadscentrum van Nieuwegein. Dat verweerder dit verzoek heeft opgevat als een verzoek met betrekking tot het raadsvoorstel 1998-555 is op zich niet onbegrijpelijk, nu verzoekers schrijven van 2 december 1998 niet refereerde aan een specifiek raadsvoorstel. Nadat verzoeker op 6 januari 1999 verweerder heeft verzocht om toezending van handtekeningenlijsten ook ten aanzien van andere raadsvoorstellen, heeft verweerder verzoeker eerst op 28 januari 1999 in het bezit gesteld van handtekeningenlijsten voor een inleidend verzoek tot het houden van referenda over de overige raadsvoorstellen, zonder daarbij te vermelden dat over deze raadsvoorstellen besluitvorming zou plaatsvinden zonder een voorafgaand referendum. A heeft de verkregen handtekeningenlijsten niet ingevuld aan verweerder geretourneerd en heeft geen inleidend verzoek tot het houden van andere referenda ingediend. 2.18 De jegens A begane procedurele onzorgvuldigheid laat onverlet dat verweerder,