Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-08-12
ECLI:NL:RBROT:2026:9594
Boetes opgelegd aan slachterij voor verontreinigd pluimveekarkas. Niet kan worden geconcludeerd dat het risico voor de volksgezondheid gering was of ontbrak. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. De boetes zijn evenredig. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/3873 en ROT 25/4012 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaken tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. E. Dans), en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee boetes van elk € 17.500,- die verweerder met de besluiten van 13 december 2024 (ROT 25/3873) en 6 december 2024 (ROT 25/4012) aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boetes. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boetes terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met de bestreden besluiten van 27 maart 2025 en 1 april 2025 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij de boetebesluiten gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten onder kenmerk ROT 25/3873, respectievelijk ROT 25/4012. 2.2. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Nadat de zaken op een zitting waren gepland, hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak. Totstandkoming van de bestreden besluiten ROT 25/3873 3.1. Verweerder heeft de boete in ROT 25/3873 gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 9 oktober 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Daarin beschrijft de toezichthouder dat hij op 25 september 2024 in de delenhal van eiseres in een krat bestemd voor humane consumptie meerdere borstkappen zag met groen/gele maagdarm inhoud en gele graankorrels. Door de aanwezigheid van de bezoedeling zijn de borstkappen volgens de toezichthouder niet meer geschikt voor humane consumptie en hadden deze verzameld moeten worden als categorie-2 materiaal. 3.2. Op grond van dit rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie en verwerking beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 17.500,-. Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat sprake is van recidive. ROT 25/4012 3.3. Verweerder heeft de boete in ROT 25/4012 gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 30 oktober 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. Daarin beschrijft de toezichthouder dat hij op 23 oktober 2024 in de delenhal van eiseres volgens het ‘Handhavingsprotocol verontreiniging slachterijen pluimvee’ 50 pluimveekarkassen controleerde op verontreiniging en daarbij één karkas aantrof dat was verontreinigd met zichtbare sporen van gal. 3.4. Op grond van dit rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De exploitant van een levensmiddelenbedrijf had niet of onvoldoende zorggedragen voor het voorkomen van verontreiniging van het vlees en het schoonmaken van geslachte dieren.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie II, Hoofdstuk IV, punt 5 en 8, van Verordening 853/2004 . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 17.500,-. Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat sprake is van recidive. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij de beboetbare feiten heeft gepleegd. Hierna zal de rechtbank beoordelen of verweerder terecht voor deze overtredingen boetes van € 17.500,- heeft opgelegd. Risico voor de volksgezondheid 4.1. Eiseres voert aan dat de boetes op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren hadden moeten worden gematigd, omdat de aanwezigheid van een klein plekje maagdarminhoud op een pluimveekarkas geen, althans een niet meer dan gering risico voor de volksgezondheid vormt. Eiseres wijst daarbij op microbiologisch onderzoek dat zij door het Institute for Risk Assessment (IRAS) heeft laten uitvoeren. Uit die onderzoeken blijkt dat bij plekjes gal in alle gevallen geen sprake is van een meetbaar verhoogd risico, dat bij voerrestjes (graankorrels) in nagenoeg alle gevallen (99,8 %) dan wel alle gevallen, geen sprake is van een meetbaar verhoogd risico voor wat betreft respectievelijk campylobacter en andere bacteriën en dat bij plekjes fecaliën in veruit de meeste gevallen (96% voor wat betreft campylobacter) eveneens geen sprake is van een meetbaar verhoogd risico bij kleine plekjes. IRAS concludeert dan ook dat karkasverontreiniging met kleine plekjes voer, gal, baansmeer of fecaliën niet tot een significante toename van de reeds bij visueel schone pluimveekarkassen aanwezige voedselrisico’s leidt, aldus eiseres. 4.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van maagdarminhoud op vlees, ook als het om kleine plekjes gaat, ervoor kan zorgen dat ziekteverwekkende bacteriën in de voedselketen terechtkomen. Verweerder wijst erop dat naar schatting jaarlijks 60.000 voedselinfecties verband houden met pluimvee, waarvan campylobacter de grootste veroorzaker is. Ook verwijst verweerder naar een rapport van BuRo en een onderzoek van Pacholewicz , waaruit volgt dat zichtbaar verontreinigde karkassen een hoger besmettingsniveau met E-coli en campylobacter hebben. Volgens verweerder kan uit de rapporten van IRAS niet worden afgeleid dat een (klein plekje) verontreiniging op zichzelf geen risico’s voor de voedselveiligheid oplevert. 4.3. In artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is bepaald dat de boete wordt gehalveerd als de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie zich in onderhavige zaken niet voordoet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 12 september 2019 maagdarminhoud aangemerkt als verontreiniging, en maakt daarin geen onderscheid naar grootte. Mede onder verwijzing naar dit arrest heeft een meervoudige kamer van deze rechtbank eerder geoordeeld dat ook kleine plekjes maagdarminhoud op een pluimveekarkas wel degelijk een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Nadien heeft een meervoudige kamer van deze rechtbank over hetzelfde standpunt dat eiseres in onderhavig beroep heeft ingenomen, geen aanleiding gezien om anders te oordelen. Eiseres heeft verwezen naar onderzoeken van IRAS, maar uit die stukken kan niet worden afgeleid dat een (klein plekje) verontreiniging met maagdarminhoud op zichzelf geen risico voor de voedselveiligheid oplevert. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft geoordeeld betekent de omstandigheid dat de aantallen campylobacterbacteriën uit een verontreiniging laag zouden zijn en niet tot een meetbaar verhoogd risico zouden leiden, nog niet dat de mogelijke gevolgen van die verontreiniging, die een gevaar introduceert, ontbreken dan wel gering zijn. De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar genoemde uitspraken dat niet kan worden geconcludeerd dat met de aangetroffen verontreinigingen het risico voor de volksgezondheid gering was of ontbrak. Verweerder heeft dus terecht geen reden gezien om met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving de boetes te halveren. Evenredigheid van de boetes 5.1. Eiseres voert aan dat de overtredingen haar niet, althans verminderd kunnen worden verweten. Incidentele plekjes op karkassen aan het einde van de panklaarlijn zijn volgens eiseres namelijk niet volledig te voorkomen. Eiseres wijst hierbij op ingebrachte verklaringen van de drie grootste fabrikanten van slachtapparatuur, van een fabrikant die een reinigingstechniek heeft ontwikkeld en van een deskundige op het gebied van het pluimveeslachtproces , waarin staat dat het technisch onmogelijk is bezoedelingen volledig te voorkomen. Eiseres heeft al wel verschillende maatregelen getroffen ter minimalisering van bezoedeling. Zij heeft technische maatregelen genomen, op meerdere momenten in het slachtproces wordt op bezoedeling gecontroleerd en eiseres stelt verscherpte eisen aan pluimveehouders om kuikens nuchter aan te leveren. Maar het is technisch en praktisch onmogelijk om aan de nulnorm die verweerder hanteert, te voldoen. Ook uit de naleefcijfers van de NVWA blijkt dat geen enkele slachterij aan die nulnorm kan voldoen. Bovendien wordt in geen ander land binnen de Europese Unie zo streng gehandhaafd op de aanwezigheid van maagdarminhoud op een pluimveekarkas, aldus eiseres. 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het is verweerder niet gebleken dat het voor eiseres onmogelijk is haar slachtproces zo in te richten dat wordt voorkomen dat karkassen aan het einde van het schoonmaakproces zichtbaar verontreinigd zijn. Zo bestaat de mogelijkheid van meer en intensievere controles en/of een langzamere bandsnelheid, aldus verweerder. 5.3. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtredingen vastgesteld op € 2.500,-. In deze gevallen heeft verweerder de standaardboete verhoogd tot € 5.000,- omdat sprake is van recidive. Eiseres heeft namelijk een keer eerder een boete gekregen voor eenzelfde overtreding. Die verhoging is in overeenstemming met artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. 5.4. De aan eiseres opgelegde bestuurlijke boetes zijn aan te merken als punitieve sancties. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van een opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Volgens vaste jurisprudentie van het CBb vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen de bepaling van artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. In eerder genoemd arrest heeft het Hof geoordeeld dat op dat punt een pluimveekarkas geen zichtbare verontreiniging meer mag vertonen. Deze uitleg impliceert dat het Hof en de Europese wetgever ervan uitgaan dat slachterijen op dat punt in het slachtproces wel kunnen voldoen aan de norm. Eiseres heeft verklaringen overgelegd van fabrikanten en een deskundige die daarin concluderen dat het technisch niet haalbaar is om bezoedeling in het geautomatiseerde slachtproces van pluimvee volledig te voorkomen. Eerder heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank in die verklaringen geen reden gezien om een slachthuis ten aanzien van bezoedelingen verminderd verwijtbaar te achten. De rechtbank ziet geen reden om in de onderhavige zaken anders te oordelen. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres niet meer kan doen om te voorkomen dat bezoedelde karkassen de panklaarafdeling verlaten. Zoals de meervoudige kamer heeft overwogen is investering in de best beschikbare slachtapparatuur daarbij slechts één aspect; een correcte afstelling van die apparatuur en adequaat handelen als slachtfouten worden geconstateerd is evenzeer van belang. Ook is het bijvoorbeeld mogelijk om de controle van schoongemaakte karkassen te intensiveren. 5.6. Ook voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de boetes evenredig zijn. De hier overtreden normen gelden in alle lidstaten. Een omstandigheid dat andere lidstaten niet of minder verstrekkend zouden handhaven op deze overtredingen – zoals eiseres stelt – maakt op zichzelf de boetes voor eiseres nog niet onevenredig. De rechtbank verwijst hierbij naar eerder genoemde uitspraak van haar meervoudige kamer. Net als in die uitspraak merkt de rechtbank in onderhavige zaken daarbij ook op dat niet duidelijk is geworden of – en, zo ja, in welke mate – eiseres door de boetes in haar concurrentiepositie wordt geschaad. 5.7. De rechtbank concludeert dat de aan eiseres opgelegde boetes van € 5.000,- in dit geval evenredig zijn aan de aard en ernst van de geconstateerde overtredingen, de mate waarin deze aan eiseres kunnen worden verweten en de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan. Conclusie en gevolgen 6. De beroepen zijn dus ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46, derde lid Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Verordening 852/2004 Artikel 4, tweede lid Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004. Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3 In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. Verordening 853/2004 Artikel 3, eerste lid Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III. Bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, aanhef en onder punt 5 en punt 8 Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waarin pluimvee of lagomorfen worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan: 5. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zonder onnodig uitstel plaatsvinden op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. Met name moeten maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat bij het uitnemen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst. 8. Na keuring en verwijdering van de ingewanden moeten geslachte dieren zo spoedig mogelijk worden schoongemaakt en gekoeld tot een temperatuur van ten hoogste 4 °C, tenzij het vlees warm wordt uitgesneden. Wet dieren Artikel 6.2, eerste lid Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Artikel 8.7 Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. Regeling dierlijke producten Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c en d Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn: de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004; de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004; Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid 1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld: categorie 3: € 2.500 3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie. Artikel 2.5, eerste lid Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete. Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren Artikel 1.2 De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd. Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren Regeling dierlijke producten Categorie Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel d 3 Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong Eiseres wijst op het rapport ‘Bepaling van additionele microbiële bijdrage van diverse soorten bezoedeling aan de al op pluimveekarkassen aanwezige vracht’ van mei 2016, en een Monte Carlo simulatie in 2022 waarvan de resultaten op 12 februari 2023 zijn gepubliceerd in het artikel ‘Small contaminations on broiler carcasses are more a quality matter than a food safety issue’ in het tijdschrift Foods. Advies van 8 maart 2018 met kenmerk TRCWA/2018/2373 E. Pacholewic, 24 mei 2016, ’Hygiene control during broiler processing: technological and managerial aspects’. ECLI:EU:C:2019:720 In uitspraken van 27 augustus 2020, o.a. ECLI:NL:RBROT:2020:7504 In ECLI:NL:RBROT:2025:14945 en ECLI:NL:RBROT:2025:14946 In ECLI:NL:CBB:2026:90 en ECLI:NL:CBB:2026:92 Respectievelijk: Marel Poultry, Meyn Poultry Processing Solutions en Linco Food Systems, IWS Innovative Water Concepts en ing. N.M. Bolder Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2023:54 en ECLI:NL:CBB:2022:433 Zie noot 8 Zie noot 8