Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-21
ECLI:NL:RBROT:2026:9818
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11426 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen), en de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) , (gemachtigde: mr. E. Dans). Inleiding en procesverloop 1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) van 17 april 2023. Erasmus MC heeft bij twee deelbesluiten op dit verzoek beslist. Deze zaak gaat alleen over het eerste deelbesluit (deelbesluit I) dat aan eiser is toegezonden op 5 juni 2023. 1.1. Bij deelbesluit I heeft Erasmus MC beslist op (punten 1 tot en met 14 van) het Woo-verzoek en het verzoek tot openbaarmaking integraal geweigerd. Het bezwaar van eiser tegen dit deelbesluit I is bij besluit van 3 november 2023 ongegrond verklaard. Het door eiser daartegen ingestelde beroep (bij de rechtbank geregistreerd met het procedurenummer ROT 24/719) is bij uitspraak van 25 september 2024 gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 3 november 2023 is vernietigd en Erasmus MC is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de uitspraak. 1.2. Eiser heeft op 12 december 2024 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op zijn bezwaar. 1.3. Op 12 februari 2025 heeft Erasmus MC alsnog opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit. 1.4. Op 26 maart 2025 heeft eiser zijn gronden tegen het besluit van 12 februari 2025 (bestreden besluit) ingediend. 1.5. Erasmus MC heeft bij besluit van 26 november 2025 het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat alsnog gedeeltelijke openbaarmaking van één document heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit. 1.6. Erasmus MC heeft de stukken waar het verzoek om openbaarmaking op ziet in een gelakte en in een ongelakte versie aan de rechtbank overgelegd met het verzoek om voor de ongelakte versie toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb , neemt alleen de rechtbank kennis van de ongelakte versie van deze documenten. 1.7. Erasmus MC heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.8. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [gemachtigde] . Totstandkoming van en inhoud van het bestreden besluit zoals gewijzigd bij het besluit van 26 november 2025 2. Eiser was als [functie] werkzaam bij Erasmus MC. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Erasmus MC ontbonden wegens verwijtbaar handelen van eiser. Eiser is daarbij verweten het integriteitsbeleid van Erasmus MC te hebben geschonden door over een tijdvak van meerdere jaren met verschillende studenten en/of ondergeschikten uit zijn werkomgeving relaties aan te gaan, zonder hiervan melding te doen aan zijn leidinggevende. 2.1. Op 17 april 2023, heeft eiser met een beroep op de Woo verzocht om verstrekking van alle documenten waarover Erasmus MC beschikt inzake, kort samengevat, alles wat betrekking heeft op de meldingen over eiser, het integriteitsonderzoek en het arbeidsrechtelijke traject en de totstandkoming van het integriteitsbeleid. Daarop is bij deelbesluit I beslist. 2.2. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag een verzoek van eiser afgewezen om afschrift van of inzage in bescheiden die betrekking hebben op de meldingen die over hem zijn gedaan, de integriteitsonderzoeken die naar aanleiding daarvan zijn verricht en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden. 2.3. Het tegen de besluiten (waaronder deelbesluit I) van Erasmus MC gemaakte bezwaar en vervolgens bero Eiser bestrijdt dat Erasmus MC niet over de (integriteits)meldingen beschikt omdat uit het bestreden besluit blijkt dat Erasmus MC daar wel over beschikt nu onder punt 3 van het bestreden besluit een belangenafweging is gemaakt waarna besloten is om geen documenten openbaar te maken met informatie over de meldingen. Verder stelt eiser – kort gezegd – dat de meldingen die onder de ombudsman berusten, ook onder Erasmus MC berusten omdat deze ombudsman immers een werknemer van het Erasmus MC is. Op de zitting heeft eiser aangevuld dat wat een interne ombudsman doet voor de burger te controleren moet zijn; controle door en binnen de eigen organisatie is niet voldoende. 10. De rechtbank overweegt dat Erasmus MC afdoende heeft toegelicht dat en waarom hij niet beschikt over de meldingen. Erasmus MC heeft toegelicht dat de ombudsman bevoegd is en mandaat heeft om naar aanleiding van meldingen van medewerkers van het Erasmus MC over sociale onveiligheid, ongewenst gedrag of schendingen van integriteit, een onafhankelijk onderzoek te verrichten. Daartoe is het Reglement Ombudsman Sociale Veiligheid (Reglement) opgesteld. Artikel 10 van het Reglement bepaalt dat de ombudsman als enige toegang heeft tot de bij hem in behandeling zijnde dossiers, waaronder concreet ook de bij hem ingediende meldingen. Vertrouwelijkheid van alle informatie-uitwisseling tussen de ombudsman en melders is essentieel voor het goed functioneren van de ombudsman. Vanwege deze vertrouwelijkheid heeft Erasmus MC géén toegang tot de meldingen. Hij heeft de meldingen zelf nooit gezien. Over de belangenafweging waar eiser op wijst, heeft Erasmus MC toegelicht dat hij enkel bekend is met de inhoud van de meldingen voor zover daarover informatie met hem is gedeeld door de ombudsman en/of anderen overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het Reglement . Het is voor die documenten dat het Erasmus MC een belangenafweging heeft gemaakt en heeft besloten om informatie over de inhoud van de meldingen niet openbaar te maken. Gelet op de inhoud van artikel 7, tweede lid, van het Reglement is het alleszins aannemelijk en ook goed te verenigen met de gegeven motivering, dat Erasmus MC niet beschikt over de meldingen zelf. Erasmus MC stelt dat de meldingen gedaan bij zijn interne ombudsman vanwege de vertrouwelijke aard van de meldingen niet geacht kunnen worden onder hem te berusten. Hij betoogt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 januari 2009 – naar het oordeel van de rechtbank terecht dat anders het noodzakelijkerwijs, ook ten opzichte van Erasmus MC in acht te nemen, vertrouwelijke karakter daarvan dan niet zou zijn gewaarborgd. Tweede integriteitsonderzoek 11. Het is vaste rechtspraak dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust . 12. Eiser betwist dat er geen (tweede) integriteitsonderzoek zou hebben plaatsgevonden. Hij verwijst naar het door hem overgelegd proces-verbaal van de zitting in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024 en door hem overgelegd gespreksverslag van 31 oktober 2022 (bedoeld wordt 17 oktober 2022). Op zitting heeft eiser aangevoerd dat er een opdracht moet zijn van Erasmus MC aan de advocaat omdat een advocaat zulk onderzoek niet uit zichzelf gaat doen en de advocaat tijdens het gesprek zelf heeft bevestigd in feite nieuw onderzoek uit te voeren. De advocaat heeft (kennelijk in dat kader van onderzoek) ook met anderen gesproken. 13. Erasmus MC heeft op de zitting gesteld dat de advocaat van Erasmus MC enkel en alleen als advocaat is aangesteld om Erasmus MC te vertegenwoordigen in het kader van de arbeidsr Erasmus MC stelt alleen namen van medewerkers die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden niet openbaar te hebben gemaakt. De persoonlijke gegevens van medewerkers van het Erasmus MC zijn niet openbaar gemaakt omdat deze informatie zonder onevenredige inspanning van derden, zowel intern als extern, direct of indirect te herleiden is tot de identiteit van de betrokken medewerkers. Het zijn namelijk medewerkers met een bepaalde expertise en waarbij het zeer voor de hand ligt dat deze medewerkers bij deze zaak (met unieke herkenbare factoren) betrokken zijn. Gelet op rechtspraak dient tevens informatie onleesbaar te worden gemaakt indien deze informatie op een indirecte wijze tot personen te herleiden is. Niet alleen de gegevens op zichzelf maar ook de context waarbinnen zij gepresenteerd worden is van belang. Het belang van privacy en de bescherming van medewerkers weegt zwaarder dan het belang van openbaarbaarheid. 17.2. De rechtbank heeft aan de hand van de ongelakte stukken gezien dat – voor zover er namen zijn gelakt – het gaat om personen die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. De rechtbank overweegt dat ook het afdelingshoofd niet vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Dat geldt ook voor de ombudsman. Deze is aangesteld met als taak bij te dragen aan optimale sociale veiligheid en een open werk- en studieklimaat voor alle medewerkers en studenten binnen de organisatie Erasmus MC. Dat is een intern gerichte taak voor de (private) organisatie Erasmus MC. Dat maakt dat de interne ombudsman niet vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Hun namen/persoonlijke gegevens zijn dus terecht niet openbaar gemaakt. Verder stelt eiser een persoonlijk belang te hebben bij kennisneming van de namen waardoor het belang van de openbaarheid hier zwaarder zou moeten wegen. Een persoonlijk belang van de Woo-verzoeker (in dit geval eiser) speelt echter geen rol bij de beoordeling of de gevraagde stukken al dan niet openbaar moeten worden gemaakt. Bij die beoordeling speelt alleen mee of de uitzonderingsgronden in de Woo aan openbaarmaking van de documenten in de weg staan. Dat in een civiele procedure wel namen zijn genoemd, betekent niet dat die namen openbaar zijn in de zin van de Woo en maakt de door Erasmus MC te maken afweging dan ook niet anders. 17.3. De rechtbank heeft wel geconstateerd dat deze uitzonderingsgrond (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo) bij de volgende (gedeelten van) documenten ten onrechte is toegepast. Het gaat om document 0009 ( [dossiernummer 2] ) voor de tekst “gesprek a.s. dinsdag”; document 0001 ( [dossiernummer 11] ) voor het tijdstip van de zitting; document 0003 ( [dossiernummer 7] ) voor die gedeelten waarin de naam van het advocatenkantoor staat vermeld (de e-grond ziet immers alleen op de naam van de advocaat zelf, niet op zakelijke informatie van diens kantoororganisatie) en document 0004 ( [dossiernummer 12] ) voor de tekst “de gemachtigde”. Hiermee is sprake van onzorgvuldige besluitvorming en dus strijd met artikel 3:2 van de Awb. Erasmus MC zal voor deze documenten een nieuw besluit met in achtneming van deze uitspraak moeten nemen. 17.4. Voor het document 0016 ( [dossiernummer 13] ) heeft de rechtbank geconstateerd dat deze uitzonderingsgrond is toegepast op de volledige tekst van deze brief van de ombudsman. Hoewel de motivering van het bestreden besluit ziet op de namen van medewerkers en melders en het daarmee niet volledig duidelijk is dat in dit geval ook de identiteit van eiser is bedoeld te beschermen, gaat de rechtbank daar wel van uit gelet op de tekst van het ongelakte stuk. In de context van deze zaak oordeelt de rechtbank dat Erasmus MC daarnaast deze uitzonderingsgrond op goede gronden heeft toegepast voor wat betreft de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van diverse medewerkers, melders en eiser. 17.5. Voor document 0004 ( [dossiernummer 1] ) heeft Erasmus MC op de zitting gezegd dat hier ten onrechte artikel 5.1, twee De rechtbank heeft na het bekijken van de ongelakte documenten – gelet op wat zij onder 17.5 heeft overwogen inclusief ongelakt document 0004 ( [dossiernummer 1] ) – geconstateerd dat – met uitzondering van de hierna genoemde documenten – Erasmus MC deze uitzonderingsgrond terecht heeft ingeroepen. De rechtbank is van oordeel dat het Erasmus MC bij het eerste deel van de tekst van document 0012 ( [dossiernummer 8] ) ten onrechte – in plaats van de uitzonderingsgrond van artikel 5.2 van de Woo – de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid aanhef en onder i, van de Woo toe heeft gepast. De rechtbank zal deze onzorgvuldige besluitvorming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eisers al aangevoerde beroepsgrond tegen de toepassing van artikel 5.2 van de Woo ook op dit document kan zien zodat eiser niet is benadeeld. De rechtbank zal dit document betrekken in haar beoordeling over de toepassing van artikel 5.2 van de Woo. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo (naast de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo) in document 0001 ( [dossiernummer 10] ) voor de e-mail van 29 juni 2022 wordt gehanteerd, maar bij document 0007 ( [dossiernummer 9] ) voor dezelfde e-mail van 29 juni 2022 niet wordt gehanteerd. De rechtbank constateert dat eiser door deze onzorgvuldigheid beschikt over een versie van dit document waarbij artikel 5, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo niet is toegepast. Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat Erasmus MC in document 0016 ( [dossiernummer 13] ) voor een groot gedeelte van de tekst alleen de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder e, van de Woo heeft toegepast terwijl daarop in het licht van de motivering van het bestreden besluit ook de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo toegepast had moeten zijn. Dat is onzorgvuldig, maar omdat dezelfde tekst ook al met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo onleesbaar is gemaakt, en de motivering daarnaast de toepassing van artikel 5.1, tweede lid onder i, van de Woo rechtvaardigt, zal de rechtbank deze onzorgvuldige besluitvorming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser door deze onzorgvuldigheid niet is benadeeld. Artikel 5.2 van de Woo 22. Eiser betwist dat deze uitzonderingsgrond van toepassing is en stelt dat Erasmus MC ten onrechte niet is overgegaan tot verstrekking van de informatie op een wijze die niet herleidbaar was tot de natuurlijke persoon die de persoonlijke beleidsopvattingen heeft geuit. Hij stelt niet te kunnen verifiëren dat de zwartgelakte informatie inderdaad onder deze uitzondering valt en verzoekt de rechtbank expliciet dat na te gaan. 23. Erasmus MC voert in zijn verweer aan dat het hier gaat om opvattingen van medewerkers van Erasmus MC en van een externe, door Erasmus MC ingeschakelde, partij over hoe om te gaan met het integriteitsonderzoek naar eiser en de mogelijke gevolgen van dat onderzoek voor eiser. Het betreft hier (ambtelijke) adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. De adviezen van de bedoelde externe partij zijn gegeven zonder dat die partij een ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. Het gaat daarmee om persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Er is geen toepassing gegeven aan artikel 5.2, tweede lid, van de Woo, omdat uit de context en gezien de kleine kring van betrokkenen kan worden afgeleid wie de uitlatingen heeft gedaan. Dat zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat binnen een bestuursorgaan vrijelijk van gedachten moet kunnen wor Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. 2 Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. 3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. 6 Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend. Artikel 8:79 voor zover relevant 1. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen. 2 Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. […] Woo voor zover relevant Artikel 5.1: 2 Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: […] e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; […] i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. 3 Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. Artikel 5.2 1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. 2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt. Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb luidt: Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.Artikel 8:29, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Dit artikellid luidt als volgt: Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet