Rechtspraak 1999-07-07
ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3625
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: 96/3309 Anw UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: A te B, e i s e r e s, tegen het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, v e r w e e r d e r. 1.VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij schrijven van 15 november 1996 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar pensioen ingevolge de Algemene Weduwenen Wezenwet (AWW) met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Hiertegen heeft eiseres bij schrijven van 22 november 1996 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 december 1996 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit bij schrijven van 7 december 1996 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Verweerder heeft op 3 maart 1997 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Het geding is, gevoegd met de gedingen 96/3423Anw, 97/390 Anw, 97623 Anw, 97/2124 Anw en 97/2385 Anw, behandeld ter zitting van 10 juni 1999. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door J.H.M. Boerland en H.E.C. Santoro-van Halm Braam. Verweerder is verschenen bij gemachtigde J.A. Schimmel. Na de zitting heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de zaken wordt gesplitst en dat in elke zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan. 2. OVERWEGINGEN Eiseres ontving in verband met het overlijden van haar echtgenoot, met ingang van 1 juli 1991 een AWW-pensioen. In artikel 105, eerste lid, van de Anw – in werking getreden op 1 juli 1996 – is bepaald dat de AWW per 1 juli 1996 wordt ingetrokken. Artikel 67, eerste lid, aanhef van de Anw luidt: “Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwenen Wezenwet overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering, met dien verstande dat (…)”. Bij schrijven van 5 november 1996 heeft eiseres naar aanleiding van door verweerder toegezonden informatie over de wetswijziging hiertegen bezwaar aangetekend en verweerder verzocht haar een omzettingsbeschikking te doen toekomen. Bij schrijven van 15 november 1996 – door verweerder aangeduid als omzettingsbeschikking – heeft verweerder eiseres het volgende medegedeeld: “ Aan u werd met ingang van 1 juli 1991 een AWW-pensioen toegekend. De Algemene Weduwenen Wezenwet is per 1 juli 1996 vervangen door de Algemene nabestaandenwet (Anw). Op grond van de Algemene nabestaandenwet is per 1 juli 1996 uw AWW-pensioen omgezet in een Anwnabestaandenuitkering. Deze nabestaandenuitkering is, evenals uw AWW-pensioen, gelijk aan 70% van het minimumloon. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 67 van de Algemene nabestaandenwet.” De rechtbank ziet aanleiding allereerst te bezien of de omzettingsbeschikking is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank is van oordeel dat de omzetting van het AWW-pensioen in een nabestaandenuitkering op grond van de Anw niet voortvloeit uit een besluit van verweerder. De omzetting vloeit immers rechtstreeks voort uit artikel 105 van de Anw waarin de intrekking van de AWW is geregeld in samenhang met artikel 67, eerste lid, van de Anw op grond waarvan reeds toegekende AWW-pensioenen worden aangemerkt als Anwnabestaandenuitkeringen. De mededeling van de omzetting bevat dan ook geen door verweerder beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg. Ten gevolge van het op eiseres van toepassing zijnde overgangsrecht wordt een eventuele wijziging in haar rechtspositie juist ui