Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-04-29
ECLI:NL:RBROT:2026:8152
RECHTBANK Rotterdam Civiel recht Zaaknummer: C/10/696824 / HA ZA 25-275 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE WAALWIJK , gevestigd te Waalwijk, eiseres, advocaat: mr. H.X. Botter, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. P.E. van Dam. Partijen worden hierna ‘de Gemeente’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 21 maart 2025 met producties 1 tot en met 12- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5- de brief van 25 mei 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte overleggen nadere producties van de Gemeente met producties 13 en 14- de mondelinge behandeling gehouden op 6 oktober 2025 - de spreekaantekeningen van mr. N.C.H. Vrijsen (advocaat van de Gemeente) - de spreekaantekeningen van mr. P.E. van Dam. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort [gedaagde] is met zijn schip de Seceda tegen de deuren van de schutsluis van de gemeente Waalwijk gevaren, waardoor schade is ontstaan. De Gemeente houdt [gedaagde] aansprakelijk omdat hij door rood sein is gevaren en vordert vergoeding van de schade. [gedaagde] betwist dat hij door rood sein is gevaren en voert aan dat de sluiswachter tegen hem had gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. De rechtbank beslist dat [gedaagde] /de Seceda schuld heeft aan de schadevaring en dat er sprake in van 70 procent eigen schuld van de sluiswachter (die in dienst is van de Gemeente). 3 De feiten 3.1. De Gemeente is eigenaar van de schutsluis tussen de Waalwijkse (binnen)haven en de rivier de Bergsche Maas (hierna: de sluis). De Gemeente heeft sluiswachters in dienst die de sluisdeuren van de sluis bedienen. De sluiskolk biedt ruimte aan één binnenvaartschip. 3.2. [gedaagde] is schipper, eigenaar en exploitant van het binnenvaartschip de Seceda. 3.3. Op 6 februari 2023 omstreeks 06.45 uur is de Seceda tegen de dichtgaande sluisdeuren van de sluis aangevaren, waardoor deze zijn beschadigd. 4 Het geschil 4.1. De Gemeente vordert - samengevat - om [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 159.781,45 aan schadevergoeding, € 904,00 aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van proces- en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de Gemeente - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten. [gedaagde] betwist dat hij aansprakelijk is en betwist dat sprake is van causaal verband. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De Gemeente grondt haar vordering op schadevaring (artikel 8:1002) en stelt dat de schade aan de sluisdeuren is veroorzaakt door schuld van de Seceda (artikel 8:1004 BW). [gedaagde] is door rood sein gevaren en heeft niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap zijn geboden om te voorkomen dat er schade werd veroorzaakt aan de sluis. 5.2. [gedaagde] wijst aansprakelijkheid van de hand. Hij betwist dat hij door rood sein is gevaren. Bovendien had de sluiswachter hem toestemming gegeven om de sluis in te varen, nadat een tegemoetkomend schip, de Sabbia, de sluis had verlaten. Hij had gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. In die zin is ook sprake van eigen schuld van de Gemeente. 5.3. De Gemeente maakt aanspraak op een bedrag van € 159.781,45 aan schadevergoeding. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] voor deze schade van de Gemeente aansprakelijk is. wettelijk kader 5.4. De Gemeente grondt de aansprakelijkheid van [gedaagde] op de artikelen 8:1002 en 8:1004 BW. 5.5. Partijen zijn het er over eens dat ter plaatse het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR) geldt. De relevante artikelen uit het BPR luiden als volgt: Artikel 1.04: De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorsc Verder stelt de Gemeente dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 1.04 BPR, omdat hij niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap zijn geboden om te voorkomen dat er schade wordt veroorzaakt aan de sluis. Het had volgens de Gemeente op de weg van [gedaagde] gelegen, om bij de sluiswachter te verifiëren waarom het sein nog altijd op rood stond. 5.11. [gedaagde] betwist dat hem een rood sein werd getoond. In zijn herinnering stond het sein op groen, ten teken dat het invaren van de sluis was toegestaan. Als het sein wel op rood stond, dan gaat volgens [gedaagde] de afspraak die hij met de sluiswachter had gemaakt vóór een algemeen verkeersteken zoals een rood sein. De sluiswachter had [gedaagde] toestemming gegeven om met de Seceda de sluis in te varen, nadat de Sabbia de sluis had verlaten. Hij had tegen [gedaagde] gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. Conform die afspraak is de Seceda de sluis ingevaren. De sluiswachter was op de hoogte van de aanwezigheid van de Seceda en van diens intentie om de sluis in te varen. Hij was de Seceda en de met [gedaagde] gemaakte afspraken echter vergeten en sloot de sluisdeuren zonder er verder bij na te denken en zonder nog een blik op de sluis(kolk), de sluisdeuren en de haven te werpen, terwijl hij dat wel had kunnen - en moeten - doen. Toen [gedaagde] bemerkte dat de sluisdeuren gingen sluiten, heeft hij vol vermogen achteruit gegeven met zowel de hoofdmotor als de kopschroef in een - helaas vergeefse - poging de raking te voorkomen. Meer dan dat kon hij niet doen. Tijdens het verstrijken van slechts acht minuten tussen het telefoongesprek van 6:37 uur en de schadevaring op 6:45 hoefde [gedaagde] er geen rekening mee te houden dat de sluiswachter de gemaakte afspraken, waaronder die over het open laten staan van de sluisdeuren, was vergeten. Integendeel, hij mocht erop vertrouwen dat de sluiswachter deze afspraak zich herinnerde en nakwam. 5.12. De rechtbank overweegt als volgt. het sein stond op rood 5.13. Vast is komen te staan dat het sein op rood stond. Dit volgt uit het bij dagvaarding overgelegde logboek invaarseinen en de verklaring van de sluiswachter dat alleen als de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan, de sluisdeuren gesloten kunnen worden (zoals tijdens het incident gebeurde). Uit het logboek en de toelichting van de Gemeente op de mondelinge behandeling volgt dat de twee aan weerszijde van de sluis aanwezige invaarseinen met nummer 3 en 4 tijdens de schadevaring om 06.45 uur op rood stonden. Dit blijkt uit de waarde op de Y-as met de codes 0 en 1, gecombineerd met het tijdsverloop op de X-as. Ten tijde van het ongeval gold code 1, wat staat voor rood sein. Het groene sein heeft niet gebrand tijdens de aanvaring, maar ook niet kort daarvoor. Op de Y-as is dit af te lezen aan de waarde 0,0. Het groene invaarsein is rond 5.00 uur ’s ochtends kortstondig aan geweest voor een ander schip (zie X-as). Tegen deze achtergrond legt de verklaring van [gedaagde] dat het sein in zijn beleving op groen stond, onvoldoende gewicht in de schaal. De beelden die [gedaagde] heeft overgelegd zien op een andere dag en geven geen informatie over de toedracht op 6 februari 2023. de Seceda heeft schuld aan de schadevaring 5.14. Ter plaatse geldt het BPR. Door rood sein varen is verboden volgens artikel 6.28a BPR (In- en uitvaren van sluizen). De schipper van de Seceda, [gedaagde] , heeft een fout gemaakt door in weerwil van het rode sein de sluis in te varen. Dat hij het rode sein niet actief waarnam, en veronderstelede dat het groen was, disculpeert hem niet. Daarmee heeft [gedaagde] het BPR overtreden. Dit levert in beginsel ‘schuld van het schip’ in de zin van artikel 8:1004 lid 1 BW op. 5.15. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat toch geen sprake is van enige relevante schuld van het schip, zoals concrete toezeggingen van het bevoegd gezag om ondanks rood sein toch de sluis in te vare Zoals de sluiswachter schriftelijk heeft verklaard en als getuige bij de kantonrechter, was hij de Seceda vergeten en heeft hij per ongeluk en routinematig de sluisdeuren dichtgedaan. Daardoor is de schade ontstaan. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente voor een groot deel haar eigen schade heeft veroorzaakt. De rechtbank komt tot het oordeel dat 70% van de aan de Gemeente vergoedbare schade voor rekening van de Gemeente dient te blijven. [gedaagde] moet 30% van de schade aan de Gemeente vergoeden. hoogte van de schade 5.21. [gedaagde] voert aan dat de expert van EOC Expertise B.V. in het expertiserapport van 29 mei 2024 een bedrag aan aftrek ‘nieuw voor oud’ in mindering heeft gebracht op de schadeberekening dat ziet op de vervanging van twee hydrauliekcilinders. Deze cilinders waren deels afgeschreven en zonder de schadevaring aan vervanging toe in (ongeveer) 2036. Mét schadevaring en de daarop volgende reparatie zijn ze pas in (ongeveer) 2043 aan vervanging toe. Hierdoor geniet de Gemeente volgens [gedaagde] een voordeel (door de expert begroot op € 13.720,46) dat voor verrekening in aanmerking komt. 5.22. Op de mondelinge behandeling deelt de Gemeente mee dat zij niet langer betwist dat een hydrauliekcilinder 20 jaar meegaat. 5.23. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:100 BW moet, als een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Gelet op het voordeel van € 13.720,46 dat de Gemeente geniet in verband met de reparatie na de schadevaring, is redelijk dat dit voordeel van de Gemeente wordt verrekend met de schade. 5.24. Voor de vordering betekent dit dat na de aftrek ‘nieuw voor oud’ een gevorderd bedrag overblijft van € 146.060,99 (€ 159.781,45 - € 13.720,46). De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van 30% van dit bedrag, dus tot betaling van € 43.818,30. rente 5.25. De rechtbank wijst de gevorderde en op zichzelf niet betwiste wettelijke rente toe vanaf de schadedatum van 6 februari 2023 tot de dag van volledige betaling. buitengerechtelijke incassokosten 5.26. De Gemeente stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert vergoeding daarvan. [gedaagde] betwist deze vordering op zichzelf niet. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding (die lager is dan de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) van € 904,00 toewijst. proceskosten 5.27. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 43.818,30, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 6 februari 2023 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 904,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, 6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.4. compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen, 6.5. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.615/1573 Bij dagvaarding vorderde de gemeente dit bedrag exclusief btw. Op de mondelinge behandeling heeft zij verduidelijkt dat zij geen btw vordert. Hoge Raad 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3922 (Casuele/De Toekomst) “D2 sluiten invaardeuren Alvorens de deuren te sluiten, dient het personeel zeker te stellen dat zich geen personen of voorwerpen op of in de nabijheid van bewegende delen bevinden. Er mogen zich geen schepen