Rechtspraak 2006-06-20
ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7462
Bestuursrecht
Rechtbank ‘s-Gravenhage sector bestuursrecht derde afdeling, meervoudige kamer Reg. nr. AWB 05/2273 AW UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [A.], wonende te [B.], eiser, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder. I. Ontstaan en loop van het geding 1. Eiser heeft na zijn ontslag per 1 augustus 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend om loonaanvulling. Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft verweerder aan eiser een loonaanvulling toegekend. Vanaf 1 augustus 2004 is dit een aanvulling tot 100% van het bovenwettelijke dagloon dat eiser zou hebben gehad als hij werkloos was geworden. Vanaf 1 november 2007 is dit een loonaanvulling tot 95% van het bovenwettelijke dagloon dat eiser zouden hebben gehad als hij werkloos was geworden. Deze aanvulling ontvangt eiser tot en met uiterlijk 31 januari 2011. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. 2. Bij besluit van 22 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 april 2005 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 1 juni 2005 een verweerschrift ingediend. 3. De zaak is op 15 mei 2006 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. II. Motivering 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan. 2. Eiser is sinds 11 augustus 1986 in dienst van de Stichting Christelijk Onderwijs Haaglanden voor basis- en (voortgezet) speciaal onderwijs als groepsleraar in het Onderwijs Allochtone Levende Talen (OALT) met functieschaal 9. 3. Met ingang van 1 augustus 2002 werden OALT-leerkrachten verplicht de Nederlandse taal goed te beheersen. Om die reden dienden zij het diploma NT2 te behalen, dan wel diende er een redelijke verwachting te bestaan dat zij het diploma zouden behalen. Zij verkregen twee jaar de tijd om dit diploma te behalen en behoefden niet per 1 augustus 2002 ontslagen te worden wegens onbekwaamheid. 4. OALT-leerkrachten die niet konden voldoen aan de verscherpte bekwaamheidseisen en een andere dienstbetrekking aanvaardden met een lager maximumsalaris kwamen in aanmerking voor loonsuppletie. Deze loonsuppletie gaf de eerste vijf jaar een volledige aanvulling tot het salaris van OALT-leerkracht en daarna 90% tot aan de pensioenleeftijd. Een en ander is vastgelegd in Sociaal Plan 1. 5. In mei 2004 heeft eiser het NT2 diploma niet gehaald. 6. Per 1 augustus 2004 is de subsidie voor het OALT onderwijs stopgezet. Voor deze situatie is Sociaal Plan 2 opgesteld. Ook in dit plan is een loonsuppletieregeling opgenomen: de hoogte van de loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds gedurende de eerste helft van de periode waarover bij werkloosheid recht zou bestaan op een uitkering krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO), de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO - dit is een aanvulling tot 100% van het oude inkomen - en gedurende de tweede helft van die periode een aanvulling tot 95% van het oude inkomen. 7. Bij besluit van 13 juli 2004 is eiser met ingang van 1 augustus 2004 ontslagen als OALT-leerkracht wegens opheffing van de betrekking. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. 8. Per 1 augustus 2004 is eiser door zijn werkgever benoemd in de functie van onderwijsassistent in schaal 4. 9. Tengevolge van zijn inkomensachteruitgang heeft eiser bij verweerder loonaanvulling aangevraagd. Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft verweerder aan eiser loonaanvulling toegekend als vermeld in rubriek I, punt 1 van deze uitspraak. 10. Eiser heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij niet is ontslagen omdat zijn betrekking werd opgeheven (vanwege het stopzetten van de subsidie) maar omdat hij niet voldeed aan de verscherpte bevoegdheidseisen voor leraren in het OALT. Om die reden is op hem het Sociaal Plan 1 van toepassing. Zijn ontslag viel toevalligerwijs samen met de stopzetting van de subsidies. Ten onrechte is op hem dan ook het Sociaal Plan 2 toegepast. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onderzoek had dienen te verrichten naar de werkelijke ontslaggrond. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet is ontslagen wegens het opheffen van zijn betrekking maar wegens het feit dat hij niet beschikte over het NT2 diploma heeft eiser een brief van zijn werkgever van 21 oktober 2004 overgelegd. In deze brief deelt de werkgever mede: 'Zou echter het kabinet het besluit tot intrekking van de OALT-subsidie niet genomen hebben, dan nog zouden wij u per 1 augustus 2004 hebben ontslagen als OALT-leerkracht en u hebben aangesteld als onderwijsassistent cq u outplacement hebben aangeboden. Uit bovenstaande moge mijns inziens voldoende blijken dat het niet voldoen aan de verscherpte kwalificatievereisten voor ons de primaire reden is geweest u als OALT-leerkracht te ontslaan.' 11. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 12. Artikel 15, eerste lid, van het BBWO bepaalt dat de betrokkene, wiens recht op bovenwettelijke uitkering binnen de duur, bedoeld in het zevende lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking, recht heeft op loonsuppletie indien het onverminderde loon in zijn nieuwe dienstbetrekking minder bedraagt dan de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, dan wel, als het negende lid, onderdeel b, of het tiende lid van toepassing is, minder bedraagt dan het daar bedoelde deel van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. 13. Het negende lid van dit artikel bepaalt dat de loonsuppletie gelijk is aan het verschil tussen enerzijds het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds: a. in de eerste helft van de duur van de bovenwettelijke uitkering, bedoeld in het zevende lid: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, b. in de tweede helft van de duur van de bovenwettelijke uitkering, bedoeld in het zevende lid: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat geldt over de berekeningsperiode. 14. Ingevolge artikel 15a, eerste lid, van het BBWO zijn de bepalingen van artikel 15, tenzij in dit artikel anders is bepaald, van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die als gevolg van de beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen per 1 augustus 2004, dan wel op de betrokkene die is aangesteld of benoemd voor het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen en die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos dreigt te worden en die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking aanvaardt met een lager maximum salaris dan waarop hij in zijn oude dienstbetrekking recht had. 15. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is, in afwijking van het zevende en negende lid van artikel 15, de loonsuppletie voor de betrokkene bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover het betreft de betrokkene die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven werkloos dreigt te worden dan wel werkloos is geworden, gelijk aan het verschil tussen enerzijds het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds: a. in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag; b.