Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-30
ECLI:NL:RBROT:2026:9584
Kort geding. Vorderingen tot nakoming van samenwerkingsovereenkomsten. Afwijzing. Gedaagde heeft de overeenkomst met afspraken over een nieuw samenwerkingsverband opgezegd. Eiseres heeft geen spoedeisend belang, omdat overeenkomsten met afspraken over het huidige samenwerkingsverband opgezegd zijn met een termijn van meer dan een jaar en dat nu geen voorlopige voorziening rechtvaardigt. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/720566 / KG ZA 26-518 Tussenvonnis in kort geding van 30 juli 2026 in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, advocaten: mr. D.A. Wahid-Manusama en mr. G.P. Lobé, tegen [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, advocaten: mr. B.J. Agteresch en mr. A. Klaassen. Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Partijen werken samen op het gebied van kinderopvang. Zij hebben onderzocht of zij hun samenwerking konden intensiveren door verder te gaan als één organisatie en hebben afspraken gemaakt om hierover te onderhandelen. Partijen hebben toen ook afgesproken om hun bestaande samenwerking in meerdere overeenkomsten vast te leggen. [eiseres] heeft de onderhandelingen om één organisatie te worden met [gedaagde] beëindigd. [gedaagde] vindt dat [eiseres] de onderhandelingen niet had mogen beëindigen en dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan. [gedaagde] heeft daarom alle afspraken met [eiseres] opgezegd. [eiseres] vindt dat [gedaagde] met [eiseres] moet blijven samenwerken. Zij vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de samenwerkingsafspraken te blijven nakomen en om ook de gesloten overeenkomsten voor kinderopvang te blijven nakomen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juli 2026 met producties 1 tot en met 21; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 14; - de akte overlegging producties van [eiseres] met producties 22 tot en met 25; - de akte wijziging eis van [eiseres] met productie 26; - de akte overlegging producties van [eiseres] met productie 27; - de mondelinge behandeling van 16 juli 2026; - de spreekaantekeningen van [eiseres] ; - de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 3 De feiten 3.1. [eiseres] verzorgt sinds 2008 kinderopvang voor [gedaagde] op meerdere locaties van [gedaagde] . Partijen zijn in 2016 in overleg getreden over een meer vergaande samenwerking, waaronder de mogelijkheid om als één organisatie verder te gaan. Partijen hebben over dit traject afspraken gemaakt en deze vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst van 8 september 2020 (hierna: de SOK). In de SOK staat: “ In aanmerking nemend dat: (…) 29. vanuit deze opties door Verus, in haar rapportage over de mogelijke samenwerkingsvormen voor [gedaagde] en [eiseres] voor de toekomst vier scenario’s zijn geschetst, te weten: a. doorgaan op de huidige samenwerkingswijze – hierna te noemen ‘scenario 1’ (…) d. een werkwijze waarbij [gedaagde] en [eiseres] toegroeien naar een gezamenlijke organisatie voor onderwijs en opvang – hierna te noemen ‘scenario 4’ (…) 40. [gedaagde] en [eiseres] van mening zijn dat verdere uitvoering van scenario 1 voor de hand ligt zolang niet tot een ander scenario is besloten. 41. [gedaagde] en [eiseres] van mening zijn dat hun beider belang met zich meebrengt dat, ook bij verdere uitwerking van scenario 1, die samenwerking juridisch dient te worden geborgd, zodat een – nog – betere uitgangspositie wordt bereikt om tot een nóg verdergaand scenario over te gaan; (…) 47. [gedaagde] en [eiseres] zich realiseren dat het uitvoering geven aan scenario 4 een proces is dat niet op één moment kan worden gerealiseerd, maar waar nadrukkelijk naartoe gewerkt dient te worden (…) 48. [gedaagde] en [eiseres] hun samenwerking om die reden voor de komende periode via twee sporen willen formaliseren, waarbij het eerste spoor erop is gericht om de bestaande samenwerking via scenario 1 in overeenkomsten vast te leggen en het tweede spoor erop is gericht om op een realistische termijn te komen tot een bestuurlijke organisatie voor onderwijs en kinderopvang. (…) Doelen overeenkomst Artikel 2 1. Het doel van deze overeenkomst is te komen tot een consolidering, versterking en formalisering van onderwijs en opvang door partijen, in hun onderlinge samenhang, bij voorkeur in de vorm van kindcentra (…) 2. Het doel van deze overeenkomst is voorts om te groeien naar een samenwerkingsvorm waarbij integrale kindcentra door partijen gezamenlijk worden vormgegeven, ingericht en in stand gehouden. (…) Werkingsduur en mogelijke beëindiging van de overeenkomst Artikel 4 (…) 2. Beëindiging van de overeenkomst door elk van de partijen is mogelijk tegen het einde van een schooljaar (1 augustus), door middel van opzegging en met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden, met dien verstande dat deze overeenkomst niet beëindigd kan worden vóór 1 januari 2025. Toelichting: de overeenkomst is voor onbepaalde tijd. Het doel is helder en staat in artikel 2. Mochten partijen toch behoefte krijgen ‘om te breken’, dan is dat op basis van dit artikel mogelijk. Gevolgen bij beëindiging Artikel 5 1. Samenwerkingsafspraken die, ter uitvoering van deze overeenkomst, tussen partijen worden gemaakt tijdens de looptijd van deze overeenkomst, danwel die reeds zijn gemaakt voorafgaande aan deze overeenkomst en die zijn neergelegd in uitwerkingsovereenkomsten als bedoeld in artikel 8, blijven in stand als deze overeenkomst is beëindigd, tenzij die samenwerkingsafspraken ook expliciet en schriftelijk worden beëindigd. DEEL D: LOGISTIEK uitwerking huidige samenwerking Artikel 8 1. [gedaagde] en [eiseres] zullen, per onderwijslocatie waar zij met elkaar samenwerken, inventariseren op welke wijze hun huidige samenwerking gestalte wordt gegeven en die inventarisatie, voor zover zij dat noodzakelijk achten, vastleggen in een uitwerkingsovereenkomst, waarin de rechten en verplichtingen jegens elkaar zijn opgenomen. (…) 4. Op de uitwerkingsovereenkomsten is het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing. Toelichting: de bestaande samenwerking is op dit moment vooral informeel georganiseerd. Dit artikel biedt partijen de ruimte om een stap verder te zetten en gezamenlijk ook verplichtingen aan te gaan, die dan worden vastgelegd in een uitwerkingsovereenkomst en (als dat nodig is) ook afdwingbaar zijn. (…) ” 3.2. Partijen hebben na het sluiten van de SOK uitvoering gegeven aan het onderzoek naar het zogenoemde scenario 4, waarbij partijen één organisatie zouden gaan vormen. Daarnaast hebben partijen in 2022 uitwerkingsovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 8 van de SOK (hierna: OMV’s) gesloten voor de onderwijslocaties waar [eiseres] kinderopvang voor [gedaagde] verzorgde. 3.3. Op 27 juni 2025 heeft het adviesbureau BMC in opdracht van [eiseres] en [gedaagde] een rapport uitgebracht met een stappenplan om tot een “bestuurlijke integratie” van [eiseres] en [gedaagde] te komen per 1 januari 2026. Partijen hebben uitvoering aan dit stappenplan gegeven en in dat kader verder onderhandeld. 3.4. Bij e-mail van 12 december 2025 heeft [eiseres] aan [gedaagde] gemeld dat de Raad van Toezicht van [eiseres] had besloten om af te zien van de (verdere) uitwerking van de bestuurlijke integratie. 3.5. [gedaagde] is bij dagvaarding van 13 maart 2026 een procedure gestart tegen [eiseres] . [gedaagde] vordert in die procedure schadevergoeding van [eiseres] wegens het beëindigen van de onderhandelingen over scenario 4. 3.6. [gedaagde] heeft bij brief van 23 april 2026 de SOK opgezegd tegen 1 augustus 2026 en de OMV’s opgezegd tegen 1 augustus 2027. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert - verkort weergegeven en na wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis: [gedaagde] gebiedt: 1. om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de lekkage op een van de kinderopvanglocaties van [eiseres] te verhelpen, 2. toe te staan dat [eiseres] de opvanglocaties op dezelfde wijze en voorwaarden blijft gebruiken en deze niet behoeft te ontruimen totdat in een vonnis met kracht van gewijsde anders is beslist, 3. primair, om haar verplichtingen onder de SOK na te komen en om binnen één week na betekening van het vonnis de onderhandelingen met [eiseres] te hervatten gericht op het vastleggen van de verplichtingen van [eiseres] en [gedaagde] jegens elkaar in een overeenkomst ingevolge scenario 1 per onderwijslocatie; 4. subsidiair, de samenwerking tussen partijen onverkort en ongewijzigd voort te zetten totdat bij een in kracht van gewijsde gewezen vonnis is beslist tot welk tijdstip de samenwerking tussen partijen gestand moet worden gedaan; 5. meer subsidiair, de samenwerking tussen partijen onverkort en ongewijzigd voort te zetten tot 1 augustus 2027; en voorts 6. aan de veroordelingen onder 1 tot en met 5 een dwangsom verbindt; 7. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 4.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] ten aanzien van de vordering onder 1, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Behandeling vordering tot herstel van gebreken wordt aangehouden 5.1. Partijen hebben op de zitting overleg gepleegd over de vordering onder 1 en verzocht om de beslissing hierover aan te houden. De voorzieningenrechter zal de behandeling van deze vordering daarom aanhouden in afwachting van de uitkomst van dat overleg. Toetsingskader kort geding 5.2. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. [gedaagde] hoeft niet door te onderhandelen over scenario 1 5.3. [eiseres] vordert dat [gedaagde] moet worden veroordeeld om haar verplichtingen onder de SOK na te komen en om de onderhandelingen op grond van scenario 1 te hervatten. [eiseres] licht niet toe wat nakoming van de SOK zoals hier gevorderd inhoudt, zodat de voorzieningenrechter de vordering uitlegt in die zin dat [gedaagde] de SOK moet nakomen ten aanzien van de gevorderde dooronderhandeling. Deze vordering wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.4. De SOK bepaalt (in de considerans onder punt 29 en in artikel 8) dat partijen de bestaande samenwerking zullen formaliseren door het sluiten van uitwerkingsovereenkomsten per onderwijslocatie waar [eiseres] de kinderopvang verzorgt. Dit is het zogenoemde scenario 1. Partijen hebben hier uitvoering aan gegeven door het sluiten van de OMV’s in 2022. Deze werden jaarlijks verlengd, maar er zijn geen nieuwe OMV’s meer gesloten. [eiseres] niet heeft toegelicht over welke punten nog (door)onderhandeld zou worden of tot welke (nieuwe) overeenkomst(en) dat zou kunnen leiden. [eiseres] heeft niet aangevoerd noch is gebleken dat partijen al in onderhandeling waren over nadere OMV’s, wat de status of inhoud van die onderhandelingen zou zijn of de inhoud van die nog tot stand te komen overeenkomsten. De (enkele) stelling dat sprake is van basisafspraken die nog nadere invulling en vastlegging behoeven is daarvoor onvoldoende. Bij een veroordeling zoals gevorderd zou onduidelijk zijn tot welke onderhandelingen [gedaagde] precies gehouden is. Op dit alles stuit de vordering tot dooronderhandelen af. [gedaagde] hoeft de SOK niet meer na te komen 5.5. [eiseres] vordert subsidiair en meer subsidiair dat [gedaagde] de samenwerking tussen partijen onverkort en ongewijzigd moet voortzetten. Omdat de vorderingen (meer) subsidiair zijn ingesteld ten opzichte van de vordering tot nakoming van de SOK, begrijpt de voorzieningenrechter dat [eiseres] hiermee bedoelt te vorderen dat [gedaagde] de SOK moet (blijven) nakomen. Deze vorderingen worden afgewezen. 5.6. De SOK bevat afspraken die partijen hebben gemaakt over het formaliseren van hun samenwerking in OMV’s en het onderzoeken of zij door bestuurlijke integratie één organisatie kunnen vormen. Anders dan [eiseres] betoogt, ziet de SOK dus niet op de feitelijke uitvoering van de samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] . Die is immers vastgelegd in de OMV’s die partijen al hebben gesloten. De SOK bepaalt daarbij ook uitdrukkelijk dat deze overeenkomst afzonderlijk van de diverse OMV’s kan worden beëindigd. Aangezien [eiseres] de onderhandelingen over de bestuurlijke integratie heeft beëindigd en de verplichting om de samenwerking vast te leggen in OMV’s reeds door [gedaagde] is nagekomen (zie onder 5.4.), heeft [eiseres] geen belang (meer) bij haar vordering tot nakoming van de verplichtingen uit de SOK. Wat [eiseres] als (spoedeisend) belang in dit kort geding heeft aangevoerd, ziet ook enkel op nakoming van de OMV’s en niet op nakoming van de SOK. 5.7. Daarnaast heeft [gedaagde] de SOK opgezegd met inachtneming van de in de SOK opgenomen regeling tot opzegging. De SOK bepaalt uitdrukkelijk dat opgezegd kan worden indien het in artikel 2 geformuleerde doel daarvan - bestuurlijke integratie zoals bedoeld in scenario 4 - niet meer kan worden bereikt en wanneer één van partijen daarom wenst ‘te breken’. Die situatie doet zich nu voor. Hoewel het juist is dat de beperkende of aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mee kan brengen dat bijvoorbeeld geen beroep kan worden gedaan op een contractuele regeling of dat aan een opzegging nadere eisen worden gesteld, heeft [eiseres] ten aanzien van de SOK onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om daarover te kunnen oordelen. De enkele omstandigheid dat partijen al 18 jaar samenwerken is onvoldoende voor een beroep op artikel 6:248 BW. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] de SOK daarom rechtsgeldig opgezegd tegen 1 augustus 2026. [gedaagde] wordt niet veroordeeld om de OMV’s na te komen 5.8. [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om [eiseres] de opvanglocaties te laten gebruiken op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden en deze niet behoeft te ontruimen totdat aan de SOK een rechtsgeldig einde is gekomen. De voorzieningenrechter begrijpt deze vordering zo dat [eiseres] bedoelt te vorderen dat [gedaagde] de OMV’s moet blijven nakomen totdat in een bodemprocedure is geoordeeld over de vraag of de OMV’s rechtsgeldig zijn beëindigd en ook, dat [gedaagde] de uit de OMV’s voortvloeiende samenwerkingsverplichtingen voor wat betreft deze locaties niet mag frustreren of tegenwerken. 5.9. [eiseres] heeft geen spoedeisend belang bij de vordering voor zover die betrekking heeft op de voorzetting van het gebruik van de locaties, omdat van haar kan worden gevergd om een bodemprocedure hieromtrent af te wachten. [eiseres] heeft weliswaar belang bij voortzetting van de OMV’s, maar gelet op de omstandigheid dat deze zijn opgezegd tegen 1 augustus 2027 heeft zij geen spoedeisend belang. De gevraagde voorziening zou pas over een jaar in werking treden. Dat rechtvaardigt niet het nu treffen van een voorlopige voorziening. Dat geldt temeer nu [eiseres] , in de bodemprocedure die [gedaagde] tegen [eiseres] is gestart, in reconventie de opzegging van de OMV’s aan de orde kon stellen of dat alsnog kan doen in een separate (eventueel daarbij te voegen) procedure. De vordering wordt op dit punt daarom afgewezen. 5.10. [eiseres] heeft wel een voldoende spoedeisend belang bij het deel van haar vordering dat inhoudt dat [gedaagde] niet door middel van de door [eiseres] gestelde “uitrooktactieken” de samenwerking op grond van de OMV’s mag frustreren. Het is echter onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] handelingen verricht die erop zijn gericht om [eiseres] te benadelen. De door [eiseres] aangevoerde incidenten en geschilpunten bereiken niet het niveau van het bewust traineren van de samenwerking. Daar had wel sprake van kunnen zijn als [eiseres] , zoals zij aanvoert, aannemelijk had gemaakt dat medewerkers van [gedaagde] instructie zouden hebben ontvangen om geen medewerking meer te verlenen aan verzoeken van [eiseres] .