Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-19
ECLI:NL:RBROT:2026:5120
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5120 text/xml public 2026-05-04T15:40:50 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-19 NL:TZ:2600775:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 287a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5120 text/html public 2026-05-04T15:37:22 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5120 Rechtbank Rotterdam , 19-03-2026 / NL:TZ:2600775:R-RK Dwangakkoord afgewezen. Aanbod niet het maximaal haalbare. Aanbod niet goed en controleerbaar gedocumenteerd. Strafrechtelijk gerelateerde schuld. RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Rekestnummer: [nummer] Vonnis van 19 maart 2026 afwijzen gedwongen schuldregeling in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [adres] [postcode] [plaatsnaam], verzoekster. 1 De procedure Verzoekster heeft op 15 januari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - [naam], in behandeling bij Equalis Gerechtsdeurwaarder (hierna: [naam]); die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Ter zitting van 12 maart 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; mevrouw L.E.M. Koorn, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw S. Spapen, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: beschermingsbewindvoerder). De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 2 Het verzoek Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vierentwintig concurrente schuldeisers met tweeëndertig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 102.848,17 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 14 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,15% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De totale schuldenlast betrof op dat moment € 99.959,29. Ter zitting is gebleken dat de schuld van Nuon Energy ter hoogte van € 1.444,44 twee keer op de schuldenlijst is opgenomen. Desondanks is de schuldenlast na de aangeboden schuldregeling hoger geworden. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime (28 uur per week) en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Ter zitting is door schuldhulpverlening toegelicht dat de aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. Drieëntwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 35.739,35 op verzoekster. 3 Het verweer Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten, noch heeft hij gedurende het minnelijk traject inhoudelijk op het voorstel van schuldhulpverlening gereageerd. 4 De beoordeling De vordering van [naam] komt voort uit een vonnis van 9 september 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank in België. Dit brengt de vraag met zich naar de bevoegdheid van de rechtbank om over het verzoek te oordelen. Het verzoek van verzoekster strekt ertoe [naam] te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling (artikel 3:300 lid 1 BW), zodat hierop van toepassing is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in de burgerlijke en handelszaken (herschikking (“EEX-Vo”). De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is krachtens artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Bij het onderhavige verzoek zijn de belangen van meerdere (in Nederland gevestigde) verweerders betrokken, wiens belangen moeten worden gewogen bij de beoordeling van het verzoek ex artikel 287a Fw. Daarmee is de nauwe band gegeven, terwijl een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige beoordeling van al deze belangen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam] bij zijn weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat de vordering van [naam] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 34,7% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [naam] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Er is niet duidelijk gecommuniceerd naar de schuldeisers of het aangeboden percentage door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet in één keer aan de schuldeisers wordt uitgekeerd of dat het aanbod voorziet in uitkering van een prognosepercentage, waarbij de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Ook al zouden de schuldeisers er vanuit mogen zijn gegaan dat het voorstel een prognose is en dat afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoekster het uiteindelijke resultaat hoger of lager kan uitvallen, is de rechtbank van oordeel dat de schuldeisers er geen rekening mee hoefden te houden dat het uiteindelijke resultaat lager zou worden doordat de schuldenlast gedurende het minnelijk traject zou toenemen. Daarnaast is niet aangetoond dat verzoekster zich tot het uiterste heeft ingespannen om het maximaal haalbare voor haar schuldeisers te bewerkstelligen. Het aanbod is gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een parttime dienstverband. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur of 32 uur met onregelmatigheidstoeslag per week te werken. Verzoekster heeft ter zitting te kennen gegeven dat het vanwege wisselende uren lastig is om een aanvullende dienstbetrekking te vinden. Zij gaat op korte termijn een traject in waarbij zij zal worden opgeleid tot wooncoach en verwacht daardoor ook meer uren te kunnen gaan werken. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is. Bovendien is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting gebleken dat de vordering van [naam] een strafrechtelijk gerelateerde schuld betreft. Op grond van artikel 358 lid 4 Fw valt deze vordering na het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet onder de schone lei. Dit betekent dat de vordering bij weigering van een dwangakkoord volledig opeisbaar blijft, ook in geval verzoekster in aanmerking zou komen voor de schuldsaneringsregeling.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5120 text/xml public 2026-05-04T15:40:50 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-19 NL:TZ:2600775:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 287a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5120 text/html public 2026-05-04T15:37:22 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5120 Rechtbank Rotterdam , 19-03-2026 / NL:TZ:2600775:R-RK Dwangakkoord afgewezen. Aanbod niet het maximaal haalbare. Aanbod niet goed en controleerbaar gedocumenteerd. Strafrechtelijk gerelateerde schuld. RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Rekestnummer: [nummer] Vonnis van 19 maart 2026 afwijzen gedwongen schuldregeling in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [adres] [postcode] [plaatsnaam], verzoekster. 1 De procedure Verzoekster heeft op 15 januari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - [naam], in behandeling bij Equalis Gerechtsdeurwaarder (hierna: [naam]); die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Ter zitting van 12 maart 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; mevrouw L.E.M. Koorn, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw S. Spapen, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: beschermingsbewindvoerder). De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 2 Het verzoek Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vierentwintig concurrente schuldeisers met tweeëndertig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 102.848,17 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 14 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,15% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De totale schuldenlast betrof op dat moment € 99.959,29. Ter zitting is gebleken dat de schuld van Nuon Energy ter hoogte van € 1.444,44 twee keer op de schuldenlijst is opgenomen. Desondanks is de schuldenlast na de aangeboden schuldregeling hoger geworden. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime (28 uur per week) en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Ter zitting is door schuldhulpverlening toegelicht dat de aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. Drieëntwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 35.739,35 op verzoekster. 3 Het verweer Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten, noch heeft hij gedurende het minnelijk traject inhoudelijk op het voorstel van schuldhulpverlening gereageerd. 4 De beoordeling De vordering van [naam] komt voort uit een vonnis van 9 september 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank in België. Dit brengt de vraag met zich naar de bevoegdheid van de rechtbank om over het verzoek te oordelen. Het verzoek van verzoekster strekt ertoe [naam] te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling (artikel 3:300 lid 1 BW), zodat hierop van toepassing is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in de burgerlijke en handelszaken (herschikking (“EEX-Vo”). De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is krachtens artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Bij het onderhavige verzoek zijn de belangen van meerdere (in Nederland gevestigde) verweerders betrokken, wiens belangen moeten worden gewogen bij de beoordeling van het verzoek ex artikel 287a Fw. Daarmee is de nauwe band gegeven, terwijl een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige beoordeling van al deze belangen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam] bij zijn weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat de vordering van [naam] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 34,7% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [naam] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Er is niet duidelijk gecommuniceerd naar de schuldeisers of het aangeboden percentage door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet in één keer aan de schuldeisers wordt uitgekeerd of dat het aanbod voorziet in uitkering van een prognosepercentage, waarbij de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Ook al zouden de schuldeisers er vanuit mogen zijn gegaan dat het voorstel een prognose is en dat afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoekster het uiteindelijke resultaat hoger of lager kan uitvallen, is de rechtbank van oordeel dat de schuldeisers er geen rekening mee hoefden te houden dat het uiteindelijke resultaat lager zou worden doordat de schuldenlast gedurende het minnelijk traject zou toenemen. Daarnaast is niet aangetoond dat verzoekster zich tot het uiterste heeft ingespannen om het maximaal haalbare voor haar schuldeisers te bewerkstelligen. Het aanbod is gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een parttime dienstverband. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur of 32 uur met onregelmatigheidstoeslag per week te werken. Verzoekster heeft ter zitting te kennen gegeven dat het vanwege wisselende uren lastig is om een aanvullende dienstbetrekking te vinden. Zij gaat op korte termijn een traject in waarbij zij zal worden opgeleid tot wooncoach en verwacht daardoor ook meer uren te kunnen gaan werken. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is. Bovendien is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting gebleken dat de vordering van [naam] een strafrechtelijk gerelateerde schuld betreft. Op grond van artikel 358 lid 4 Fw valt deze vordering na het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet onder de schone lei. Dit betekent dat de vordering bij weigering van een dwangakkoord volledig opeisbaar blijft, ook in geval verzoekster in aanmerking zou komen voor de schuldsaneringsregeling.