Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-31
ECLI:NL:RBROT:2026:5392
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,725 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5392 text/xml public 2026-05-13T12:49:53 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-31 12096122 VV EXPL 26-85 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5392 text/html public 2026-05-13T12:49:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5392 Rechtbank Rotterdam , 31-03-2026 / 12096122 VV EXPL 26-85 Kort geding, uitleg van opschortende voorwaarde totstandkoming huurovereenkomst betreffende tankstation voor waterstof. Beroep op voorwaarde levert misbruik van recht op en/of is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel gedaagde heeft afstand gedaan van haar recht zich op voorwaarde te beroepen en/of dit recht vewrerkt, dan wel voorwaarde geldt op grond van art. 6:23 lid 2 BW als vervuld. Verhuurder moet nadere afspraken die zijn gemaakt over aangaan nieuwe huurovereenkomst nakomen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12096122 VV EXPL 26-85 datum uitspraak: 31 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 2. [eiser 2] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , eisers, gemachtigden: mr. P.B.J. van Oord en mr. F.A.L. Canovai, tegen 1 B.V. [gedaagde 1] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 2. [gedaagde 2] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 3. [gedaagde 3] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagden, gemachtigde: mr. A.G.A. van Rappard. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 23 februari 2026, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de akte overlegging aanvullende producties van eisers, met bijlagen; de spreekaantekeningen van eisers; de spreekaantekeningen van gedaagden. 1.2. Op 3 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens eisers aanwezig de heer [directeur 1] (directeur), de heer [directeur 2] (directeur), de heer [COO] (COO), de heer [Head of business operations] (Head of Business Operations) en de heer [commissaris] (commissaris), bijgestaan door mr. P.B.J. van Oord en mr. M. Ruygvoorn. Namens gedaagden waren aanwezig de heer [bestuurder] (indirect bestuurder), de heer [financieel adviseur] (financieel adviseur) en de heer [medewerker gedaagde] (medewerker van [gedaagde 1] ), bijgestaan door mr. A.G.A. van Rappard. 2 De beoordeling Waar gaat deze zaak over? 2.1. Deze procedure vindt zijn oorsprong in verschillende overeenkomsten die de partijen die bij deze procedure betrokken zijn met elkaar hebben gesloten. Al deze overeenkomsten draaien (uiteindelijk) om het realiseren en (ver)huren van een (waterstof)tankstation in Rotterdam. 2.2. De overeenkomsten die voor deze procedure van belang zijn, zijn de volgende: Een tweetal huurovereenkomsten die zijn ondertekend op 4 mei 2022 en zijn gesloten tussen [gedaagde 2] B.V. als (beoogd) verhuurder en [eiser 3] B.V. als (beoogd) huurder. De eerste huurovereenkomst is gesloten voor de huur van het perceel waarop het tankstation zou worden gerealiseerd inclusief het tankstation (het zogenoemde ‘civiele deel’, door eisers de ‘Huurovereenkomst Locatie genoemd’). De tweede huurovereenkomst betreft de huur van de installatie (door eisers de ‘Huurovereenkomst Installatie’ genoemd). Een financieringsovereenkomst die ook is ondertekend op 4 mei 2022 en die is gesloten tussen B.V. [gedaagde 1] en [eiser 2] B.V.; Termsheet 1, het resultaat van overleg tussen partijen, die is ondertekend op 14 en 15 juli 2025 door [eiser 2] B.V., [gedaagde 2] B.V. en B.V. [gedaagde 1] . 2.3. De financieringsovereenkomst voorziet in een lening van € 700.000,- die door [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) aan [eiser 2] B.V. zal worden verstrekt. Hoe de lening wordt verstrekt, staat in artikel 1.3 van deze overeenkomst: “De Lening zal als volgt worden verstrekt. Geldnemer zal de facturen van Linde Hydrogen Fueltech GmbH welke betrekking hebben op de Installatie aan Geldgever verstrekken. Na vaststelling door Geldnemer en Geldgever dat een factuur van Linde Hydrogen Fueltech GmbH in overeenstemming is met de voortgang van de bouw van de Installatie zal de betreffende factuur aan Linde Hydrogen Fueltech GmbH worden voldaan en wel als volgt: Tot een factuurbedrag van € 1.300.000 (exclusief omzetbelasting) worden de goedgekeurde bedragen betaald door Geldnemer. Geldnemer zal terzake deze betalingen betalingsbewijzen overleggen aan Geldgever.; Vervolgens worden totdat een totaalbedrag van € 1.800.000 (exclusief omzetbelasting) is bereikt de facturen betaald door Geldgever uit de “Reservering budgetoverschrijding” zoals door Partijen en [eiser 1] B.V. overeengekomen in relatie met de stortingsplicht van Geldgever als aandeelhouder in [eiser 1] B.V.; Vervolgens worden tot dat het met Linde Hydrogen Fueltech GmbH overeengekomen bedrag voor de levering van de installatie (exclusief omzetbelasting) is bereikt tot een maximum totaalbedrag van € 2.500.000 (exclusief omzetbelasting) de facturen door Geldgever worden betaald als (deel-)verstrekking van de Lening.” 2.4. In de huurovereenkomst voor de locatie die op 4 mei 2022 is ondertekend, staat de volgende opschortende voorwaarde: “Deze huurovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat [eiser 2] B.V. uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik zal hebben gemaakt van de lening uit hoofde van de tussen [eiser 2] B.V. en Verhuurder gesloten financieringsovereenkomst welke verband houdt met de financiering van de waterstoftankinstallatie en overigens onder de voorwaarden als opgenomen in voornoemde financieringsovereenkomst. Het voorgaande houdt in dat indien voornoemde voorwaarde niet in vervulling is gegaan uiterlijk op 1 januari 2024, Verhuurder niet gehouden is uitvoering te geven aan het bepaalde in de onderhavige huurovereenkomst zonder overigens gehouden te zijn tot schadevergoeding (kosten daaronder begrepen) jegens Huurder. Indien Verhuurder alsdan besluit wel uitvoering te geven aan het bepaalde in de onderhavige huurovereenkomst, dan heeft Verhuurder het recht de aanvangshuur aan te passen indien de gestegen bouwkosten van het Gehuurde daartoe aanleiding geven.” 2.5. Op 6 december 2022 schrijft [eiser 2] per e-mail aan de financieel adviseur van [gedaagde 1] , de heer [financieel adviseur] (hierna: ‘ [financieel adviseur] ’) dat in januari 2023 de derde factuur voor de werkzaamheden voor het tankstation zal worden ontvangen en dat de kosten daarmee boven de € 1.300.000,- zullen uitkomen. [gedaagde 1] (of [gedaagde 2] ) wordt gevraagd om voor voldoende liquiditeit te zorgen om de facturen te kunnen betalen. 2.6. Op 3 juli 2024 heeft [financieel adviseur] aan [eiser 2] bericht dat zou zijn afgesproken dat als de totale investering groter is dan € 2.000.000,- (de maximale investering ten laste van [gedaagde 1] ), het meerdere ten laste van [eiser 2] komt. Hij heeft ook bericht dat partijen zouden hebben afgesproken dat eerst dat meerdere moet worden voldaan (door [eiser 2] ) voordat ‘getrokken kan worden bij [gedaagde 1] ’. 2.7. In december 2024 heeft [gedaagde 1] , als uitkomst van een overleg tussen partijen, onder de noemer ‘voorschot betaling’ een bedrag van € 122.420,- betaald. [eiser 2] heeft [gedaagde 1] daarna meermaals verzocht om nog een bedrag van € 377.560,- te betalen, maar dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. Met de betaling van € 377.560,- zou worden uitgekomen op een totaalbedrag van € 500.000,-; het bedrag dat zou worden gekwalificeerd als het voldoen aan de stortingsplicht als aandeelhouder. 2.8. Op 19 maart 2025 stuurt [gedaagde 1] een e-mail aan [eiser 2] waarin hij stelt dat er zodanige verschillen van inzicht zijn over wat is afgesproken met betrekking tot de realisatie van het tankstation, dat “ de conclusie is dat er überhaupt geen sprake is van een overeenstemming over de bouw van het waterstoftankstation met kiosk op Rotterdam The Hague Airport ”.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5392 text/xml public 2026-05-13T12:49:53 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-31 12096122 VV EXPL 26-85 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5392 text/html public 2026-05-13T12:49:25 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5392 Rechtbank Rotterdam , 31-03-2026 / 12096122 VV EXPL 26-85 Kort geding, uitleg van opschortende voorwaarde totstandkoming huurovereenkomst betreffende tankstation voor waterstof. Beroep op voorwaarde levert misbruik van recht op en/of is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel gedaagde heeft afstand gedaan van haar recht zich op voorwaarde te beroepen en/of dit recht vewrerkt, dan wel voorwaarde geldt op grond van art. 6:23 lid 2 BW als vervuld. Verhuurder moet nadere afspraken die zijn gemaakt over aangaan nieuwe huurovereenkomst nakomen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12096122 VV EXPL 26-85 datum uitspraak: 31 maart 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 2. [eiser 2] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 3. [eiser 3] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , eisers, gemachtigden: mr. P.B.J. van Oord en mr. F.A.L. Canovai, tegen 1 B.V. [gedaagde 1] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 2. [gedaagde 2] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 3. [gedaagde 3] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagden, gemachtigde: mr. A.G.A. van Rappard. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 23 februari 2026, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de akte overlegging aanvullende producties van eisers, met bijlagen; de spreekaantekeningen van eisers; de spreekaantekeningen van gedaagden. 1.2. Op 3 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens eisers aanwezig de heer [directeur 1] (directeur), de heer [directeur 2] (directeur), de heer [COO] (COO), de heer [Head of business operations] (Head of Business Operations) en de heer [commissaris] (commissaris), bijgestaan door mr. P.B.J. van Oord en mr. M. Ruygvoorn. Namens gedaagden waren aanwezig de heer [bestuurder] (indirect bestuurder), de heer [financieel adviseur] (financieel adviseur) en de heer [medewerker gedaagde] (medewerker van [gedaagde 1] ), bijgestaan door mr. A.G.A. van Rappard. 2 De beoordeling Waar gaat deze zaak over? 2.1. Deze procedure vindt zijn oorsprong in verschillende overeenkomsten die de partijen die bij deze procedure betrokken zijn met elkaar hebben gesloten. Al deze overeenkomsten draaien (uiteindelijk) om het realiseren en (ver)huren van een (waterstof)tankstation in Rotterdam. 2.2. De overeenkomsten die voor deze procedure van belang zijn, zijn de volgende: Een tweetal huurovereenkomsten die zijn ondertekend op 4 mei 2022 en zijn gesloten tussen [gedaagde 2] B.V. als (beoogd) verhuurder en [eiser 3] B.V. als (beoogd) huurder. De eerste huurovereenkomst is gesloten voor de huur van het perceel waarop het tankstation zou worden gerealiseerd inclusief het tankstation (het zogenoemde ‘civiele deel’, door eisers de ‘Huurovereenkomst Locatie genoemd’). De tweede huurovereenkomst betreft de huur van de installatie (door eisers de ‘Huurovereenkomst Installatie’ genoemd). Een financieringsovereenkomst die ook is ondertekend op 4 mei 2022 en die is gesloten tussen B.V. [gedaagde 1] en [eiser 2] B.V.; Termsheet 1, het resultaat van overleg tussen partijen, die is ondertekend op 14 en 15 juli 2025 door [eiser 2] B.V., [gedaagde 2] B.V. en B.V. [gedaagde 1] . 2.3. De financieringsovereenkomst voorziet in een lening van € 700.000,- die door [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) aan [eiser 2] B.V. zal worden verstrekt. Hoe de lening wordt verstrekt, staat in artikel 1.3 van deze overeenkomst: “De Lening zal als volgt worden verstrekt. Geldnemer zal de facturen van Linde Hydrogen Fueltech GmbH welke betrekking hebben op de Installatie aan Geldgever verstrekken. Na vaststelling door Geldnemer en Geldgever dat een factuur van Linde Hydrogen Fueltech GmbH in overeenstemming is met de voortgang van de bouw van de Installatie zal de betreffende factuur aan Linde Hydrogen Fueltech GmbH worden voldaan en wel als volgt: Tot een factuurbedrag van € 1.300.000 (exclusief omzetbelasting) worden de goedgekeurde bedragen betaald door Geldnemer. Geldnemer zal terzake deze betalingen betalingsbewijzen overleggen aan Geldgever.; Vervolgens worden totdat een totaalbedrag van € 1.800.000 (exclusief omzetbelasting) is bereikt de facturen betaald door Geldgever uit de “Reservering budgetoverschrijding” zoals door Partijen en [eiser 1] B.V. overeengekomen in relatie met de stortingsplicht van Geldgever als aandeelhouder in [eiser 1] B.V.; Vervolgens worden tot dat het met Linde Hydrogen Fueltech GmbH overeengekomen bedrag voor de levering van de installatie (exclusief omzetbelasting) is bereikt tot een maximum totaalbedrag van € 2.500.000 (exclusief omzetbelasting) de facturen door Geldgever worden betaald als (deel-)verstrekking van de Lening.” 2.4. In de huurovereenkomst voor de locatie die op 4 mei 2022 is ondertekend, staat de volgende opschortende voorwaarde: “Deze huurovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat [eiser 2] B.V. uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik zal hebben gemaakt van de lening uit hoofde van de tussen [eiser 2] B.V. en Verhuurder gesloten financieringsovereenkomst welke verband houdt met de financiering van de waterstoftankinstallatie en overigens onder de voorwaarden als opgenomen in voornoemde financieringsovereenkomst. Het voorgaande houdt in dat indien voornoemde voorwaarde niet in vervulling is gegaan uiterlijk op 1 januari 2024, Verhuurder niet gehouden is uitvoering te geven aan het bepaalde in de onderhavige huurovereenkomst zonder overigens gehouden te zijn tot schadevergoeding (kosten daaronder begrepen) jegens Huurder. Indien Verhuurder alsdan besluit wel uitvoering te geven aan het bepaalde in de onderhavige huurovereenkomst, dan heeft Verhuurder het recht de aanvangshuur aan te passen indien de gestegen bouwkosten van het Gehuurde daartoe aanleiding geven.” 2.5. Op 6 december 2022 schrijft [eiser 2] per e-mail aan de financieel adviseur van [gedaagde 1] , de heer [financieel adviseur] (hierna: ‘ [financieel adviseur] ’) dat in januari 2023 de derde factuur voor de werkzaamheden voor het tankstation zal worden ontvangen en dat de kosten daarmee boven de € 1.300.000,- zullen uitkomen. [gedaagde 1] (of [gedaagde 2] ) wordt gevraagd om voor voldoende liquiditeit te zorgen om de facturen te kunnen betalen. 2.6. Op 3 juli 2024 heeft [financieel adviseur] aan [eiser 2] bericht dat zou zijn afgesproken dat als de totale investering groter is dan € 2.000.000,- (de maximale investering ten laste van [gedaagde 1] ), het meerdere ten laste van [eiser 2] komt. Hij heeft ook bericht dat partijen zouden hebben afgesproken dat eerst dat meerdere moet worden voldaan (door [eiser 2] ) voordat ‘getrokken kan worden bij [gedaagde 1] ’. 2.7. In december 2024 heeft [gedaagde 1] , als uitkomst van een overleg tussen partijen, onder de noemer ‘voorschot betaling’ een bedrag van € 122.420,- betaald. [eiser 2] heeft [gedaagde 1] daarna meermaals verzocht om nog een bedrag van € 377.560,- te betalen, maar dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. Met de betaling van € 377.560,- zou worden uitgekomen op een totaalbedrag van € 500.000,-; het bedrag dat zou worden gekwalificeerd als het voldoen aan de stortingsplicht als aandeelhouder. 2.8. Op 19 maart 2025 stuurt [gedaagde 1] een e-mail aan [eiser 2] waarin hij stelt dat er zodanige verschillen van inzicht zijn over wat is afgesproken met betrekking tot de realisatie van het tankstation, dat “ de conclusie is dat er überhaupt geen sprake is van een overeenstemming over de bouw van het waterstoftankstation met kiosk op Rotterdam The Hague Airport ”.
Volledig
Vervolgens stuurt [gedaagde 1] op 24 april 2025 een e-mail aan [eiser 2] waarin hij onder meer schrijft: “De op 4 mei 2022 ondertekende huurovereenkomst is niet tot stand gekomen, omdat niet tijdig is voldaan aan de opschortende voorwaarde waaronder die is aangegaan. Aangezien er geen sprake is van een huurovereenkomst hebben wij de bouwwerkzaamheden opgeschort/stop gezet. Wij stellen voor om op 27 mei 2025 10.00 uur een bespreking in te plannen op RTHA om de voorwaarden voor een mogelijke nieuwe huurovereenkomst te bespreken. Voorafgaand aan die bespreking ontvangen wij tijdig graag het meest actuele cashflow overzicht met informatie over de solvabiliteit en liquiditeit van [eiser 2] B.V.” 2.9. Op 14 en 15 juli 2025 hebben [eiser 2] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een zogenoemde Termsheet ondertekend (later door beide partijen aangeduid als Termsheet 1). In deze Termsheet is de afspraak vastgelegd dat [eiser 2] het waterstoftankstation (exclusief installatie) zal kopen van [gedaagde 2] en dat als – kort gezegd – [eiser 2] het tankstation niet uiterlijk op 30 november 2025 heeft afgenomen volgens de bepalingen in Termsheet 1, zij het tankstation van [gedaagde 2] zal huren tegen een jaarlijkse huurprijs van € 325.000,- met inbegrip van de huurkorting als bedoeld in artikel 4.2 van de oude Huurovereenkomst (bedoeld is de overeenkomst voor de locatie van 4 mei 2022), zes maanden huurdepot en voor het overige onder nader overeen te komen voorwaarden en condities. Afgesproken is dat partijen een nieuwe huurovereenkomst zullen opstellen, waarbij in de voetnoot staat vermeld dat de oude huurovereenkomst voor de locatie tot uitgangspunt zal worden genomen, met het voorbehoud van het recht om daarin wijzigingen aan te brengen. Partijen hebben daarna geen schriftelijke overeenkomsten meer gesloten. 2.10. Op 26 november 2025 heeft [gedaagde 1] [eiser 2] gesommeerd om de gevaarlijke stoffen van het terrein van het tankstation te verwijderen. Op 28 november 2025 heeft [gedaagde 1] [eiser 2] gesommeerd om het perceel te verlaten en heeft zij haar de toegang tot het terrein ontzegd. Vervolgens heeft [eiser 2] gedaagden gesommeerd om aan haar contractuele verplichtingen te voldoen, waaronder het nakomen van de gesloten huurovereenkomsten door [gedaagde 2] . 2.11. De huidige (althans op de zittingsdatum) stand van zaken is dat sprake is van een nagenoeg afgebouwd tankstation, dat na uitvoering van de laatste werkzaamheden in gebruik kan worden genomen. [eiser 2] is deze procedure gestart omdat zij vindt dat gedaagden hun medewerking moeten verlenen aan het afbouwen van het tankstation, dat [gedaagde 1] zijn verplichting om de aandelen vol te storten (tot een bedrag van € 500.000,-) na moet komen en dat [gedaagde 2] de huurovereenkomsten moet nakomen. Gedaagden beroepen zich er allereerst op dat er op essentiële onderdelen geen overeenstemming tussen partijen zou zijn bereikt over de bouw van het tankstation, zodat geen overeenkomsten bestaan en eisers dus geen nakoming van enige overeenkomst kunnen vorderen. Ook beroepen gedaagden zich op de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie, waarin staat dat [eiser 2] tijdig gebruik moest maken van de lening uit de financieringsovereenkomst . Uit Termsheet 1 zou blijken dat partijen niet mogen terugvallen op de huurovereenkomsten die op 4 mei 2022 zijn gesloten, zodat daarvan geen nakoming kan worden gevorderd. Tot slot beroepen gedaagden zich op een opschortingsrecht zolang [eiser 2] de overschrijding van de geraamde (bouw)kosten niet voor haar rekening neemt of daar zekerheid voor stelt en zolang [eiser 2] niet uiterlijk op de ingangsdatum van de huur een bankgarantie verstrekt. De beoordeling in kort geding 2.12. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eisers hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagden als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. 2.13. De kantonrechter oordeelt dat met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat tussen partijen overeenkomsten tot stand zijn gekomen en/of in voldoende mate overeenstemming is bereikt betreffende het realiseren en verhuren van het tankstation en dat [gedaagde 1] geen beroep mocht doen op de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten Termsheet 1 nakomen, wat betekent dat het tankstation na de laatste werkzaamheden daaraan door [gedaagde 2] ter beschikking moet worden gesteld in het kader van een huurrelatie tussen partijen. Gedaagden moeten hun medewerking verlenen aan het afronden van de noodzakelijke werkzaamheden. De kantonrechter ziet geen reden waarom gedaagden zich op enig opschortingsrecht zouden kunnen beroepen. Het belang van eisers bij deze voorziening is groter dan het eventuele nadeel dat gedaagden ondervinden als deze uitspraak in hoger beroep zou worden vernietigd. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen. Er zijn tussen partijen overeenkomsten tot stand gekomen 2.14. Het meest vergaande verweer van gedaagden is dat er geen sprake is van een overeenkomst en/of overeenstemming over de realisatie en aansluitende verhuur van het tankstation. Volgens gedaagden is dit het geval vanwege de kostenoverschrijdingen vanaf 2022, de afspraken daarover die [eiser 2] genegeerd zou hebben, het tijdverloop en de herhaalde ongegronde sommaties van [eiser 2] aan [gedaagde 1] om aan zijn stortingsplicht te voldoen. De kantonrechter volgt gedaagden niet in dat verweer. 2.15. Vast staat dat partijen het in 2022 eens waren over de financiering van het project en over de huurovereenkomsten die [eiser 2] met [gedaagde 2] zou aangaan. De kostenoverschrijdingen zouden kunnen worden gekwalificeerd als onvoorziene omstandigheden, maar dat betekent niet dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van hun verplichtingen. De kantonrechter komt in dit kort geding tot het oordeel dat de uitleg die gedaagden geven aan de opschortende voorwaarde, althans het bepaalde in artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst, niet aannemelijk is. De stelling dat [eiser 2] die afspraken genegeerd zou hebben, wordt daarom gepasseerd. De kantonrechter komt ook tot het oordeel dat [gedaagde 1] aan zijn stortingsplicht moet voldoen, zodat de sommaties van [eiser 2] niet als ongegrond kunnen worden gekwalificeerd. De redenen die gedaagden noemen waarom geen sprake (meer) zou zijn van overeenstemming, gaan dus niet op. [gedaagde 1] mocht geen beroep doen op de opschortende voorwaarde 2.16. Gedaagden beroepen zich vervolgens op de opschortende voorwaarde die is opgenomen in de huurovereenkomst voor de locatie van 4 mei 2022. Dat beroep slaagt niet. 2.16.1. Eisers hebben primair aangevoerd dat de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie een zuiver potestatieve voorwaarde is en daarom nietig. De kantonrechter ziet in de opschortende voorwaarde echter niet een zuiver potestatieve voorwaarde. Een zuiver potestatieve voorwaarde is een voorwaarde die het ontstaan van de verbintenis exclusief doet afhangen van de wil van de debiteur. De voorwaarde die inhoudt dat [eiser 2] uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik moet hebben gemaakt van de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken, is niet zo’n voorwaarde. Het gaat immers niet om een enkele mededeling van [eiser 2] dat zij door wil met [gedaagde 1] , maar om het uitvoering geven aan een gemaakte afspraak. Uit de afspraken over de bedragen die partijen zouden investeren volgt voorts dat de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken simpelweg noodzakelijk was. De voorwaarde gaat dus veeleer om de datum waarop de mededeling moest worden gedaan dan om de wens van [eiser 2] om de lening op enig moment te gebruiken. Omdat geen sprake is van een zuiver potestatieve voorwaarde, is de opschortende voorwaarde niet nietig. 2.16.2.
Volledig
Vervolgens stuurt [gedaagde 1] op 24 april 2025 een e-mail aan [eiser 2] waarin hij onder meer schrijft: “De op 4 mei 2022 ondertekende huurovereenkomst is niet tot stand gekomen, omdat niet tijdig is voldaan aan de opschortende voorwaarde waaronder die is aangegaan. Aangezien er geen sprake is van een huurovereenkomst hebben wij de bouwwerkzaamheden opgeschort/stop gezet. Wij stellen voor om op 27 mei 2025 10.00 uur een bespreking in te plannen op RTHA om de voorwaarden voor een mogelijke nieuwe huurovereenkomst te bespreken. Voorafgaand aan die bespreking ontvangen wij tijdig graag het meest actuele cashflow overzicht met informatie over de solvabiliteit en liquiditeit van [eiser 2] B.V.” 2.9. Op 14 en 15 juli 2025 hebben [eiser 2] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een zogenoemde Termsheet ondertekend (later door beide partijen aangeduid als Termsheet 1). In deze Termsheet is de afspraak vastgelegd dat [eiser 2] het waterstoftankstation (exclusief installatie) zal kopen van [gedaagde 2] en dat als – kort gezegd – [eiser 2] het tankstation niet uiterlijk op 30 november 2025 heeft afgenomen volgens de bepalingen in Termsheet 1, zij het tankstation van [gedaagde 2] zal huren tegen een jaarlijkse huurprijs van € 325.000,- met inbegrip van de huurkorting als bedoeld in artikel 4.2 van de oude Huurovereenkomst (bedoeld is de overeenkomst voor de locatie van 4 mei 2022), zes maanden huurdepot en voor het overige onder nader overeen te komen voorwaarden en condities. Afgesproken is dat partijen een nieuwe huurovereenkomst zullen opstellen, waarbij in de voetnoot staat vermeld dat de oude huurovereenkomst voor de locatie tot uitgangspunt zal worden genomen, met het voorbehoud van het recht om daarin wijzigingen aan te brengen. Partijen hebben daarna geen schriftelijke overeenkomsten meer gesloten. 2.10. Op 26 november 2025 heeft [gedaagde 1] [eiser 2] gesommeerd om de gevaarlijke stoffen van het terrein van het tankstation te verwijderen. Op 28 november 2025 heeft [gedaagde 1] [eiser 2] gesommeerd om het perceel te verlaten en heeft zij haar de toegang tot het terrein ontzegd. Vervolgens heeft [eiser 2] gedaagden gesommeerd om aan haar contractuele verplichtingen te voldoen, waaronder het nakomen van de gesloten huurovereenkomsten door [gedaagde 2] . 2.11. De huidige (althans op de zittingsdatum) stand van zaken is dat sprake is van een nagenoeg afgebouwd tankstation, dat na uitvoering van de laatste werkzaamheden in gebruik kan worden genomen. [eiser 2] is deze procedure gestart omdat zij vindt dat gedaagden hun medewerking moeten verlenen aan het afbouwen van het tankstation, dat [gedaagde 1] zijn verplichting om de aandelen vol te storten (tot een bedrag van € 500.000,-) na moet komen en dat [gedaagde 2] de huurovereenkomsten moet nakomen. Gedaagden beroepen zich er allereerst op dat er op essentiële onderdelen geen overeenstemming tussen partijen zou zijn bereikt over de bouw van het tankstation, zodat geen overeenkomsten bestaan en eisers dus geen nakoming van enige overeenkomst kunnen vorderen. Ook beroepen gedaagden zich op de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie, waarin staat dat [eiser 2] tijdig gebruik moest maken van de lening uit de financieringsovereenkomst . Uit Termsheet 1 zou blijken dat partijen niet mogen terugvallen op de huurovereenkomsten die op 4 mei 2022 zijn gesloten, zodat daarvan geen nakoming kan worden gevorderd. Tot slot beroepen gedaagden zich op een opschortingsrecht zolang [eiser 2] de overschrijding van de geraamde (bouw)kosten niet voor haar rekening neemt of daar zekerheid voor stelt en zolang [eiser 2] niet uiterlijk op de ingangsdatum van de huur een bankgarantie verstrekt. De beoordeling in kort geding 2.12. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eisers hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagden als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. 2.13. De kantonrechter oordeelt dat met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat tussen partijen overeenkomsten tot stand zijn gekomen en/of in voldoende mate overeenstemming is bereikt betreffende het realiseren en verhuren van het tankstation en dat [gedaagde 1] geen beroep mocht doen op de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten Termsheet 1 nakomen, wat betekent dat het tankstation na de laatste werkzaamheden daaraan door [gedaagde 2] ter beschikking moet worden gesteld in het kader van een huurrelatie tussen partijen. Gedaagden moeten hun medewerking verlenen aan het afronden van de noodzakelijke werkzaamheden. De kantonrechter ziet geen reden waarom gedaagden zich op enig opschortingsrecht zouden kunnen beroepen. Het belang van eisers bij deze voorziening is groter dan het eventuele nadeel dat gedaagden ondervinden als deze uitspraak in hoger beroep zou worden vernietigd. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen. Er zijn tussen partijen overeenkomsten tot stand gekomen 2.14. Het meest vergaande verweer van gedaagden is dat er geen sprake is van een overeenkomst en/of overeenstemming over de realisatie en aansluitende verhuur van het tankstation. Volgens gedaagden is dit het geval vanwege de kostenoverschrijdingen vanaf 2022, de afspraken daarover die [eiser 2] genegeerd zou hebben, het tijdverloop en de herhaalde ongegronde sommaties van [eiser 2] aan [gedaagde 1] om aan zijn stortingsplicht te voldoen. De kantonrechter volgt gedaagden niet in dat verweer. 2.15. Vast staat dat partijen het in 2022 eens waren over de financiering van het project en over de huurovereenkomsten die [eiser 2] met [gedaagde 2] zou aangaan. De kostenoverschrijdingen zouden kunnen worden gekwalificeerd als onvoorziene omstandigheden, maar dat betekent niet dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van hun verplichtingen. De kantonrechter komt in dit kort geding tot het oordeel dat de uitleg die gedaagden geven aan de opschortende voorwaarde, althans het bepaalde in artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst, niet aannemelijk is. De stelling dat [eiser 2] die afspraken genegeerd zou hebben, wordt daarom gepasseerd. De kantonrechter komt ook tot het oordeel dat [gedaagde 1] aan zijn stortingsplicht moet voldoen, zodat de sommaties van [eiser 2] niet als ongegrond kunnen worden gekwalificeerd. De redenen die gedaagden noemen waarom geen sprake (meer) zou zijn van overeenstemming, gaan dus niet op. [gedaagde 1] mocht geen beroep doen op de opschortende voorwaarde 2.16. Gedaagden beroepen zich vervolgens op de opschortende voorwaarde die is opgenomen in de huurovereenkomst voor de locatie van 4 mei 2022. Dat beroep slaagt niet. 2.16.1. Eisers hebben primair aangevoerd dat de opschortende voorwaarde in de huurovereenkomst voor de locatie een zuiver potestatieve voorwaarde is en daarom nietig. De kantonrechter ziet in de opschortende voorwaarde echter niet een zuiver potestatieve voorwaarde. Een zuiver potestatieve voorwaarde is een voorwaarde die het ontstaan van de verbintenis exclusief doet afhangen van de wil van de debiteur. De voorwaarde die inhoudt dat [eiser 2] uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik moet hebben gemaakt van de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken, is niet zo’n voorwaarde. Het gaat immers niet om een enkele mededeling van [eiser 2] dat zij door wil met [gedaagde 1] , maar om het uitvoering geven aan een gemaakte afspraak. Uit de afspraken over de bedragen die partijen zouden investeren volgt voorts dat de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken simpelweg noodzakelijk was. De voorwaarde gaat dus veeleer om de datum waarop de mededeling moest worden gedaan dan om de wens van [eiser 2] om de lening op enig moment te gebruiken. Omdat geen sprake is van een zuiver potestatieve voorwaarde, is de opschortende voorwaarde niet nietig. 2.16.2.
Volledig
Subsidiair menen gedaagden dat de voorwaarde als vervuld geldt, omdat partijen onvoorwaardelijk en zonder enig voorbehoud na het aangaan van de overeenkomsten van 4 mei 2022 werkzaamheden hebben uitgevoerd om het tankstation te realiseren. De kantonrechter gaat ook hieraan voorbij. Hoewel de overeenkomsten die partijen hebben gesloten inderdaad nauw met elkaar samenhangen, volgt uit de voorwaarde zelf al dat deze nog zou kunnen worden ingeroepen nadat al werkzaamheden zijn uitgevoerd. In de financieringsovereenkomst gaan partijen er immers vanuit dat [eiser 2] zelf eerst een bedrag van € 1.300.000,- betaalt / moet betalen voor het realiseren van de waterstoftanksinstallatie. 2.16.3. De omstandigheid dat de werkzaamheden al ver gevorderd waren toen [gedaagde 1] een beroep deed op de opschortende voorwaarde (pas op 24 april 2025, terwijl de opschortende voorwaarde een termijn kent voor het gebruiken van de lening tot 1 januari 2024) maakt wel dat het beroep op die voorwaarde als misbruik van recht en/of naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar moet worden gekwalificeerd, zoals door eisers meer subsidiair en uiterst subsidiair is aangevoerd. [gedaagde 1] hoefde niet direct op 1 januari 2024 een beroep op die voorwaarde te doen, maar in de gegeven omstandigheden had het wel op haar weg gelegen om dat in ieder geval binnen een korte termijn na die datum te doen, als zij het niet gebruiken van de lening zo belangrijk vond. [gedaagde 1] heeft echter tot 24 juli 2025 met geen woord over de opschortende voorwaarde gerept, althans dat blijkt niet uit de overgelegde (vele) producties. Dit terwijl tegelijkertijd [financieel adviseur] op 3 juli 2024 wel een e-mail stuurt aan [eiser 2] en bericht over de afgesproken maximale investering van [gedaagde 1] en de gestelde afspraak dat de meerkosten eerst door [eiser 2] moeten worden betaald voordat ‘getrokken kan worden bij [gedaagde 1] ’. Het had voor de hand gelegen dat in dat bericht dan al duidelijk was gemaakt dat de financiering niet meer kon worden ingeroepen en dat [gedaagde 1] zich op de opschortende voorwaarde wilde beroepen. Dat is niet gebeurd, integendeel. [gedaagde 1] gaat er op dat moment zelf ook nog vanuit dat bij hem ‘getrokken kan worden’. Vervolgens hebben partijen in december 2024 nog afspraken gemaakt en ook daar heeft de opschortende voorwaarde geen onderdeel van uitgemaakt. Deze omstandigheden leiden overigens ook tot het oordeel dat [gedaagde 1] afstand heeft gedaan van haar recht op zich op de voorwaarde te beroepen en/of haar recht heeft verwerkt om dit te doen, zoals verder subsidiair en nog verder subsidiair door eisers aangevoerd. 2.16.4. Tot slot overweegt de kantonrechter dat ook het bepaalde in artikel 6:23 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep op de opschortende voorwaarde door [gedaagde 1] , waar eisers zich nog meer subsidiair op hebben beroepen. Uit artikel 6:23 lid 2 BW volgt dat de voorwaarde als niet vervuld geldt indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen, als de partij die bij de vervulling belang had, die heeft teweeggebracht. Daarvan is hier sprake. [eiser 2] heeft al op 6 december 2022 aan [gedaagde 1] laten weten dat de kosten met de factuur van januari 2023 van Linde een bedrag van € 1.300.000,- zouden overstijgen. Zij heeft gevraagd om geld beschikbaar te stellen voor de volgende betalingen. Daarmee was duidelijk dat zij aanspraak maakte op de investering van [gedaagde 1] . Daarover was afgesproken dat € 500.000,- onder de noemer van volstorting van aandelen zou plaatsvinden (uit de reservering budgetoverschrijding) en dat € 700.000,- in de vorm van een lening beschikbaar zou worden gesteld. 2.16.5. Gedaagden hebben in deze procedure gesteld dat [eiser 2] pas aanspraak kon maken op deze bedragen, als zij de kostenoverschrijdingen eerst (volledig) uit eigen zak zou financieren. Pas daarna zou zij aanspraak kunnen maken op de reservering budgetoverschrijding en de lening. De uitleg die gedaagden hiermee aan de financieringsovereenkomst geven, houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen stand. In artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst is deze (extra) voorwaarde niet opgenomen. Gelet op de uitvoerigheid waarmee partijen hun afspraken hebben vastgelegd en hun professionele hoedanigheid (met name die van [gedaagde 1] als investeerder, waarbij [financieel adviseur] als adviseur optrad) acht de kantonrechter het onwaarschijnlijk dat partijen een afspraak hebben gemaakt die niet in de overeenkomst terechtgekomen is. De enige plaats waar de door [gedaagde 1] gestelde volgorde van het voldoen aan de betalingsverplichtingen is opgenomen, is een notitie van [financieel adviseur] van 16 januari 2023. Die notitie vermeldt als geadresseerde “Dossier [gedaagde 1] / [eiser 2] B.V.”. Uit niets blijkt echter dat deze notitie aan [eiser 2] is verzonden, zoals is aangevoerd door [gedaagde 1] . [eiser 2] heeft betwist dat zij deze notitie ooit heeft ontvangen. De enkele verklaring van [financieel adviseur] op de zitting dat hij ervan uitgaat dat de inhoud daarvan bij [eiser 2] terechtgekomen is omdat het is geschreven als antwoord op een vraag van [eiser 2] en dat hij in de dertig jaar dat hij voor [gedaagde 1] werkt nog nooit een notitie voor [gedaagde 1] zelf heeft geschreven, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser 2] de notitie kent, laat staan dat wat hierin staat tussen partijen is overeengekomen. Uit niets blijkt ten slotte dat deze afspraak nodig was om te waarborgen dat de totale investering van [gedaagde 1] (inclusief volstorting van de aandelen) niet boven een bedrag van € 2.500.000,- zou uitkomen. Niets staat eraan in de weg dat [eiser 2] , na die volstorting en nadat zij gebruik heeft gemaakt van de lening, de meerkosten alsnog voor haar rekening neemt. 2.16.6. Omdat [gedaagde 1] zich er ten onrechte op beriep dat zij pas de aandelen hoefde vol te storten en de lening aan [eiser 2] te verstrekken nadat [eiser 2] eerst alle kostenoverschrijdingen uit eigen middelen had voldaan, heeft hij zelf bewerkstelligd dat niet uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik is gemaakt van de lening. Dat [gedaagde 1] degene is die belang heeft bij vervulling van de opschortende voorwaarde, blijkt uit de omstandigheid dat hij dat beroep erop daadwerkelijk heeft gedaan. Uit wat hiervoor onder 2.16.3 is overwogen volgt dat de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de opschortende voorwaarde als niet vervuld geldt. Gedaagden mogen zich niet beroepen op een opschortingsrecht 2.17. Gedaagden hebben in hun spreekaantekeningen toegelicht dat zij zich beroepen (althans, dat [gedaagde 1] dat doet) op een opschortingsrecht zolang [eiser 2] de overschrijding van de geraamde (bouw)kosten niet voor haar rekening neemt of daar zekerheid voor stelt. Ook is naar voren gebracht dat [eiser 2] nog geen bankgarantie heeft verstrekt en dat dat wel is overeengekomen in verband met de huur. 2.18. Het moment waarop [eiser 2] een bankgarantie moet stellen is nog niet aangebroken. Op de zitting heeft [eiser 2] uitdrukkelijk verklaard en bevestigd dat zij aan deze voorwaarde zal voldoen. Dit levert dan ook geen reden voor een beroep op een opschortingsrecht op. 2.19. Uit niets blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser 2] zekerheid moet stellen voor de overschrijding van de bouwkosten. De verwijzing van gedaagden naar de penibele financiële positie van [eiser 2] gaat niet op, in het licht van het oordeel dat hiervoor is gegeven over de verplichting van [gedaagde 1] om de aandelen vol te storten en de overeengekomen lening aan [eiser 2] te verstrekken. Daarmee is [gedaagde 1] mede debet aan die positie. De kantonrechter kan niet met voldoende zekerheid aannemen dat [eiser 2] vervolgens niet de meerkosten voor haar rekening zal nemen – ervan uitgaande dat die inderdaad door [eiser 2] moeten worden betaald, maar zonder daarover een oordeel te geven – zodat niet vast staat dat [eiser 2] tekort zal schieten in de nakoming van haar verplichtingen. Pas bij een tekortschieten zou immers een opschortingsrecht van gedaagden aan de orde kunnen zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten Termsheet 1 nakomen: [gedaagde 2] moet het tankstation ter beschikking stellen 2.20.
Volledig
Subsidiair menen gedaagden dat de voorwaarde als vervuld geldt, omdat partijen onvoorwaardelijk en zonder enig voorbehoud na het aangaan van de overeenkomsten van 4 mei 2022 werkzaamheden hebben uitgevoerd om het tankstation te realiseren. De kantonrechter gaat ook hieraan voorbij. Hoewel de overeenkomsten die partijen hebben gesloten inderdaad nauw met elkaar samenhangen, volgt uit de voorwaarde zelf al dat deze nog zou kunnen worden ingeroepen nadat al werkzaamheden zijn uitgevoerd. In de financieringsovereenkomst gaan partijen er immers vanuit dat [eiser 2] zelf eerst een bedrag van € 1.300.000,- betaalt / moet betalen voor het realiseren van de waterstoftanksinstallatie. 2.16.3. De omstandigheid dat de werkzaamheden al ver gevorderd waren toen [gedaagde 1] een beroep deed op de opschortende voorwaarde (pas op 24 april 2025, terwijl de opschortende voorwaarde een termijn kent voor het gebruiken van de lening tot 1 januari 2024) maakt wel dat het beroep op die voorwaarde als misbruik van recht en/of naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar moet worden gekwalificeerd, zoals door eisers meer subsidiair en uiterst subsidiair is aangevoerd. [gedaagde 1] hoefde niet direct op 1 januari 2024 een beroep op die voorwaarde te doen, maar in de gegeven omstandigheden had het wel op haar weg gelegen om dat in ieder geval binnen een korte termijn na die datum te doen, als zij het niet gebruiken van de lening zo belangrijk vond. [gedaagde 1] heeft echter tot 24 juli 2025 met geen woord over de opschortende voorwaarde gerept, althans dat blijkt niet uit de overgelegde (vele) producties. Dit terwijl tegelijkertijd [financieel adviseur] op 3 juli 2024 wel een e-mail stuurt aan [eiser 2] en bericht over de afgesproken maximale investering van [gedaagde 1] en de gestelde afspraak dat de meerkosten eerst door [eiser 2] moeten worden betaald voordat ‘getrokken kan worden bij [gedaagde 1] ’. Het had voor de hand gelegen dat in dat bericht dan al duidelijk was gemaakt dat de financiering niet meer kon worden ingeroepen en dat [gedaagde 1] zich op de opschortende voorwaarde wilde beroepen. Dat is niet gebeurd, integendeel. [gedaagde 1] gaat er op dat moment zelf ook nog vanuit dat bij hem ‘getrokken kan worden’. Vervolgens hebben partijen in december 2024 nog afspraken gemaakt en ook daar heeft de opschortende voorwaarde geen onderdeel van uitgemaakt. Deze omstandigheden leiden overigens ook tot het oordeel dat [gedaagde 1] afstand heeft gedaan van haar recht op zich op de voorwaarde te beroepen en/of haar recht heeft verwerkt om dit te doen, zoals verder subsidiair en nog verder subsidiair door eisers aangevoerd. 2.16.4. Tot slot overweegt de kantonrechter dat ook het bepaalde in artikel 6:23 lid 2 BW in de weg staat aan een geslaagd beroep op de opschortende voorwaarde door [gedaagde 1] , waar eisers zich nog meer subsidiair op hebben beroepen. Uit artikel 6:23 lid 2 BW volgt dat de voorwaarde als niet vervuld geldt indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen, als de partij die bij de vervulling belang had, die heeft teweeggebracht. Daarvan is hier sprake. [eiser 2] heeft al op 6 december 2022 aan [gedaagde 1] laten weten dat de kosten met de factuur van januari 2023 van Linde een bedrag van € 1.300.000,- zouden overstijgen. Zij heeft gevraagd om geld beschikbaar te stellen voor de volgende betalingen. Daarmee was duidelijk dat zij aanspraak maakte op de investering van [gedaagde 1] . Daarover was afgesproken dat € 500.000,- onder de noemer van volstorting van aandelen zou plaatsvinden (uit de reservering budgetoverschrijding) en dat € 700.000,- in de vorm van een lening beschikbaar zou worden gesteld. 2.16.5. Gedaagden hebben in deze procedure gesteld dat [eiser 2] pas aanspraak kon maken op deze bedragen, als zij de kostenoverschrijdingen eerst (volledig) uit eigen zak zou financieren. Pas daarna zou zij aanspraak kunnen maken op de reservering budgetoverschrijding en de lening. De uitleg die gedaagden hiermee aan de financieringsovereenkomst geven, houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen stand. In artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst is deze (extra) voorwaarde niet opgenomen. Gelet op de uitvoerigheid waarmee partijen hun afspraken hebben vastgelegd en hun professionele hoedanigheid (met name die van [gedaagde 1] als investeerder, waarbij [financieel adviseur] als adviseur optrad) acht de kantonrechter het onwaarschijnlijk dat partijen een afspraak hebben gemaakt die niet in de overeenkomst terechtgekomen is. De enige plaats waar de door [gedaagde 1] gestelde volgorde van het voldoen aan de betalingsverplichtingen is opgenomen, is een notitie van [financieel adviseur] van 16 januari 2023. Die notitie vermeldt als geadresseerde “Dossier [gedaagde 1] / [eiser 2] B.V.”. Uit niets blijkt echter dat deze notitie aan [eiser 2] is verzonden, zoals is aangevoerd door [gedaagde 1] . [eiser 2] heeft betwist dat zij deze notitie ooit heeft ontvangen. De enkele verklaring van [financieel adviseur] op de zitting dat hij ervan uitgaat dat de inhoud daarvan bij [eiser 2] terechtgekomen is omdat het is geschreven als antwoord op een vraag van [eiser 2] en dat hij in de dertig jaar dat hij voor [gedaagde 1] werkt nog nooit een notitie voor [gedaagde 1] zelf heeft geschreven, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser 2] de notitie kent, laat staan dat wat hierin staat tussen partijen is overeengekomen. Uit niets blijkt ten slotte dat deze afspraak nodig was om te waarborgen dat de totale investering van [gedaagde 1] (inclusief volstorting van de aandelen) niet boven een bedrag van € 2.500.000,- zou uitkomen. Niets staat eraan in de weg dat [eiser 2] , na die volstorting en nadat zij gebruik heeft gemaakt van de lening, de meerkosten alsnog voor haar rekening neemt. 2.16.6. Omdat [gedaagde 1] zich er ten onrechte op beriep dat zij pas de aandelen hoefde vol te storten en de lening aan [eiser 2] te verstrekken nadat [eiser 2] eerst alle kostenoverschrijdingen uit eigen middelen had voldaan, heeft hij zelf bewerkstelligd dat niet uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik is gemaakt van de lening. Dat [gedaagde 1] degene is die belang heeft bij vervulling van de opschortende voorwaarde, blijkt uit de omstandigheid dat hij dat beroep erop daadwerkelijk heeft gedaan. Uit wat hiervoor onder 2.16.3 is overwogen volgt dat de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de opschortende voorwaarde als niet vervuld geldt. Gedaagden mogen zich niet beroepen op een opschortingsrecht 2.17. Gedaagden hebben in hun spreekaantekeningen toegelicht dat zij zich beroepen (althans, dat [gedaagde 1] dat doet) op een opschortingsrecht zolang [eiser 2] de overschrijding van de geraamde (bouw)kosten niet voor haar rekening neemt of daar zekerheid voor stelt. Ook is naar voren gebracht dat [eiser 2] nog geen bankgarantie heeft verstrekt en dat dat wel is overeengekomen in verband met de huur. 2.18. Het moment waarop [eiser 2] een bankgarantie moet stellen is nog niet aangebroken. Op de zitting heeft [eiser 2] uitdrukkelijk verklaard en bevestigd dat zij aan deze voorwaarde zal voldoen. Dit levert dan ook geen reden voor een beroep op een opschortingsrecht op. 2.19. Uit niets blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser 2] zekerheid moet stellen voor de overschrijding van de bouwkosten. De verwijzing van gedaagden naar de penibele financiële positie van [eiser 2] gaat niet op, in het licht van het oordeel dat hiervoor is gegeven over de verplichting van [gedaagde 1] om de aandelen vol te storten en de overeengekomen lening aan [eiser 2] te verstrekken. Daarmee is [gedaagde 1] mede debet aan die positie. De kantonrechter kan niet met voldoende zekerheid aannemen dat [eiser 2] vervolgens niet de meerkosten voor haar rekening zal nemen – ervan uitgaande dat die inderdaad door [eiser 2] moeten worden betaald, maar zonder daarover een oordeel te geven – zodat niet vast staat dat [eiser 2] tekort zal schieten in de nakoming van haar verplichtingen. Pas bij een tekortschieten zou immers een opschortingsrecht van gedaagden aan de orde kunnen zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten Termsheet 1 nakomen: [gedaagde 2] moet het tankstation ter beschikking stellen 2.20.
Volledig
Eisers vorderen primair onder I nakoming van de huurovereenkomsten van 4 mei 2022. De kantonrechter wijst die vordering af. Uit Termsheet 1 blijkt dat partijen hebben afgesproken dat als [eiser 2] het tankstation (exclusief installatie) niet uiterlijk op 30 november 2025 heeft afgenomen van [gedaagde 2] , [gedaagde 2] op basis van een nieuwe huurovereenkomst de locatie aan [eiser 2] zal verhuren, tegen een huurprijs van € 325.000,-. De kantonrechter oordeelt daarom dat gedaagden gelijk hebben als zij stellen dat geen nakoming meer kan worden verlangd van de oorspronkelijke huurovereenkomst van 4 mei 2022. Uit deze bepaling blijkt immers dat partijen die achter zich hebben gelaten, met dien verstande dat die ‘oude’ huurovereenkomst wel als uitgangspunt zal worden genomen voor de nieuwe huurovereenkomst. 2.21. Het voorgaande betekent dat de subsidiair vordering onder IV wel toewijsbaar is. De meer subsidiaire vordering onder VI hoeft daarom niet meer te worden beoordeeld. [gedaagde 1] moet de aandelen volstorten 2.22. Onder 2.16.5 heeft de kantonrechter overwogen dat niet aannemelijk is dat partijen hebben afgesproken dat [eiser 2] eerst alle kostenoverschrijdingen uit eigen zak moet betalen voordat [gedaagde 1] een bedrag van € 500.000,- uit de reservering budgetoverschrijding voldoet (wat dan geldt als volstorting van de aandelen) en dat hij een lening verstrekt aan [eiser 2] van € 700.000,-. Artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst moet naar het oordeel van de kantonrechter zo worden uitgelegd dat [gedaagde 1] deze bedragen zou (moeten) voldoen nadat [eiser 2] de eerste € 1.300.000,- had betaald. Dat moment deed zich al in januari 2023 voor. Partijen zijn het erover eens dat de door [gedaagde 1] gedane ‘voorschotbetaling’ van € 122.420,- moet worden gekwalificeerd als (deel)storting op de aandelen en dat dit bedrag niet aan [gedaagde 1] hoeft te worden terugbetaald. Het resterende bedrag van € 377.560,- moet alsnog door [gedaagde 1] worden betaald. De lening moet, als [eiser 2] daarom vraagt, ook worden verstrekt. De primaire vordering onder II wordt dan ook toegewezen. De subsidiaire vordering onder V hoeft niet meer te worden beoordeeld. Gedaagden moeten oplevering mogelijk maken 2.23. De primaire vordering onder III van eisers luidt dat gedaagden worden veroordeeld om “ al datgene te doen en na te laten wat redelijkerwijs noodzakelijk is om de (verdere) realisatie en oplevering en ingebruikname van het tankstation en de daarbij behorende installatie door [eiser 3] mogelijk te maken” , waarbij eisers een aantal verplichtingen meer concreet hebben benoemd. Volgens gedaagden is deze vordering niet toewijsbaar omdat deze te ruim is geformuleerd. 2.24. De kantonrechter vindt deze vordering ook te ruim geformuleerd en zal hem daarom niet toewijzen zoals in de dagvaarding gevorderd. [eiser 2] heeft er echter wel belang bij dat het tankstation wordt afgemaakt zodat het in gebruik kan worden genomen en door [gedaagde 2] aan haar kan worden verhuurd. In het oordeel dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] Termsheet 1 moeten nakomen, ligt besloten dat zij hun medewerking moeten verlenen aan de werkzaamheden die nodig zijn om het tankstation af te maken. De kantonrechter wijst daarom, passend binnen de vordering van eisers, het volgende toe. Gedaagden moeten hun medewerking verlenen (dat wil zeggen toegang verlenen tot de locatie, ervoor zorgen dat er geen belemmeringen zijn en werkzaamheden uitvoeren die zij zelf moeten verrichten) aan het uitvoeren van de resterende werkzaamheden die nodig zijn voordat het tankstation kan worden opgeleverd. Het gaat om de werkzaamheden die eisers in de dagvaarding onder 2.63 hebben opgesomd. In deze veroordeling zouden alle verplichtingen die eisers onder vordering III hebben genoemd overigens besloten moeten liggen. Het verlenen van medewerking omvat immers ook het niet frustreren, het niet weigeren van toegang of toestemmingen en dergelijke. Omdat deze veroordeling mede toegang tot het bouwterrein omvat, wordt deze ook tegen Hovra toegewezen. De kantonrechter matigt de dwangsom 2.25. De kantonrechter verbindt aan de veroordelingen die in dit vonnis worden opgenomen een dwangsom, nu eisers daarom hebben gevraagd en de kantonrechter oog heeft voor hun belang om de veroordeling te kunnen afdwingen. De gevraagde dwangsom van € 100.000,- per dag acht de kantonrechter echter disproportioneel. Een inschatting van de door eisers te lijden schade bij niet-nakoming van de veroordelingen door gedaagden, de draagkracht van gedaagden en de aard van de veroordeling, acht de kantonrechter een dwangsom van € 25.000,- per dag wel proportioneel. Aan de dwangsommen wordt een maximum verbonden van € 2.500.000,-. Gedaagden moeten de proceskosten betalen 2.26. De proceskosten komen voor rekening van gedaagden, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die gedaagden aan eisers moeten betalen op € 134,81 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.427,81. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.27. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eisers dat eisen en gedaagden daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] om uiterlijk één week na de datum van dit vonnis aan [eiser 3] te verhuren en ter beschikking te stellen het tankstation als bedoeld in de dagvaarding, onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11 van Termsheet 1; 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] om uiterlijk één week na de datum van dit vonnis een bedrag te voldoen van € 377.560,- ter voldoening aan haar volstortingsplicht voor de geplaatste aandelen; 3.3. veroordeelt gedaagden om vanaf uiterlijk 24 uur na de datum van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de resterende werkzaamheden die nodig zijn voordat het tankstation kan worden opgeleverd, zoals opgenomen in de dagvaarding onder 2.63; 3.4. veroordeelt gedaagden om aan eisers een dwangsom te betalen van € 25.000,- per dag voor elke dag dat niet aan de hierboven opgenomen veroordelingen is voldaan, te betalen door de gedaagde(n) tegen wie die veroordeling(en) zich richt(en), met een maximum van € 2.500.000,-; 3.5. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van eisers worden begroot op € 1.427,81 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.7. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken. 51909
Volledig
Eisers vorderen primair onder I nakoming van de huurovereenkomsten van 4 mei 2022. De kantonrechter wijst die vordering af. Uit Termsheet 1 blijkt dat partijen hebben afgesproken dat als [eiser 2] het tankstation (exclusief installatie) niet uiterlijk op 30 november 2025 heeft afgenomen van [gedaagde 2] , [gedaagde 2] op basis van een nieuwe huurovereenkomst de locatie aan [eiser 2] zal verhuren, tegen een huurprijs van € 325.000,-. De kantonrechter oordeelt daarom dat gedaagden gelijk hebben als zij stellen dat geen nakoming meer kan worden verlangd van de oorspronkelijke huurovereenkomst van 4 mei 2022. Uit deze bepaling blijkt immers dat partijen die achter zich hebben gelaten, met dien verstande dat die ‘oude’ huurovereenkomst wel als uitgangspunt zal worden genomen voor de nieuwe huurovereenkomst. 2.21. Het voorgaande betekent dat de subsidiair vordering onder IV wel toewijsbaar is. De meer subsidiaire vordering onder VI hoeft daarom niet meer te worden beoordeeld. [gedaagde 1] moet de aandelen volstorten 2.22. Onder 2.16.5 heeft de kantonrechter overwogen dat niet aannemelijk is dat partijen hebben afgesproken dat [eiser 2] eerst alle kostenoverschrijdingen uit eigen zak moet betalen voordat [gedaagde 1] een bedrag van € 500.000,- uit de reservering budgetoverschrijding voldoet (wat dan geldt als volstorting van de aandelen) en dat hij een lening verstrekt aan [eiser 2] van € 700.000,-. Artikel 1.3 van de financieringsovereenkomst moet naar het oordeel van de kantonrechter zo worden uitgelegd dat [gedaagde 1] deze bedragen zou (moeten) voldoen nadat [eiser 2] de eerste € 1.300.000,- had betaald. Dat moment deed zich al in januari 2023 voor. Partijen zijn het erover eens dat de door [gedaagde 1] gedane ‘voorschotbetaling’ van € 122.420,- moet worden gekwalificeerd als (deel)storting op de aandelen en dat dit bedrag niet aan [gedaagde 1] hoeft te worden terugbetaald. Het resterende bedrag van € 377.560,- moet alsnog door [gedaagde 1] worden betaald. De lening moet, als [eiser 2] daarom vraagt, ook worden verstrekt. De primaire vordering onder II wordt dan ook toegewezen. De subsidiaire vordering onder V hoeft niet meer te worden beoordeeld. Gedaagden moeten oplevering mogelijk maken 2.23. De primaire vordering onder III van eisers luidt dat gedaagden worden veroordeeld om “ al datgene te doen en na te laten wat redelijkerwijs noodzakelijk is om de (verdere) realisatie en oplevering en ingebruikname van het tankstation en de daarbij behorende installatie door [eiser 3] mogelijk te maken” , waarbij eisers een aantal verplichtingen meer concreet hebben benoemd. Volgens gedaagden is deze vordering niet toewijsbaar omdat deze te ruim is geformuleerd. 2.24. De kantonrechter vindt deze vordering ook te ruim geformuleerd en zal hem daarom niet toewijzen zoals in de dagvaarding gevorderd. [eiser 2] heeft er echter wel belang bij dat het tankstation wordt afgemaakt zodat het in gebruik kan worden genomen en door [gedaagde 2] aan haar kan worden verhuurd. In het oordeel dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] Termsheet 1 moeten nakomen, ligt besloten dat zij hun medewerking moeten verlenen aan de werkzaamheden die nodig zijn om het tankstation af te maken. De kantonrechter wijst daarom, passend binnen de vordering van eisers, het volgende toe. Gedaagden moeten hun medewerking verlenen (dat wil zeggen toegang verlenen tot de locatie, ervoor zorgen dat er geen belemmeringen zijn en werkzaamheden uitvoeren die zij zelf moeten verrichten) aan het uitvoeren van de resterende werkzaamheden die nodig zijn voordat het tankstation kan worden opgeleverd. Het gaat om de werkzaamheden die eisers in de dagvaarding onder 2.63 hebben opgesomd. In deze veroordeling zouden alle verplichtingen die eisers onder vordering III hebben genoemd overigens besloten moeten liggen. Het verlenen van medewerking omvat immers ook het niet frustreren, het niet weigeren van toegang of toestemmingen en dergelijke. Omdat deze veroordeling mede toegang tot het bouwterrein omvat, wordt deze ook tegen Hovra toegewezen. De kantonrechter matigt de dwangsom 2.25. De kantonrechter verbindt aan de veroordelingen die in dit vonnis worden opgenomen een dwangsom, nu eisers daarom hebben gevraagd en de kantonrechter oog heeft voor hun belang om de veroordeling te kunnen afdwingen. De gevraagde dwangsom van € 100.000,- per dag acht de kantonrechter echter disproportioneel. Een inschatting van de door eisers te lijden schade bij niet-nakoming van de veroordelingen door gedaagden, de draagkracht van gedaagden en de aard van de veroordeling, acht de kantonrechter een dwangsom van € 25.000,- per dag wel proportioneel. Aan de dwangsommen wordt een maximum verbonden van € 2.500.000,-. Gedaagden moeten de proceskosten betalen 2.26. De proceskosten komen voor rekening van gedaagden, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die gedaagden aan eisers moeten betalen op € 134,81 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.427,81. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.27. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eisers dat eisen en gedaagden daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] om uiterlijk één week na de datum van dit vonnis aan [eiser 3] te verhuren en ter beschikking te stellen het tankstation als bedoeld in de dagvaarding, onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11 van Termsheet 1; 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] om uiterlijk één week na de datum van dit vonnis een bedrag te voldoen van € 377.560,- ter voldoening aan haar volstortingsplicht voor de geplaatste aandelen; 3.3. veroordeelt gedaagden om vanaf uiterlijk 24 uur na de datum van dit vonnis hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de resterende werkzaamheden die nodig zijn voordat het tankstation kan worden opgeleverd, zoals opgenomen in de dagvaarding onder 2.63; 3.4. veroordeelt gedaagden om aan eisers een dwangsom te betalen van € 25.000,- per dag voor elke dag dat niet aan de hierboven opgenomen veroordelingen is voldaan, te betalen door de gedaagde(n) tegen wie die veroordeling(en) zich richt(en), met een maximum van € 2.500.000,-; 3.5. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van eisers worden begroot op € 1.427,81 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.7. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken. 51909