Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-20
ECLI:NL:RBROT:2026:5310
RECHTBANK Rotterdam team handel en haven zaaknummer / rekestnummer: C/10/710341 / HA RK 25-1137 Beschikking van 20 februari 2026 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht ABBEY SHIPPING LTD , gevestigd te Arklow (Ierland) verzoekster, advocaat: mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam, tegen de GEMEENSCHAPPELIJKE NAUTISCHE AUTORITEIT , gevestigd te Vlissingen,verweerster,geen advocaat en de rechtspersoon naar buitenlands recht ECO UMANDE BAIL SAS , gevestigd te Parijs (Frankrijk) verweerster, advocaat: mr. V. Fransen te Antwerpen (België). Partijen worden hierna aangeduid met Abbey , de GNA en Eco . 1 Het verloop van de procedure 1.1. Op 25 oktober 2025 heeft de griffie van deze rechtbank het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingevolge het ‘Walradarbesluit Schelde’ (artikel 196 e.v. Rv., voorlopige bewijsverrichting) ontvangen van Abbey . Haar verzoek strekt er (samengevat) toe om een kopie van de bewaarde gegevens (radar en marifoondata) te verkrijgen van het ‘Beheer- en Exploitatieteam Schelderadarketen’ over de periode van 2 mei 2025 van 16:00 tot en met 18:00 uur UTC (18:00-20:00 uur Nederlandse zomertijd), daartoe een instructiebijeenkomst te houden (overeen te komen tussen partijen en vertegenwoordigers van de Schelderadarketen) en om het voorlopig getuigenverhoor aan te houden tot een pro forma datum waarop partijen uiterlijk dienen aan te geven of er getuigen gehoord moeten worden en zo ja, welke. 1.2. Mr. V. Fransen heeft namens Eco per e-mail van 19 november 2025 aan deze rechtbank laten weten geen verweer te voeren tegen de gevraagde voorlopige maatregel tot getuigenverhoor en het bekomen van de gegevens bij de GNA en dat er geen zitting hoeft te worden gehouden aangezien zijn cliënte geen verweer wenst te voeren tegen de gevraagde voorlopige maatregel. 1.3. De rechtbank heeft een standaardwerkwijze afgestemd met de GNA voor de behandeling van verzoeken om het inzien/afgifte van incidentenregistratie die vallen onder het bereik van artikel 196 Rv. Uit die afstemming volgt dat de rechtbank ervan mag uitgaan dat de GNA, indien deze geen tegenbericht instuurt kort nadat zij is verwittigd over het ingediend zijn van een verzoek als het onderhavige, ermee instemt dat de rechtbank het verzoek behandelt zonder het houden van een zitting en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over het verzoek. Nu de GNA over dit verzoek is geïnformeerd en niet heeft laten weten dat de standaardwerkwijze niet kan worden toegepast, gaat de rechtbank er dus van uit dat de GNA eveneens instemt met toewijzing van dit verzoek zonder mondelinge behandeling. 1.4. Op grond van artikel 198 lid 1 Rv en gelet op artikel 1.6.2. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank kan een mondelinge behandeling onder meer achterwege blijven als alle partijen de rechter schriftelijk hebben verzocht om zonder mondelinge behandeling te beslissen en als aan ieder van de belanghebbenden de mogelijkheid is geboden om mede te delen of hij gehoord wenst te worden en deze daarvan geen gebruik heeft gemaakt. 1.5. Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld kan de rechtbank zonder een mondelinge behandeling beslissen op de verzoeken van Abbey . 2 De beoordeling bevoegdheid en toepasselijk recht 2.1. Abbey is gevestigd in Ierland, de GNA in Nederland en Eco is gevestigd in Frankrijk. De rechtbank zal daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van dit verzoek voorlopige bewijsbeslissing ex artikel 196 e.v. Rv kennis te nemen en aan de hand van welk recht het verzoek van Abbey moet worden beoordeeld. 2.2. Gelet op de vestigingsplaatsen van de GNA en van Eco alsmede gelet op de aard van het verzoek, is de Brussel I-bis Vo van toepassing. Het verzoek betreft een voorlopige maatregel die in Nederland dient te worden getroffen, als bedoeld in artikel 35 Brussel I-bis Vo. Ingevolge die bepaling kan een dergelijk verzoek in Nederland worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd zou zijn om van de vordering in de bodemprocedure kennis te nemen. Het verzoek valt bovendien binnen de categorieën van verzoeken genoemd in artikel 625 Rv en daarom is deze rechtbank (internationaal) bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. 2.3. Het verzoek heeft een procesrechtelijk karakter. Op grond van artikel 10:3 BW moet dit verzoek om die reden worden beoordeeld naar Nederlands (proces)recht. inhoudelijke beoordeling 2.4. De rechtbank gaat - behoudens voor zover uit de motivering anders blijkt - uit van de volgende, door Abbey ingenomen stellingen die niet zijn weersproken. 2.4.1. Abbey is de reder van het schip de ‘ [schip 1] ’ met IMO-nummer: [IMO-nummer 1] (hierna: de “ [schip 1] ”). Eco is de reder van het schip “ [schip 2] ” met IMO-nummer: [IMO-nummer 2] (hierna: de “ [schip 2] ”). 2.4.2. Op 2 mei 2025 heeft omstreeks 19:00 uur een aanvaring tussen de [schip 1] en de [schip 2] plaatsgevonden op de Schelde nabij Terneuzen, waardoor schade is ontstaan aan beide schepen. 2.4.3. Van het incident zijn door het Beheer- en Exploitatieteam Schelderadarketen radar- en marifoondata bewaard (de incidentregistratie). 2.4.4. Abbey wenst inzicht te verkrijgen in de precieze toedracht van de aanvaring. Het is voor haar onder meer van belang om vast te stellen of er communicatie is geweest tussen de nbeide schepen voorafgaand aan de aanvaring en of er bijzondere afspraken zijn gemaakt tussen de loodsen om een veilige en verantwoorde passeermanoeuvre zeker te stellen. De gegevens van de Schelderadarketen zullen belangrijke informatie opleveren. 2.5. Namens Eco is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De GNA heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 2.6. De rechtbank acht het belang van Abbey aanwezig dat Abbey (en Eco ) de bewaarde registraties van de Walradar (radarbeelden en marifoongesprekken) met betrekking tot voormeld incident kunnen bekijken en beluisteren en dat zij een kopie krijgen van de incidentinformatie. Het verzoek is in zoverre onweersproken en op de wet gegrond, mede gezien de artikelen 13 aanhef en onder g, 15 lid 1 en 16 van het Besluit van de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart omtrent het verstrekken van informatie afkomstig uit de walradarketen Westerschelde van 1 juli 2024 (Stcrt. 2024, 22886). De rechtbank zal de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, Beheer- en Exploitatieteam, Functioneel Beheer, [adres] Vlissingen, daarom verzoeken om een verzoek van de advocaat van Abbey aan de GNA, strekkend tot het bekijken van de radarbeelden en het beluisteren van de geluidsopnames en tot het verkrijgen van een kopie van de beeld- en geluidsopnames, toe te staan. Uit de toepasselijke regels volgt dat daartoe een instructiebijeenkomst moet worden gehouden. 2.7. De rechtbank zal bepalen dat de inzage in de bedoelde gegevensbestanden dient plaats te vinden in aanwezigheid van zowel Abbey als Eco , althans hun vertegenwoordigers, en dat de afgifte van kopieën van de gegevensbestanden aan beide partijen dient plaats te vinden op het kantoor van de desbetreffende verkeerscentrale te Vlissingen. 2.8. Abbey heeft aangegeven dat voor het horen van getuigen vooralsnog kan worden volstaan met het gelasten van een pro forma datum. De rechtbank zal daarom de pro forma datum stellen op drie maanden na heden, te weten op 20 mei 2026. Abbey zal op voormelde datum of zoveel eerder als gewenst contact opnemen met de griffie van de rechtbank om aan te geven of een voorlopig getuigenverhoor nog is gewenst. Als dit zo is zal een nadere datum en tijdstip worden bepaald voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor voor een nader te noemen rechter. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. acht voor de behartiging van de belangen van Abbey noodzakelijk dat Abbey en Eco inzage in en afgifte van de incidentinformatie ter zake van voornoemde op 2 mei 2025 plaatsgevonden aanvaring verkrijgen, door middel van een instructiebijeenkomst; 3.2. bepaalt dat de instructiebijeenkomst dient plaats te vinden op een bijeenkomst ten kantore van de desbetreffende verkeerscentrale te Vlissingen; 3.3.